Twee waterspinnen met nesten, verbonden aan (rechts) Duizendblad, (links) Waterpest, in ’t midden Drijvend Fonteinkruid.

Twee waterspinnen met nesten, verbonden aan (rechts) Duizendblad, (links) Waterpest, in ’t midden Drijvend Fonteinkruid.

Laten we liever die andere sloot eens afzoeken: die is veel [113]helderder. Daar drijven er al eenige; neem ze mee naar huis en kijk elken dag, of ge ook vlinderachtige, bruin, en wit gevlekte diertjes op den steen in uw glazen bak of op het rotsje in het aquarium ziet zitten; dat zijn de uitgekomen kokerjuffers. Zulke vlindertjes, waar- of schietmotten heeten ze ook wel, vliegen tegen den avond soms bij duizenden door het hooge gras in de buurt van het water.

Kokerjuffers.—Volkomen insecten en larve uit de koker gehaald.

Kokerjuffers.—Volkomen insecten en larve uit de koker gehaald.

Als ge het wilt, kost het u niet veel moeite, van den slootkant af zoo’n kokerjuffertje, dat pas is uitgekomen op zijn drijvend huisje te zien zitten; het wacht zoo het ontplooien en het drogen van de vleugels af; waagt het diertje het, te vroeg te gaan vliegen, dan valt het in het water en spartelt, angstig fladderend, rond.

En voor dien angst is reden genoeg; die groote kikker zal er op los gaan; zijn groote domme, uitpuilende oogen staren ouder gewoonte eerst een poosje het vreemde ding aan, eer hij besluiten kan, toe te happen,—daar zal het komen:—[114]te laat, een draaikevertje en een schaatsenlooper hebben, ieder aan een kant, het ongelukkige juffertje beet gepakt, en snellen er mee heen; de schaatsenlooper wil niet los laten, hij sleept het torretje mee; daar scheert een zwaluw over het watervlak: kokerjuffer en schaatsenlooper verdwijnen samen in één wijden bek. Het draaitorretje is nog net bij tijds snel ondergedoken, het heeft ook niet voor niets vier oogen, waarvan er twee naar boven in de lucht, en twee naar onder in het water kijken.

Ge moet wat schaatsenloopers en draaitorren in uw aquarium houden, dat geeft heel wat leven aan de oppervlakte. De schaatsenloopers moet ge niet in een flesch met water, maar in een doosje meenemen, anders zijn ze verdronken, vóór ge thuis komt.

Door het schudden van de flesch raken ze onder water, en daar kunnen ze niet tegen; ze zijn er op ingericht snel over het water te loopen, maar er in geraken is hun dood. Op blz. 41 is er eentje te zien.

De draaitorretjes kunnen het onder water wel uithouden; net zoo goed als aan de oppervlakte; onder de loupe kunt ge een van de oorzaken van hun verbazende vlugheid vinden: hun middel- en achterpooten zijn bijna geheel en al vinnen.

Voor het geval, dat ge eens een verzameling waterkevers wilt aanleggen of wanneer ge den juisten naam van een gevangene wenscht te kennen, hebt ge veel uitgebreider werk noodig dan dit boekje; dan moet ge determineeren; daarbij is nauwkeurig kijken en vergelijken de boodschap; vooral het aantal klauwtjes aan de laatste tarsen geeft verschil in soort aan.

Nu zal het u wel eens, even als mij, overkomen, dat men u heel welwillend waarschuwt, toch vooral niet met den mond boven de sloot te komen, omdat de gassen, die daaruit opstijgen, uw gezondheid kunnen benadeelen. ’t Is wel [115]mogelijk, dat dit even als koffie een vergif is, maar dan toch een heel langzaam.

Waarschijnlijk heeft niemand ooit meer met zijn neus boven slootwater gezeten dan onze oude bekende Antony van Leeuwenhoek, en die is een-en-negentig jaar geworden.

E. Hs.

Een kokertje van een waterjuffer uit mossprietjes.

Een kokertje van een waterjuffer uit mossprietjes.

[116]