Nog nooit heb ik een wandeling buiten gedaan, of ik heb iets gezien, dat mij nieuw was: een plant of dier, nog niet te voren ontmoet, of wel de een of andere gebeurtenis uit het planten- of dierenleven. Nu eens was het een koekkoek, die rustig zat te roepen, alsof er geen nieuwsgierige op vijf pas afstand hem stond te begluren, dan een zeldzame varen op een ouden kerkhofmuur, dan weer rietkevertjes, die pas hun pophulsel verlieten of wielewalen, bezig hun kunstig nest vast te naaien. Velden met orchideeën in allerlei variëteiten, een vlucht lepelaars op een weiland onder den rook van de hoofdstad, brandnetels stuivend op klaarlichten dag en boschviooltjes met kleurlooze bloempjes zoo groot als een speldeknop—te veel om te noemen, in eindelooze verscheidenheid.

Tientallen jaren van natuurgenot zijn al achter den rug en nog brengt ieder nieuw voorjaar nieuwe vreugde, nieuwe verrassingen; steeds kleiner wordt het aantal van planten, vogels of insecten, die in de handboeken gemerkt [117]staan met „zeer zeldzaam” of „slechts eenmaal aangetroffen” en waar mijn blikken zich niet aan verlustigd hebben. Maar wat kunnen sommige natuur-voorwerpen zich schuil houden! Wat heeft ’t lang geduurd, eer ik mijn eerste klapekster te zien kreeg—die naam klinkt nog al zoo dood gewoon alledaags—en hoe goed herinner ik mij tot in de kleinste bijzonderheden mijn eerste ontmoeting met het muskuskruid en de baardmeesjes!

Ook hoop ik nog eens een waterspreeuw te zien en ’t nest van een ijsvogeltje en … de waternoot.

Waternoot (Trapa natans) a. bloem, b. stamper, c. vrucht. (naar Solotnitzky).

Waternoot (Trapa natans) a. bloem, b. stamper, c. vrucht. (naar Solotnitzky).

Vooral die waternoot! In wat rietpoelen en veenplassen heb ik er al om rondgezworven, in hoeken en gaten die er uit zagen, alsof nog nooit een mensch daar geweest was, echte schuilhoeken, juist geschikt voor een laatste toevluchtsoord van een arme vervolgde waterplant. Hoe heerlijk zou ze daar kunnen liggen droomen van den [118]tijd, toen ze allerwege slooten en poelen bedekte, toen haar bloempjes, gesteund door de ruitvormige bladeren, drijvend op hun opgeblazen holle bladstelen op elk stilstaand water hun wit tapijt vormden.

En dat is nog zoo heel lang niet geleden, nog geen veertig, geen dertig jaar! In 1860 begon de tegenspoed en dat was, naar men zegt, de schuld van een Nederlandsch professor, van een man, die het beter had moeten weten, een man, die niet besefte, wat hij deed. En dan een hooggeleerde! O tempora!

Hoogstwaarschijnlijk wist hij wel, wat hij deed, maar dan heeft hij ongetwijfeld het gevoel gehad van iemand, die voor een open zolderraam staat, en die, wetende dat het hem nek, armen en beenen zal kosten, naar beneden springt, alleen beheerscht door de gedachte: „als ik er eens uit sprong!”

Maar de professor is er niet uit gesprongen; misschien wel later figuurlijk „uit zijn vel”, toen hij van welmeenende vrienden en kennissen moest hooren, dat al spoedig de gevolgen van zijne lichtzinnigheid aan de gemeente Utrecht jaarlijks op eenige honderden guldens te staan kwamen.

En toch had hij niets anders gedaan, dan een halfverwelkt takje in een gracht gegooid—dat was alles.

Maar dat takje was afkomstig van een plantje, dat gekweekt en onderhouden werd in den botanischen tuin—in Leiden verheugde men zich ook in ’t bezit van een bakjevol—want het was een waterplant. En een merkwaardige plant ook, afkomstig uit het land van de gele koorts en de colorado-kever en alom bekend onder den minder schoonen naam van Waterpest. Nu stel ik mij voor, dat zijn hooggeleerde gelezen had van de wonderbaarlijke groeikracht van dit plantje en hoe het in de laatste twintig jaren—dus na 1840—in ’t Noorden van Engeland zoo voortgewoekerd had, dat het de scheepvaart op de kanalen [119]zeer ernstig belemmerde.. en daar stond hij nu voor ’t zoldervenster. Zou ’t hier ook zoo snel groeien? Als ik dit takje eens in het water wierp? De grachten zijn juist schoongemaakt; dus ’t kan een poosje rustig liggen. Maar die verstopte kanalen bij Berwick!

(Elodea canadensis.) Waterpest.

(Elodea canadensis.) Waterpest.

’t Takje lag in ’t water. Was de man ’t maar nagesprongen—om ’t er weer uit te halen. Want het ding is gaan groeien, groeien, en onze binnenscheepvaart ondervindt er den last van, evengoed als de Engelsche 50 jaar geleden—nu ook nog, natuurlijk—, onze slooten zijn er vol van. Niet alleen onze, maar die van heel Noord Duitschland, verleden jaar al tot Polen toe!

Meteen was het vonnis van de waternoot geteekend. Evenals de meeste waterplanten zoekt deze ’s winters een schuilplaats op den bodem van slooten en plassen, in de modder—net als soms de kikvorschen. En ’t zoele voorjaar, dat de vroolijke kwakertjes tot nieuw leven roept, doet ook de sluimerende plantenknoppen ontwaken. Er zijn er, die vroeg wakker worden, doch ook de langslapers ontbreken niet; onze waternoot is er zoo een, en ’t is hem duur te staan gekomen. Want als de trage Europeaan ontwakend licht en lucht zoekt, dan is de slimme Canadees met echt Amerikaansche vlugheid en voortvarendheid hem reeds voor geweest en heeft alle plaatsen bezet. De [120]jonge waternootspruitjes kunnen niet aan de oppervlakte komen, ze kwijnen weg door gebrek aan lucht en licht en brengen het niet eens zoover, dat ze bloesem of nieuwe knoppen kunnen vormen. Zoo is hun geslacht verdrongen en uitgestorven, gelijk in ’t verre Westen de roode man en de bison verdwijnen, als het bleekgezicht zich eenmaal vertoond heeft.

Nu is de vraag: heeft de Nederlandsche flora bij den ruil gewonnen? Wij zagen reeds, dat Elodea lastig kan worden voor de scheepvaart en dat is mij van de waternoot nooit ter oore gekomen.

Aan den anderen kant is de waterpest een heel aardige aanwinst voor het aquarium, waar hij gemakkelijk gekweekt kan worden. Doe maar als de professor; neem een stukje bebladerde stengel en gooi dat in ’t water. In weinige dagen ontwikkelen zich witte draadachtige wortels, die den zandbodem van uw bekken opzoeken; al heel spoedig vertakt zich ’t stengelbrokje, en de smaragdgroene stelen met de eenigszins donkerder bladeren slingeren zich bevallig door ’t water en schijnen het met een groenen glans te verlichten. Werkelijk wordt het water door de plant verhelderd. Gij kunt de proef er van nemen, door vóór het planten van waterpest het water van uw aquarium opzettelijk troebel te maken, d.w.z. er vuil water in te gooien, want uw bodemzand zal wel zoo schoon zijn, dat het omroeren er van geen „troebelen” veroorzaakt. Gij hebt dan—natuurlijk met een zelfmoordenaarsgevoel—vuil water in uw aquarium gedaan, en daarna Waterpest—erger kan het haast niet, zult ge denken,—maar binnen vierentwintig uren is het water zoo helder als kristal en de plant glanst als een edelsteen. Waar het vuil gebleven is? Dat blijft voorloopig een raadsel.

Het spreekt van zelf, dat de waterpest dit zuiverend [121]vermogen in de vrije natuur evenzeer of in nog hoogere mate bezit; en wanneer ge op frissche, zonnige Aprildagen naar buiten trekt, om ’t ontwakend leven der natuur gade te slaan en gij in ’t kristalheldere water de kleinste diertjes op den bodem kunt zien, dan hebt ge dat voor een groot deel aan den vreemden indringer te danken.

In Juli en Augustus bloeit de Waterpest met kleine lila of purperroode bloempjes op steeltjes, die zoo lang zijn, dat de bloemen juist aan de oppervlakte van ’t water drijven. Als ge er niet opzettelijk naar zoekt, zult gij ze niet licht vinden; doch ’t loont de moeite wel, en ge kunt tegelijk uitzien naar larven en eitjes van water-insecten.

Het bloemomhulsel bestaat uit zes puntjes, waarbinnen zich een driedeelige stempel bevindt. Bij nader onderzoek blijkt het, dat die stempel het einde is van een lange draadvormige stijl, die heelemaal onder in ’t steeltje uit het vruchtbeginsel ontspringt. Meteen zien wij nu, dat de bloemen ongesteeld zijn en dat, wat wij voor een steel hielden, eigenlijk kroonbuis of kelkbuis of zoo iets behoort genoemd te worden.

Meeldraden zitten in deze bloem niet.

Nu ja, zegt ge, dan is de bloem vrouwelijk, laat ons maar eens zien, of er geen mannelijke aan dezelfde plant zitten.

Neen, geen mannelijke bloemen te vinden; dus de plant is tweehuizig, misschien vinden we in deze sloot nog wel een mannelijk exemplaar, of een eindje verder.

Zoek maar niet; in heel Nederland is geen mannelijke Waterpest te vinden en in heel Europa ook niet.

En dat is erg jammer. Want de Waterpest heeft een manier van bloeien, die tot de allermerkwaardigste behoort en waarvan de wonderlijkheid nog maar door één plant overtroffen wordt; die heeft daardoor in de wereld der plantenkenners, plantenliefhebbers en aquariumvrienden [122](om met de Duitschers te spreken) een groote reputatie verworven.

De mannelijke bloemen van onze Waterpest bevatten negen meeldraden—een tamelijk ongewoon aantal ook. Tegen den tijd, dat die meeldraden „rijp” zijn—dus als zij gaan openbarsten en hun stuifmeel vrijlaten,—laat de geheele mannelijke bloem los van de plant, waarop zij zich ontwikkeld heeft, om vrij in het water rond te drijven. De helmknoppen, met klevend stuifmeel overdekt, steken dan buiten het bloembekleedsel uit—zij kijken overboord. Voort drijven de ranke bootjes over ’t spiegelend vlak—in Juli en Augustus waaien geen stormen. Waarheen drijven ze? Sommige stranden aan den waterkant en gaan verloren, andere blijven van de wal af en komen terecht bij de vrouwelijke bloemen, die gelijk met het water liggen en wier uitstekende stempels met de helmknoppen in aanraking komen. Eenige stuifmeelkorrels blijven op de stempelpapillen kleven, groeien door den stijl naar ’t eitje en het zaad kan rijpen.

In hoofdzaak is deze manier van bloeien dezelfde als bij de Vallisneria spiralis, de beroemde plant, waarvan ik zoo even sprak. Deze groeit in het wild in Zuid-Europa, maar ieder liefhebber van aquariums bezit er wel een paar plantjes van en zal u graag een stekje geven. Ze wortelen in den bodem en groeien geheel onder water, lange bandachtige groene bladeren, die rechtop staan—een weinig uit elkander gebogen. Als ze goed licht hebben, gaan ze in ’t aquarium wel bloeien ook en dat is de moeite waard.

Vallisneria spiralis.

Vallisneria spiralis.

Sommige planten ontwikkelen groene knopjes, onder water, op rechte steeltjes van 1 à 2 cM. lang, andere krijgen dergelijke knopjes, maar die zitten op een lang steeltje, dat net als een kurketrekker ineengedraaid is. Na eenigen tijd strekt die kurketrekker zich uit, totdat het knopje de oppervlakte van het water bereikt heeft. Daar [125]opent het zich en nu blijkt het te bestaan uit 3 lichtgroene blaadjes, waarbinnen een vruchtbeginsel met drie stijlen, die buiten het bloempje over ’t water uitsteken. (Teekening blz. 121 rechts).

Intusschen is er met de knopjes, die op de rechte steeltjes zaten, ook iets gebeurd. Die steeltjes zijn erg broos: bij de minste aanraking breken ze af, als ’t hun tijd is. De knopjes, die lichter zijn dan ’t water, stijgen dan omhoog en drijven aan de oppervlakte rond. Nu zoudt ge denken, dat het met hen uit was—een losgerukt deel van een plant moet sterven. Maar onze Vallisneriaknopjes leven nog een poosje door. Ze gaan open, alsof ze nog deel van de plant uitmaakten, en de meeldraden, die binnen de drie blaadjes zitten, worden rijp en buigen naar buiten om.

Die blaadjes gelijken ieder op een bootje, drie bootjes met elkander vormen een bloem, die door wind en stroom wordt meegevoerd. Drijft nu zoo’n meeldradenbootje tegen een stamperbloem aan, dan raken de helmknopjes precies aan de stempels, waaraan dan het kleverig stuifmeel vast blijft zitten. Maar nu komt nog het mooiste. Ge zoudt nu denken: de stempels zijn voorzien van stuifmeel, dus nu kunnen de zaadjes rijpen. Dat is ook zoo, maar om te rijpen behoeven ze niet meer boven water te blijven—daar beneden is het veel veiliger—en wat gebeurt er nu? De steel krult weer in tot zijn vorigen kurketrekkervorm en trekt het rijpend vruchtje met zich mee in de groene diepte.

Nu weet men nog niet juist, of de Waterpest precies zoo doet. Dat meeldradenschuitjes naar de stamperbloemen varen, is wel waargenomen, maar of het vruchtje ook onder water rijpt, is nog niet met zekerheid te zeggen. Dat komt, doordat de waterpest in zijn eigen vaderland ook maar zelden bloeit; de mannelijke bloemen zijn er zeldzaam en vruchten en zaadjes onbekend. [126]

Maar door de wonderlijke levenskracht en het ongelooflijke ontwikkelings-vermogen der losgerukte stengeldeelen is het voortbestaan van de plant toch voor lange jaren verzekerd, doch eens komt er een eind aan; volgens ’t beweren van sommige botanici vermindert de waterpest al weer in Engeland. Wanneer een ongewone beweging in ’t water haar broze stengeltjes knakt en vernielt op eene wijze, die iedere andere plant noodlottig zou worden, dan heeft dat voor haar slechts dit tengevolge, dat ieder brokstuk ergens anders een nieuw leven begint.

Zie in den zomer een zwerm eenden bezig in de ondiepe plas, geheel begroeid met waterplanten! Dat is een rukken en trekken en snuffelen en snavelen zonder oponthoud; kroos en waterpest worden verscheurd en verzwolgen terwille van ’t klein gedierte, dat zich erin en er tusschen ophoudt, terwijl van tijd tot tijd een of meer naar den bodem duiken, om zwaarder kost te bemachtigen. ’t Zijn allemaal woerden—de wijfjeseenden zitten allen te broeden. Laat ons wat dichterbij sluipen, om te zien, welke soorten er vertegenwoordigd zijn, want er zijn eenden en eenden.

Voorzichtig! Wel is de jacht nog niet geopend, en zit de hagelschrik hun nog niet in de leden, maar er is geen wantrouwiger gevogelte dan eenden en misschien zijn de stroopers al bezig geweest. Er zijn van die lui, die altijd moeten schieten!

Kwêk—daar heeft er ons al een gezien en maakt zich uit de voeten. Die het dichtst bij hem waren, bemerkten ook onraad en volgen hem. Hun heengaan baart opzien bij de overigen en zoo is in korten tijd geleidelijk de geheele zwerm verdwenen, verspreid naar alle kanten.

Het bloeien van de Valisneria spiralis.

Het bloeien van de Valisneria spiralis.

In ’t midden een stamperbloem; links en rechts drijvende meeldraadbloemen, (Krijtteekening, gedeeltelijk naar Kerner).

Waarheen? Naar een andere plas, of naar de slooten in de weilanden, waar de purperen orchideeën en de roode koekoeksbloem den tijd van ’t jaar vermelden. Daar strijken [129]ze neer, en, zindelijke beestjes als ze zijn, hun eerste werk is zich te reinigen van wat bij hun overhaaste vlucht uit de poel in hun veeren is blijven steken. Een voor een worden de slagpennen en staartveeren afgeschuurd, een dolle dompelpartij besluit het toilet maken, en het gevolg: in de sloot zweven kroosplantjes en … stukken waterpest.

Binnen eenige maanden is de sloot volgegroeid—tot groot verdriet van den boer—die nu al opziet tegen het tochtmaaien en den polderschouw en alvast het mogelijk voordeel aan meststof en kantverhooging opweegt tegen het te betalen arbeidsloon voor slootreiniging.

Als die jaarlijksche slootreiniging niet gebeurde, dan zouden er al heel gauw geen slooten meer zijn. De waterpest en zijn confraters zouden binnenkort alle beschikbare ruimte innemen—zeer tot hun eigen nadeel natuurlijk; want zij zouden, als ze ’t water eenmaal in veenmodder veranderd hadden, zelve niet meer kunnen groeien en moeten onderdoen voor de modderplanten. Zoodat bij slot van zaken de jaarlijksche groote slachting onder de waterplanten weer op hun eigen voordeel uitloopt.

Wie zijn de confraters van de waterpest? Welke Hollanders kunnen nog naast den gevaarlijken Amerikaan een rustig leven leiden? Natuurlijk die planten, die ’t meest op hem gelijken en in levenswijze nagenoeg met hem overeenkomen,—in de eerste plaats het hoornblad en het vederkruid. Dit zijn beide planten, die evenals de waterpest met hun lange stengels, met blaadjes omkranst, de geheele watermassa doordringen. Hun bladeren spreiden zich niet zooals die der plompen en zooals het kroos, aan de oppervlakte van het water uit—maar ook in de dieper gelegen waterlagen vinden zij nog, wat zij voor hun bestaan noodig hebben. Deze eigenschap maakt ze bijzonder geschikt voor aquariumplanten, niet alleen, omdat hun smaragdgroene guirlanden [130]en festoenen de kleurlooze watermassa opvroolijken en een dubbelen glans geven aan de roode vinnen van baars of rietvorentje—maar ook om den heilzamen invloed, dien ze op ’t water zelve uitoefenen en die bijna geheel zou uitblijven, wanneer ze alleen aan de oppervlakte leefden.

Hoornblad (Ceratophyilum submersum). Afzonderlijk: een bladoksel met bloempjes.

Hoornblad (Ceratophyilum submersum). Afzonderlijk: een bladoksel met bloempjes.

Welke die heilzame invloed is, gist ge reeds. Evenals waterpest, bezitten hoornblad en vederkruid het vermogen, [131]om het water te zuiveren van de slijkdeeltjes, die er in zweven—echter op andere wijze. Blijft het bij de waterpest een raadsel, waar de slijkdeeltjes heengegaan zijn, daar noch de plant, noch de bodem eenig spoor ervan vertoonen—bij ’t hoornblad zetten ze zich op de buitenhuid der sprietige, taaie, buigzame blaadjes vast, totdat de geheele plant met een slijklaag overdekt is.

Men kan zoodoende gemakkelijk een troebel geworden aquarium schoonmaken, door telkens schoon hoornblad erin te plaatsen. Slaat ’t eindelijk in ’t geheel niet aan, dan is het een voldongen feit, het water is zuiver. Onzuiverheid, veroorzaakt door planten- of dierenlijken, kan op deze wijze echter niet verholpen worden,—daarvoor gebruike men zooals reeds gezegd is, vlijtig de hevel!

Die reinigingsdienst is nu heel mooi en goed—zult ge zeggen—maar ik kan zelf mijn aquarium ook wel schoonhouden en ik zal wel oppassen, er geen klei in te brengen. Daarvoor alleen behoeven Elodea en Ceratophyllum en Myriophyllum niet zoo opgehemeld te worden! Gij hebt natuurlijk volkomen gelijk—maar er is nog meer.

Neem weer eens een van die suikergoed-flesschen, die ge op uw jachttochten naar klein waterwild gebruikt, maar kies een heel lichte; bewaar de groene maar voor ’t geval, dat ge dieren hebt, die afgezonderd moeten worden, zooals de geelgerande watertorren en hunne larven of dergelijke roovers. Ga nu naar uw sloot (ieder natuurliefhebber bezit natuurlijk in de buurt van zijn woonplaats een sloot, een moeras, een boschje enz. waar hij steeds de meest voorkomende planten en dieren voor onmiddellijke waarneming kan vinden) en vul uw flesch met frissche, gezonde takken van de drie planten, waarover ik nu eenmaal aan ’t praten ben geraakt. Glippen er soms wat van die lange groene draden, die in alle slooten drijven, mee in de flesch, dat is zoo erg [132]niet—ook niet, als er een paar stukjes kroos in komen—die doen toch ook allemaal mee. Doe de flesch maar flink vol—natuurlijk niet zoo, dat de planten opeengeperst zitten, maar ze mogen de flesch toch van den bodem tot den rand vullen. Natuurlijk zitten er ook nog kleine diertjes tusschen, maar liefst had ik, dat hun aantal zoo klein mogelijk was; dan alleen kunnen wij, wat er gebeuren zal in onze flesch, toeschrijven aan de bezigheid der planten.

Nu naar huis; zie daar een emmer met water en een diep bord machtig te worden en jaag alle nieuwsgierigen de keuken uit. Neem nu de flesch met de planten en dompel die onder in de emmer met water, leg daarna de holte van het diepe bord op de opening van de flesch, en keer nu flesch en bord om—steeds zorgende, dat beide onder water blijve. Pak dan het bord, dat nu onderaan ligt, beet—zooals men een bord gewoonlijk aanvat met twee handen—en til bord en flesch de emmer uit. Het bord is dan vol water—de flesch, die er omgekeerd op staat, ook—gij weet al lang door welke natuurkundige wetten, en herinnert u dadelijk alles van drukking van de lucht en communiceerende vaten en barometers en dergelijken.

Als nu de rand van de flesch heel zuiver en de bodem van het bord juist vlak is, dan is er van communiceerende vaten geen sprake; het water in de flesch is dan geheel afgesloten van dat in het bord, maar—dat wil ik juist niet. Indien er dus vrees bij u bestaat, dat het water uit de flesch niet vrij in het bord kan komen, snij dan vier plakjes van een kurk en schuif die voorzichtig onder den fleschrand, natuurlijk zorg dragende, dat de rand niet boven komt, anders loopt de flesch leeg en dan kunt ge van voren af beginnen. Nu zal geen enkele Hollandsche huismoeder uw gemors in haar huis willen dulden, zet daarom uw toestel maar op een helder plekje in de tuin of in de [133]vensterbank. Gij moogt uit het bord wel zooveel water verwijderen, dat het niet overstort; maar pas op, dat de rand van de flesch niet boven water komt, of, enz.

Nu zullen er wel Fransche thema’s te maken zijn, of sommen, of je moet nog een kaartje van Midden-Amerika teekenen; laat dus het toestel maar aan zijn lot over en kom over een paar uur eens kijken.

Word nu niet in eens kwaad, en zeg niet dat Johan er weer aangezeten heeft en dat je het wel zien kunt, want dat het diepe bord overloopt en dat er lucht in de flesch is gekomen. Gerust, Johan is er zelfs niet bij geweest en de meid heeft er ook niet aan gescharreld. Overtuig u. Hevel wat water uit het diepe bord weg—en ga dan erbij zitten—wakende over uw schatten. Binnen korten tijd is de luchtruimte boven in de flesch grooter geworden, het bord lijkt voller en weldra loopt het over. De lucht of wat het dan ook is, ontwikkelt zich in de flesch zelve! Die ontwikkeling wordt echter gaandeweg langzamer en houdt eindelijk geheel op, of wordt onmerkbaar. Laat gij het geheel nu nog eenige dagen staan, dan sterven de planten.

Lucht of wat het anders zijn mag! Laat ons eens onderzoeken, wat wij in de flesch gekregen hebben. Het is een kleurloos gas. Wat voor kleurlooze gassen kent gij? Lucht, lichtgas, koolzuur, waterstof, zuurstof, dat zijn er al vijf—of vier en een allegaartje, zooals ge weet. Roep nu Johan er bij en je zusjes, als je ze hebt, en de meid (die kunnen gillen, als ’t noodig is, dat geeft meer voldoening). We zullen maar dadelijk de brandproef nemen, ongelukken zullen niet gebeuren, daar sta ik voor in. Een moet het lucifertje gereed houden, een ander de flesch onder water sluiten (met een nat stuk bordpapier of liever nog met een goed sluitende groote kurk) en overeind zetten.

Als wij nu de brandende lucifer in ons „gas” houden, [134]kunnen er verschillende dingen gebeuren. De lucifer blijft rustig doorbranden, dan is het gewone lucht; het gas ontploft met een roode of gele vlam, dan is ’t lichtgas. In koolzuur dooft de lucifer uit, en waterstof ontploft met een blauwe vlam. Niets van dat alles gebeurt, maar de lucifer zelve begint ineens verblindend helder te branden, waardoor wij de zekerheid krijgen, dat in onze flesch zuurstof ontstaan is.

Waaruit? en waardoor? Dat kunnen wij zoo dadelijk niet zeggen, daarvoor moeten we de proef—(wij spraken thuis altijd van „de groote proef”)—nog eenige malen herhalen, onder andere omstandigheden.

We richten alles weer precies zoo in, alleen doen we in plaats van planten, dieren, b.v. stekeltjes in de flesch. In een paar dagen gaan de stekeltjes wel dood, maar ge neemt geen gas-ontwikkeling waar. Vul nu de flesch weer met planten, doch beplak haar aan de buitenzijde met dik zwart papier. Ook nu krijgen we geen zuurstof, of maar een heel klein beetje, waaruit volgt, dat de planten, die we in onze flesch gehad hebben, onder den invloed van het zonlicht zuurstof voortbrengen. Ze zijn dus als ’t ware gasfabrieken.

Wilt ge het wat mooier en eenvoudiger doen, koop dan een kookfleschje van dun glas van een halven liter inhoud. Vul het met water en waterplanten geheel en sluit het af met een kurk met een glazen buisje er door, dat bijna tot aan den bodem van ’t fleschje komt. Zet de flesch gewoon in ’t licht, dan is na korten tijd de hals vol zuurstof.

Uit uw aquarium zelve stijgt voortdurend zuurstof op in kleine belletjes, meestal zoo klein, dat ze onopgemerkt blijven. Als ge eens met aandacht door een opstaanden wand in uw aquarium kijkt, dan kunt ge heel fijne loodrechte draadjes in het water zien hangen, dunne parelsnoertjes; ze bestaan uit heel kleine zuurstofbelletjes, die [135]omhoog stijgen, maar dat kunt ge haast niet zien, want de belletjes zijn zoo gelijk van grootte en bewaren zoo steeds denzelfden afstand onderling, dat er in de draad geen verandering waar te nemen is, geen beweging. Toch kunt ge u er van overtuigen. Plaats boven een plekje, waar eenige van die parelsnoertjes dicht bij elkander hangen, een omgekeerde toegestopte glazen trechter of een reageerbuisje, met water gevuld, en na eenigen tijd is het water eruit verdwenen en vervangen door zuurstof. Het zal u wel eenige moeite kosten, de trechter of het buisje eenigen tijd—een paar uren—stil boven de opstijgende belletjes te houden, maar ik vertrouw op uw geduld en vindingrijkheid en op een oordeelkundig gebruik van stukjes kurk en eindjes ijzerdraad, waarvan ge natuurlijk groote voorraden bijeengegaard hebt. Iedere jongen heeft immers een „arsenaal”, zooals wij het thuis noemden.

Het is voor ons Nederlanders een groote voldoening, te weten, dat deze uiterst belangrijke proef, en de groote ontdekking omtrent het leven der planten, die er het gevolg van was, nu ruim een eeuw geleden voor ’t eerst gedaan zijn door een landgenoot, den beroemden Jan Ingenhouss van Breda.


Wilt ge u alleen tevreden stellen met belletjes te zien opstijgen en wel gelooven, dat het zuurstof is, scheur dan van een groeiende waterpestplant onder water een paar blaadjes stuk. Van tijd tot tijd stijgen daaruit vele en groote bellen zuurstof omhoog.

Waaruit bereiden de planten die zuurstof? Gij weet, dat het water bestaat uit 2 deelen waterstof en 1 deel zuurstof. Zouden onze waterplanten nu de waterstof uit ’t water gebruiken en zoodoende de zuurstof vrij maken? Dat lijkt wel mogelijk, maar gij herinnert u, dat de gasontwikkeling op een gegeven tijdstip eindigde, ofschoon er [136]nog water genoeg in de flesch was. Neem de proef nog eens—en het zal weer gebeuren. Maar als nu weer het doode punt in de gasontwikkeling bereikt is, hevel dan het diepe bord zoover mogelijk leeg en vul het dan weer aan met spuitwater. Het spreekt vanzelf, dat dit spuitwater zich door de geheele watermassa verspreidt en dus ook in de flesch met de planten doordringt. En wat gebeurt er nu na eenige oogenblikken? Weldra is de gasfabriek weer in vollen gang—en telkens als er staking in de werkzaamheden komt, kunt ge door nieuwe bijvoeging van spuitwater weer nieuwe ontwikkeling te voorschijn roepen. Voor de zuurstofvorming is dus iets noodig, dat zich in het spuitwater bevindt—gij weet, dat dit ook een gas is, en wel koolzuur. Meteen maakt ge natuurlijk de gevolgtrekking, dat gewoon frisch water dan ook koolzuur bevatten moet, hetgeen volkomen juist is; gij kunt u door de kalkwaterproef ervan overtuigen.

Ook koolzuur is met gewone dampkringslucht in ’t water opgelost en kan door verwarming er uit gedreven worden. Laten wij zulk afgekookt water afgesloten weder bekoelen, en brengen wij er dan voorzichtig wat waterplanten in, dan zullen we geen gasontwikkeling waarnemen en de planten sterven. Gij weet reeds, dat dieren in zulk van gassen beroofd water ook niet leven kunnen.

Onze planten veranderen dus koolzuur in zuurstof door een eenvoudige aftrekking; ze slikken met kleine hapjes het koolzuur in, bereiden de kool eruit tot voedingsstof en geven de zuurstof als overschot weer terug. De zuurstof zet zich in uiterst fijne blaasjes aan de oppervlakte der bladeren af, die blaasjes vereenigen zich tot belletjes, welke we zien omhoog stijgen, als ze groot genoeg zijn. Niet al de zuurstof bereikt echter de oppervlakte, veel ervan blijft in het water zelve opgelost en dat maakt dan weer, dat [137]de dieren, die zuurstof uit het water moeten inademen, er in leven kunnen. De dieren ademen dan weer koolzuur uit—waarvan de planten weer de kool gebruiken, om in ruil zuivere zuurstof terug te geven. Zoo maken planten en dieren elkander het leven mogelijk.

Voordat ik dit wist, heb ik mij er dikwijls over verwonderd, waarom in aquariums en goudvischkommen altijd het water ververscht moest worden en waarom met veel kosten in een aquarium vaak de morserij van fonteintjes en afvoerbuizen voor de luchtverversching moest aangebracht worden, terwijl toch in stilstaande poelen het rijkste leven zich kon ontwikkelen. Bracht de regen daar versche lucht mee? Maar als het dan in maanden niet regent? Het ligt voor de hand, dat in stilstaand water de levende wezens, planten en dieren door onderlinge samenwerking in leven blijven. Ook is het heel wel mogelijk, jaren lang een aquarium met levende planten en dieren te houden, zonder een enkele maal het water te ververschen.

In parken, die goed (al te goed soms) onderhouden worden, zijn wel vijvers, waarin men geen enkele waterplant duldt. Ik ken een groote stad, waar een heel mooi park is en in dat park zijn reusachtige vijvers, waarin geen waterplantje drijft en waar langs de oevers geen een van al die prachtige oeverplanten—lisch, zwanebloem, riet, dullen—wordt toegelaten, ’t Is vreeselijk jammer, dat het zoo is, maar het bestuur van ’t Park schijnt het niet anders te willen en handhaaft in zijn vijvers een echt Broek-in-waterlandsche zindelijkheid. Dit neemt niet weg, dat op sommige tijden van ’t jaar de watervlakte met een vuil wierschuim bedekt is, maar daar kan ’t vlijtigste parkbestuur niets aan doen, want die wierkiemen komen om zoo te zeggen, maar ineens uit de lucht vallen.

Maar daar wilde ik het niet over hebben. De gewone [138]toestand in die saaie vijvers is dus, dat er geen waterplanten in groeien. Toch leven er visschen in, mooie groote brasems in overvloed, en zoo groot, dat de hengelaars, die ’t park passeeren slechts noode al watertandend de lust kunnen weerstaan, om eens in ’t verboden vischwater een kansje te wagen.

Hoe houden die visschen ’t nu uit zonder waterplanten, hebben zij dan geen zuurstof noodig? Wel zeker, en zij krijgen er genoeg van ook.

Ge hebt wel eens stekeltjes in een flesch gehad zonder waterplanten. Na een poosje ziet ge, dat ze alle dicht bij de oppervlakte van ’t water zwemmen en daar naar lucht happen. Maar zij happen niet in de lucht, doch alleen in ’t bovenste laagje water, dat door zijn onmiddellijke aanraking met de lucht zelf, een voldoende hoeveelheid gassen in zich opneemt, absorbeert, zooals we in de natuurkundeles leerden zeggen.

Nu is ’t water in den vijver eigenlijk maar een heel dun laagje en in vergelijking met zijn diepte is er zoo’n groote oppervlakte met de lucht in aanraking, dat daardoor alleen het water al voldoende geventileerd wordt, vooral als de wind van tijd tot tijd meehelpt, door de krullende golfjes met lucht te vermengen.

Het is duidelijk, dat deze luchtverversching meteen ophoudt, wanneer de lucht niet meer in aanraking met ’t water kan komen, b.v. ’s winters, als een dikke ijslaag de vijvers bedekt. Dan hebben de visschen gebrek aan zuurstof; en dat weten de visschers wel, die bijten in ’t ijs hakken, waar dan binnen weinige oogenblikken de visschen elkander verdringen om een enkel hapje lucht machtig te worden.

Wie nu weinig planten in een aquarium heeft, doet niet goed met het toe te dekken, want daardoor wordt een belangrijke hoeveelheid luchtverversching onmogelijk gemaakt. [139]Toch is ’t dekken van een aquarium zeer noodig, eensdeels, om te beletten, dat de vliegende insecten ontsnappen, anderdeels, om het schadelijke stof te weren.

Zorg maar ervoor, het steeds goed van planten te voorzien, en de afgestorven blaadjes en takjes zorgvuldig te verwijderen. De meeste planten, ook die in ’t water groeien, zijn afhankelijk van ’t licht; goed licht is voor hen levensvoorwaarde. Nu kan uw aquarium nooit erop rekenen, evengoed verlicht te worden als een sloot in ’t vlakke weiland, waar den geheelen dag de zon zich in kan spiegelen en waar slechts een smalle schaduwrand een toevluchtsoord blijft vormen voor de meestal lichtschuwe dieren.

Vandaar dat uw planten maar zelden voortdurend gezond en tierig blijven, vooral als ze „bovenlicht” missen moeten,—na eenige weken gaan ze kwijnen—ze sterven wel niet, maar ze worden tenger en bleek en slap; ze krijgen bloedarmoede. Wie het goed met zijn aquarium meent, vervangt bijtijds zulke zwakkelingen door nieuwe frissche planten.

Dat geeft meteen gelegenheid, om eens een middagje met schepnet en vork er op uit te gaan, en zoo de kans om merkwaardige vondsten te doen. Het behoeft niet altijd alleen maar Waterpest of Hoornblad of Duizendblad te zijn. We kunnen ook drijvende waterplanten gebruiken. Onze vischjes houden van schaduw en kunnen die in de ijle of draadvormig verdeelde blaadjes van onze drie voornaamste zuurstof-vormers niet gemakkelijk vinden. Er moet een groen dak bovenop het waterpaleis, dan eerst is het genoegelijk rond te dwalen in de koele ruimte tusschen de groene pilaren en guirlanden! Wat zou een sloot zijn zonder kroos! Waar zouden de kleine zilveren steenkarpertjes hun leven moeten slijten, als er geen kroos was, kroos, waartusschen en waaronder het wemelt en krioelt van allerlei klein watergedierte, maar waartusschen door maar al te dikwijls [140]de scherpe haak en het verleidelijke wormpje van den lastigen hengelaar een eind aan hun zorgeloos bestaan komt maken.

Het zou een lange lijst worden, indien we al de wezens eens gingen opsommen, die in en onder het kroos naar buit uitzien, van de kleine hydra’s af, tot hengelaars en liefhebbers van natuurlijke historie incluis. Ook de logge eenden doen er ’t hunne bij en slobberen, à la walvisch, water, kroos en klein gedierte, daphnia’s en hydra’s tegelijk naar binnen. En groene, glazige kikkeroogen loeren tusschen ’t kroos op de kleine vliegjes, die er op heen en weer loopen; kleine vliegjes schijnen nooit iets anders te doen te hebben dan heen en weer loopen. En ’t kroos zelf koestert zich in ’t zonnetje en eet en groeit. En bloeit—dat rijmt zoo mooi en dat behoort zoo bij „groeit”. Maar hebt ge wel eens kroosbloempjes gezien? Ik maar zeer zelden; ik heb ze maar een enkelen keer gevonden en ik twijfel er niet aan, of gij krijgt ze ook nog wel eens te zien, want zoo heel zeldzaam zijn ze nu niet, lang niet zooals de waternoot. Ga er in Juli maar eens op uit, maar neem uw loupe mee en onderzoek geduldig een paar kroosplantjes. Wellicht vindt ge geen bloemen of bloesems, maar daarom is uw moeite toch nog niet vergeefsch—wie weet hoeveel hydra’s ge vindt. Ook ontdekt ge, dat alle kroos nog niet hetzelfde is.

Vooreerst vindt ge het gewone eendenkroos; van boven groen, onderaan wit: ronde schijfjes, plat op ’t water drijvend, veelal bij drie, vier of vijf met de randen samenhangend en elk voorzien van één wit, dradig worteltje, dat aan zijn punt in een mutsje uitloopt—de meeste worteltjes eindigen in zoo’n mutsje, wortelkapje geheeten, en dat dient om het teere, groeiende eindpuntje van het worteltje zelve te beschermen.

Wanneer de schijfjes dik zijn, aan de bovenzijde soms [141]een weinig hol, en onderaan bolvormig—dan hebt ge bultig kroos gevonden—dat anders vrij wel op ’t eerste lijkt—ook ieder schijfje met één worteltje. Er bestaat ook veel-wortelig kroos, dat aan de onderzijde voorzien is van vier of vijf worteltjes, in een bosje uit ’t midden van ’t schuifje ontspringend.

Deze drie kroossoorten drijven op ’t water, hun groen vlak is in aanraking met de lucht, het zijn dus luchthappers—eigenlijk geen echte waterplanten meer. Als een sloot uitdroogt, kunnen zij op den vochtigen bodem ook nog heel goed blijven leven en betere tijden afwachten. De zuurstof, die zij afgeven, komt dan ook niet het water ten goede—zij helpen in de sloothuishouding alleen mee, doordat ze schaduw en koelte geven en een schuilplaats voor ’t klein gedierte. Daarvoor mogen zij in ruil genieten van het voedende slootwater,—want, zoomin als een mensch van brood alleen kan leven, zoo weinig kan een plant alleen bestaan op lucht—een schraal diëeet trouwens.

Uit de lucht kan een plant zich alleen maar koolstof verschaffen en nu weet ge heel goed, dat het plantenlichaam nog uit heel wat andere stoffen is gebouwd; of wist ge het nog niet, dan kunt ge u er gemakkelijk van overtuigen door in een heet vuur wat stroo te verbranden. Bestond dat stroo alleen uit kool, dan zou ’t geheel in ’t vuur verdwijnen; er blijft echter een witte asch over, die, hoe heet het vuur ook zij, van geen verbranden weten wil.

Geleerden en landbouwkundigen weten precies wat dat is, en hoeveel van elk—later spreken wij er misschien ook wel eens over—maar de stoffen, waaruit die asch bestaat, en nog meer dat met de kool in de vlam verdwenen is, heeft de graanplant moeten bereiden uit stoffen, die zij uit den grond moest opnemen, waar ze in water waren opgelost. [142]

Slootwater bevat al die stoffen ook, afkomstig uit den bodem of van vergane dieren of planten, en al wat in de sloot groeit, gaat er heerlijk op te gast. Elk kroosplantje pompt zich door zijn wortel en door zijn onderkant vol met voedend water, haalt het voedsel er uit, doet aan de bovenzijde door kleine openingetjes het onverbruikte verdampen, om aan den onderkant weer nieuw op te nemen. Het tiert en groeit en wordt dik en breed voor een kroosplant—bot aan zijn rand uit, zoodat er weer drie, vier, vijf nieuwe plantjes ontstaan, die, na eenigen tijd met de oude plant verbonden te zijn geweest, zich weer losmaken en op eigen gelegenheid weer voortgroeien en uitbotten tot in het oneindige—of liever—totdat de winter komt.

Er is ook een soort van kroos—in alle slooten kunt gij het vinden, dat op zijn broertjes weinig gelijkt, want het is niet rond en drijft niet op ’t water, maar zweeft meestal een eindje onder de oppervlakte, dus een echte waterplant, die zijn lucht ook uit ’t water moet halen. Het drijft aan bosjes vereenigd en als ge het uit ’t water neemt, komt er een heele boel tegelijk mee. Net allemaal snippers van een knipselwerk, driekant, aan ’t breede eind afgerond en met ’t smalle eind kris en kras over elkander geplakt. Aan ’t smalle eind is ook een worteltje. Dit driekant kroos moet ge vooral in uw aquarium doen, vooreerst omdat het een zuurstofvormer is, evenals Elodea en Ceratophyllum en Myriophyllum en dan, de stekeltjes verschuilen zich er zoo graag in, ze zitten altijd erin op de loer.

Dit zijn al onze kroossoorten; vindt ge nu nog heel klein kroos (zoo groot als een speldeknop) zonder worteltjes; schrijf dan aan ons Tijdschrift, De Levende Natuur, dat ge daar en daar en dan en dan, wortelloos kroos gevonden hebt. Dat komt in Midden-Duitschland voor en kon wel eens door watervogels hierheen gebracht zijn. [143]

Nu hebben we kroos genoeg gevonden, maar bloempjes nog niet, ze zijn ook zoo klein en kleurloos daarbij.—Aan plantjes ontbreekt het anders niet, vele slooten zijn er als mede bevloerd, in drie scheppen hebt ge een mand vol en de varkens kunnen smullen! Die zijn dol op kroos!

Lidsteng (Hippurus vulgaris) (links onder: een bloempje vergroot.)

Lidsteng (Hippurus vulgaris) (links onder: een bloempje vergroot.)

Wij doorzoeken onze schepvol en vinden nu eens een larve, dan weer een klein slakje, een aaltje, een hydra, waarmede we langzamerhand onze stopflesch vullen, maar de kroosbloempjes verschijnen niet. We zullen maar eens naar andere bloemen omzien; in en bij het water groeien er heel wat, die niet in het oog vallen, doordat ze kleurloos zijn. Op die manier kunnen we ons wat oefenen.

Daar staan in een ondiep hoekje een menigte plantjes, die wel wat van dennetakjes hebben, ze steken 2 à 3 dM. boven het water uit, mooi, fijn donkergroen, een beetje stijf. Gij ziet geen bloempje, en toch: ze staan in vollen bloei; ieder plantje draagt honderden bloemen! Maar het zijn er ook bloemen naar, zoek [144]maar eens in de hoekjes tusschen stengel en blad: een stampertje en één meeldraad—dat is alles, de geheele bloemenpracht van de Lidsteng (Hippuris vulgaris).

Neem nu ook eens een hoornblad, dat bloeit nu ook—alle waterplanten bloeien zoowat tegelijk in het begin van Juli. Gij moet weer naar de bloempjes zoeken en ge vindt ze natuurlijk in de hoekjes, waar de blaadjes uit den stengel komen, ’t Is, dat wij ons er nu voor interesseeren, maar anders zoudt ge honderd jaar kunnen worden en midden in het hoornblad zitten, zonder ooit een bloempje ervan te zien. Als ge nu goed toeziet, dan vindt ge telkens een vijfentwintigtal meeldraden of daaromtrent bij elkander, omgeven door een uitgetand vliesje; op andere plaatsen weer bestaat het bloempje uit één stamper met een draadvormige stijl en stempel, ook gehuld in een vliezig zakje. En dat alles onder water.

Heb ik u al verteld, dat water de dood voor meeldraden of voor stuifmeel is? Niet? Maar gij hebt het toch wel kunnen merken bij Elodea en Vallisneria, zelfs bij de Lidsteng, hoe ze hunne bloemen boven water brengen; en als we nog wat meer bloemen vinden, dan krijgen we gelegenheid in overvloed, om op te merken, dat ze allemaal trachten, hun stuifmeel tegen regen en vochtigheid te beschermen. Maar hoornblad doet dat niet en een soort van vederkruid ook niet, ze bloeien getroost onder water en laten hun stuifmeel door den stroom naar de stempels der stamperbloemen voeren. Zulke planten zijn er maar zeer weinig, en wel merkwaardig is het, dat twee van de meest voorkomende waterplanten in ons land deze zeldzame manier van stuifmeelvervoer er op nahouden.

Ik sprak daareven van een soort van vederkruid. Gij zult n.l. op uwe speurtochten naar waterplanten er twee soorten even veelvuldig van aantreffen, misschien wel drie, [145]maar die derde is, zooals uw determineerboek u zal leeren, een zeldzaamheid. De eene soort van vederkruid dan heeft zijne bloempjes à la Ceratophyllum in de oksel der bladeren, kleine meeldraad-bloempjes met 4–8 meeldraden en stamperbloempjes met één vruchtbeginsel met vier stempels—het meerendeel onder water. Toch zijn bij deze plant al sporen van beterschap op te merken, want als ze in ondiep water groeit, of in slooten die half dichtgeslibd zijn, steekt ze de einden van de takken, die bloempjes dragen, boven water uit, de bloemen openen zich in de vrije lucht en de wind moet zorgen voor de overbrenging van het stuifmeel.

De andere soort van vederkruid bloeit nooit onder water; dat is Myriophyllum spicatum (het vederkruid, dat een aar draagt): ik denk wel, dat het iets meer algemeen voorkomt dan de vorige soort, die Myriophyllum verticillatum heet, (vederkruid, dat zijn bloemen in kransjes heeft).

Die Myriophyllum spicatum nu, steekt het bloeiende eind van zijn takken altijd boven water uit, en alsof het die uiteinden nu lichter heeft willen maken, zijn de fijnverdeelde groene bladeren vervangen door heele kleine blaadjes, in wier oksels de bloemen staan, bovenaan de stuifmeelbloemen, onderaan de stampers.

Dat begint al heel wat op bloeien te gelijken en de aar is mooi ook; de helmknoppen hangen te wiegelen aan heel dunne draadjes; ze zijn rood, zoolang ze nog niet open zijn, dan heldergeel. Voordat ze opengaan, zijn ze beschermd door vier fraai karmijnroode blaadjes, maar die vallen heel spoedig af.

Nu we eenmaal de bloeiaren van vederkruid gevonden hebben, zien we nog meer andere aartjes boven water uitsteken. Haal er met de vork een paar naar u toe, er valt weer iets aan te bekijken, we hebben nog wel den tijd—de zomerdagen zijn lang.—Gij moet rukken, de plant zit [146]in den bodem vastgeworteld.—Knap! daar hebben we een tak. Donkergroene, bruinachtige bladeren zitten op verschillende hoogte aan den stengel. Die bladeren zijn niet vlak, zooals gewoonlijk, maar over hun geheele oppervlakte gegolfd, het meest aan de randen. De bloeiaar komt uit een van de bovenste bladoksels, en bevat eene menigte bloemen, dicht op elkander. Deze plant heet Potamogeton crispus (gekruld fonteinkruid). Er zijn in onze slooten nog veel andere fonteinkruiden te vinden; ge kunt de verschillende soorten onderscheiden met behulp van de tabel aan ’t eind van dit boek. Het meest komt voor het drijvend fonteinkruid (P. natans), dat zeer welig groeit, zoodat soms slooten en vijvers er geheel mee bedekt zijn. Dan is de sloot vol „theeblaren” zeggen de jongens.