Bloem van Potamogeton crispus, eerste tijdperk van bloei.

Bloem van Potamogeton crispus, eerste tijdperk van bloei.

Op ’t eerste gezicht lijkt het wel, of de bovenste stamperbloemen zijn. De onderste hebben meeldraden, vier, die in hun dikke helmknoppen overvloedig stuifmeel hebben, maar middenin bevindt zich ook een stamper, of eigenlijk vier stampers, ieder met een dikken naar buiten staanden stempel. Maar kijk nu nog eens naar de bovenste bloempjes. De vier stampers zitten goed ingepakt in vier bruingroene blaadjes. Alleen de stijlen en stempels steken er buiten uit. Neemt ge echter die vier blaadjes—de dekschubben—weg, dan vindt ge, tegen stijf de stamper aangedrukt, vier, dikke, gele, glimmende meeldraden. Eigenlijk moest ik zeggen meelzakken, want van een helmdraad is bijna niets te bespeuren; ze zijn een en al helmknop. Iedere helmknop bestaat uit twee gelijke deelen, de helmhokken, die door het helmbindsel met elkaar verbonden zijn. Stuifmeel ziet ge aan deze meeldraden niet, want ze zijn nog [147]niet rijp, ze zijn nog niet open. Gij kunt echter op ieder helmhokje al een overlangsche streep opmerken. Over eenigen tijd, als het stuifmeel rijp is, barst het helmhokje langs die streep open en het stuifmeel valt er uit. Dit gebeurt nooit, terwijl het regent.

Wanneer het droog, windig weer is, dan wordt het stuifmeel door den wind meegevoerd, als het stof op de wegen. Tien, twintig meter verder waait het tegen een andere bloeiaar van fonteinkruid aan en blijft aan de stempels kleven. Natuurlijk valt er ook heel wat in ’t water, maar dat komt er niet op aan. Als op iedere stempel van ons fonteinkruid maar eenige korreltjes stuifmeel komen is het al genoeg—dus als uit ieder helmknopje enkele stofjes hun bestemming bereiken, kunnen er zaden gevormd worden—en ieder hokje bevat duizenden en duizenden van die stofjes.

Springen de helmhokken bij windstilte open, wat ook wel gebeurt, dan valt het stuifmeel eruit, niet in het water, maar op de onderste dekschub, die als het ware een schoteltje eronder vormt. Daar blijft het dan liggen, totdat een flinke windvlaag het eruit jaagt. Regent het voor dien tijd, dat is ook niet erg, want dan sluit het bloempje zich en het stuifmeel blijft droog.

Op deze wijze wordt ervoor gezorgd, dat nooit het stuifmeel uit de helmhokjes terecht komt op stempels van dezelfde bloem, maar bijna altijd op stempels van een andere plant. Men drukt dit korter uit door te zeggen, dat bij de fonteinkruiden gezorgd is voor kruisbestuiving en het is bekend, dat zaden, welke door kruisbestuiving ontstaan, veel krachtiger planten opleveren, dan die welke gegroeid zijn uit zaden, gevormd doordat stuifmeel terecht kwam op de stempels van de bloem, waarvan het zelf afkomstig was.

Bij de meeste bloemen bestaan inrichtingen, die kruisbestuiving [148]bevorderen. Bij Elodea, Vallisneria, Ceratophyllum en Myriophyllum spreekt het vanzelf, dat er altijd kruisbestuiving moet plaats hebben, doordat hunne bloemen òf alleen stampers óf alleen meeldraden bezitten. Bij de fonteinkruiden is eigenlijk het zelfde het geval; wel bevinden zich meeldraden en stampers in dezelfde bloem, maar ze zijn nooit tegelijk rijp; als de stempels geschikt zijn, om stuifmeel op te nemen, dan zijn de meeldraden in dezelfde bloem nog dicht en verborgen, en ze openen zich eerst, wanneer op de stempels reeds van elders stuifmeel is aangevoerd. Dan zijn die stempels al half verdord, zooals ge aan de onderste bloemen van een aar duidelijk kunt zien.

Bloem van Potamogeton crispus, tweede tijdperk van bloei.

Bloem van Potamogeton crispus, tweede tijdperk van bloei.

Nog altijd geen kroosbloempjes, maar wat is dat aan de rand van die rietpoel? Stap er voorzichtig heen, we zijn hier op een gevaarlijk plekje, de bodem trilt onder ons en golft voor ons heen; hier en daar blinken tusschen ’t mollig veenmos groene slijmerige poelen. Stap op de elzestronken en beproef iedere tred, maar dat plantje daar moeten we hebben—de vondst is eenig—ik ben er blijder mee dan met de eventueele kroosbloempjes. Zeldzaam? Och, vraag niet altijd en alleen naar zeldzaam—het niet zeldzame, het algemeene is vaak het meest belangwekkend. Doch dit preekje voegt me niet, want al is de plant—waarvoor we nu ons leven wagen—lang niet zeldzaam, algemeen kan ze toch ook niet genoemd worden. Vooruit dus. Naar den rand van de poel wordt de bodem wat vaster—dat heb je meer in de moerassen—en met onze vork kunnen we de buit naar ons toehalen. Als ik op waterplanten uitga, [149]heb ik altijd een ijzeren vork, die ik aan de stok van het schepnet kan vastmaken.

Ziezoo, dat is binnen. Nu kunnen we even op een wilgenstoof gaan zitten en zeg me nu eens; wat zou dit zijn?

„Gele waterleeuwenbekken met haarbladen en er zitten beestjes tusschen ook!”

Goed geantwoord.

Die bloemen lijken werkelijk op leeuwenbekken, er staan er een stuk of vijf bovenop een stengel, die rechtop een decimeter of twee boven het water uitsteekt. Ze zijn mooi geel met donkerder vlekken en streepen op de plaats waar onderlip en bovenlip stevig tegen elkander gedrukt zitten, haast net als bij de bekende gele vlasbek, die in Augustus en September overal aan dijken, ruigten en wegen te vinden is. Die heeft echter vier meeldraden, terwijl onze waterplant er maar twee heeft, die ge in vele gevallen zoo kromgebogen vindt, dat hunne helmknoppen, tegen den stijl aangedrukt staan—waaronder de stempel, zoodat het stuifmeel uit de helmknoppen onmogelijk op de stempel kan vallen. Er moet dus stuifmeel van andere bloemen worden aangevoerd, zooals bij de fonteinkruiden, maar hier kan de wind ons niet helpen. De stempels en de meeldraden zitten opgesloten in de gele kroon—die kroon is dicht en blijft dicht, zoolang er niet iemand komt, die hem openmaakt, en dat kan de wind niet doen.

Willen we nog eens naar de gele bloemen kijken, die daar nog in het water staan?—Misschien vinden we de oplossing van het raadsel.

Het is zulk mooi, stil warm weer; de berken, waar ons moeras vol van staat, verspreiden hun heerlijke kruidige geur als van.… zure peper—zooals een van mijne jonge vrienden eens zei. Over de duizenden kleurige bloemen een gegons van allerlei insecten—blauwe schichten schieten [150]er door heen en over het water; dat zijn zwaluwen op jacht; blauwe zwaluwen. Ook andere, dof grijs met wit—dat zijn oeverzwaluwen; zij hebben hun nest ergens in de buurt, diepe holen in een dijk of steilen slootkant.

Zij zijn het vooral, die over het watervlak jagen—want ook daar zijn insecten in overvloed—ook bij onze gele bloemen. Daar plompt een klein hommeltje met geel en bruin aan zijn achterlijf tegen een bloem aan—vlak er tegen. Het onderste deel van de bloem buigt onder zijn gewicht neer, zijn kop verdwijnt tot de schouders in de opening. Drie, vier tellen blijft hij zoo zitten, dan heeft hij den honing uit de spoor opgezogen en zoekt een andere bloem op. Zoo werkt hij achtereenvolgens al die gele bloemen af en vliegt dan heen, echter niet zonder haar een wederdienst bewezen te hebben.

Bloem van Utricularia in doorsnede, in het oogenblik, dat een hommeltong erin gestoken wordt.

Bloem van Utricularia in doorsnede, in het oogenblik, dat een hommeltong erin gestoken wordt.

De meeldraden zijn zoo geplaatst, dat de hommel onvermijdelijk met zijn tong er langs moet strijken, als hij de honing uit de spoor wil opzuigen. Natuurlijk blijft er wat van het kleverige stuifmeel aan die tong vastzitten, en als hij die daarna in een andere bloem steekt, dan raakt hij daar den stempel aan, waaraan dan weer de stuifmeelkorrels zich hechten, zoodat de kruisbestuiving volbracht is.

Ja maar, zegt ge, verliest de tong het stuifmeel al niet in de eerste bloem bij het terugtrekken langs den stempel?

Dat is nog zoo kwaad niet opgemerkt—laat ons eens zien.

Neem eens een grassprietje en boots daarmee in een levende bloem de beweging van een hommeltong na. Gij opent de bloemkroon, steekt het grassprietje erin; het strijkt langs [151]de onderste afdeeling van de stempel heen, tusschen de meeldraden door, de spoor in.

Maar wat is dat? In het aangeraakte deel van de stempel komt beweging, langzaam maar gestadig krult zich het lipje omhoog, totdat het vlak tegen de bovenste afdeeling komt te liggen. Als ge uw grassprietje terug trekt, raakt het geen stempel meer aan; die is uit de weg gegaan.

Thuis, voor uw vensterraam of in den tuin hebt gij misschien een plantje, dat dezelfde merkwaardige inrichting vertoont—ik bedoel de gele Mimulus. De bloem daarvan is ook leeuwenbekachtig, maar open, de stempel is net als die van het Blaasjeskruid (zoo heet onze gele waterbloem) „tweelobbig” en de onderste lob krult zich bij de minste aanraking omhoog. Het is een verrassend gezicht, in planten—die men over het algemeen toch voor bewegingloos houdt—zulke bepaalde, plotselinge bewegingen te zien gebeuren.

Bloem van Utricularia vulgaris, bij het terughalen van de hommeltong.

Bloem van Utricularia vulgaris, bij het terughalen van de hommeltong.

Nu wil ik u van de bloem van ons blaasjeskruid nog iets vertellen. Het gebeurt wel eens, dat de insecten een bloem niet bezoeken; bij ongunstig, regenachtig weer b.v. wagen zij zich niet graag boven het gevaarlijk element. Hoe komt dan het stuifmeel op den stempel? Ja, dan moet de bloem zich behelpen. De onderste stempellob krult zich dan langzaam (aarzelend, had ik haast geschreven) naar omlaag, tot ze de open meeldraden aanraakt. Er is dan stuifmeel uit dezelfde bloem op de stempel gekomen, er rijpen nu ook zaden, al zijn ze niet zoo goed als die, welke door kruisbestuiving ontstaan. [152]

Een aardige inrichting, nietwaar? Doch hiervoor behoefden we ons leven niet te wagen (de waaghalzerij was anders zoo groot niet), er zijn bloemen genoeg, die nog „aardiger” erop ingericht zijn, om door kruisbestuiving sterke zaden te krijgen.

Maar er is meer! Leg de bloem eens ter zijde en kijk eens naar de bladen—of liever naar het groen, want die vertakte draden kunnen eigenlijk niet anders genoemd worden.

Straks zaagt ge er beestjes tusschen, niet waar? Ze zijn er nog—we zitten nu al een kwartier op onzen wilgenzetel over de bloemen te praten en nog zijn ze niet tusschen het vochtig veenmos weggekropen om weer in hun element hunne duikelingen en wendingen te beginnen. Nu ge er een grijpen wilt, merkt ge dat het vastzit aan de plant, dat het eraan gegroeid is: uw beestjes zijn geen dieren, maar bladertjes of iets, dat erop lijkt.

Daar zit ge nu.

Leefden we nu een driehonderd jaar vroeger, dan gooiden we het plantje weer in de sloot, en gingen naar huis om daar een paar folianten met wonderverhalen op te zoeken, liefst in ’t Latijn. Daar snorden we dan wat plaatsen in op, die ons op onze ontdekking toepasselijk leken en namen daarna een nieuwversneden ganzenpen, om een lijvig boek te beginnen over de dierenbarende slootbloem, opgehelderd met aanhalingen uit Aristoteles en Plinius en Dioscorides etc. Ja, ge kunt erom lachen; maar zoo hebben ze vroeger gedaan en ik zal later nog wel gelegenheid vinden, om u plaatjes te laten zien van rotganzen, die aan de boomen groeien of levende schapen, die van onder een varenplant komen kuieren, waar ze eerst den dienst van wortels verricht hebben. In allen ernst stonden zulke dingen in boeken, met koninklijk privilegie gedrukt. [153]

Wij echter pakken ons blaasjeskruid tusschen wat vochtig mos in onze plantenbus en plaatsen het thuis in ons aquarium—of, als we dat nog niet rijk zijn, in een diepe schotel met water. Laat ons ook in onze stopflesch wat water meenemen met vertaktsprietige watervlooien en dergelijke vierpootige met één oog (Daphnia en Cyclops) en meer van dat kleingoed, om dat alles thuis in dezelfde schotel bij het blaasjeskruid te gieten. Later gaan we nog eens erop uit, om kroosbloempjes te zoeken.

Het planten van ons blaasjeskruid veroorzaakt niet veel last, want het bezit geen wortels: we behoeven het maar rechtop in ’t water te zetten, dan zinkt het zoover, totdat het drijft (Natuurkunde, hoofdstuk zooveel) en tegelijk spreiden de takken met de draadvormige blaadjes zich uit. De blaasjes vormen dan als ’t ware een kudde vreedzame daphnia’s verdiept in herkauwende bespiegelingen. Dat woord „herkauwende” gebruik ik hier niet alleen, omdat het woord „kudde” mij aan koeien of schapen doet denken. Dat zal u spoedig duidelijk worden.

Onze echte daphniden moeten wel bijzondere gedachten krijgen van die vreemde onbewegelijke stamgenooten. Zij zelve schieten op hunne bekende schokkende manier door het water heen, terwijl ze op elkander jacht maken of op nog kleinere diertjes. Soms naderen ze nieuwsgierig onze blaasjes, soms heel dicht bij, ja ze kruipen er wel eens in.

Na een paar dagen maakt ge de opmerking dat uwe levende daphnia’s geducht onder elkander hebben huisgehouden, of dat er een epidemie onder hen is uitgebroken—want hun aantal is aanzienlijk verminderd. Echter zijn nergens daphnialijken te zien, ook geen leege schalen.

Dat lijkt geheimzinnig en ge raadt nu al wel, dat de blaasjes in ’t geheim betrokken zijn. Knip een takje met blaasjes van uw plant af en leg het op een stuk wit filtreerpapier, [154]dan hindert het water, dat eraan blijft hangen, u niet bij uw onderzoek. Nu ziet ge wel, dat ieder der eivormige blaasjes aan zijn spitse punt vier vertakte „sprieten” bezit; begin daar met twee naalden het blaasje open te scheuren—dan zult ge eens zien, wat erin zit.

Niets? Goed, neem dan een ander blaasje, desnoods een derde. Daar hebt ge het al: een doode daphnia. Maak nog een blaasje open.—Een zieltogende Cyclops. Nog een! Begrijpt ge het nu?

De blaasjes van het blaasjeskruid zijn vallen voor klein gedierte, het blaasjeskruid zelve is eene vleeschetende plant! De watervloo, die uit nieuwsgierigheid of in zijn angst om aan den een of anderen vervolger te ontkomen in zoo’n blaasje gekropen is, kan er nooit meer uit. In duisternis en afzondering moet het diertje na herhaalde vruchtelooze pogingen om te ontsnappen den honger- en verstikkingsdood sterven. De val is gesloten met een klep, die naar binnen, o zoo gemakkelijk opengeduwd kan worden, maar die door elke drukking naar buiten den uitgang slechts nog steviger afsluit.

De inrichting is heel eenvoudig.

Gij ziet, dat de blaasjes niet zuiver eivormig zijn, maar dat zij een bollen en een meer afgeplatten kant hebben. Die platte zijde, zouden we de buikzijde van het blaasdiertje kunnen noemen. De punt van die buikzijde is, waar de sprietvormige uitsteeksels zitten. Nu moet de loupe erbij te pas komen.

Op eenigen afstand van de punt ziet ge in de buikzijde een ongelijkheid, de blaasjeshuid is daar ingebogen. Neemt ge nu een dun stokje of een naald zonder punt, dan kunt ge u ervan overtuigen, dat het gedeelte van de punt af tot aan die inbuiging, los op den rand der inbuiging ligt en naar binnen er een eindje overheen steekt. Bij de minste [155]aanraking ontstaat daar een opening. Zwemt nu een klein diertje tegen dit gedeelte aan, dan wijkt het onmiddellijk terug en de argelooze zwemmer, misschien door zijn instinct aangezet, om dit donkere hoekje na te snuffelen, raakt er binnen. Nu ligt de klep weer vlak op den rand, alleen door een trekkende beweging zou hij omhoog gehaald kunnen worden, maar onze gevangene kan niet anders dan duwen, en dat kost hem het leven.

Het lijk gaat tot ontbinding over en de verrottingsproducten, door den binnenwand van het blaasje opgezogen, zijn voedsel voor de plant. Gij weet, dat volwassen daphnia’s een schaal hebben. Die schaal verteert niet, maar kan evenmin als eerst het gevangen dier uit ’t blaasje weg en blijft daar dus liggen. Naarmate het blaasje meer slachtoffers maakt, komen er meer van die onverteerbare overblijfselen, zoodat het ten slotte vol raakt en buiten gebruik moet worden gesteld. Een onderzoeker heeft eens in zoo’n vol blaasje het stoffelijk overschot van 24 verschillende diertjes gevonden.

Zoo kan een enkele blaasjeskruidplant, die over een paar honderd vallen te beschikken heeft, een geduchte opruiming onder de kleine waterbewoners houden. Het zijn vooral soorten van Daphnia, Cyclops—al die éénoogigen—die gevangen worden, maar ook larven en zelfs kleine vischjes, want de blaasjes worden wel een ½ cM. groot.

Op de afbeelding hiervoor kunt ge zien, hoe zelfs jonge vischjes gevangen kunnen worden. Dat in fig. 2 is bij ongeluk met zijn staart in de opening geraakt, het kan er echter niet meer uit, daar de klep klemmend sluit. Hoe die twee blaasjes in fig. 3 samen dat eene vischje machtig geworden zijn, is een raadsel, maar ’t is toch waar gebeurd; al de afbeeldingen zijn naar de natuur geteekend door een Russisch onderzoeker.

In fig. 4 is een doorsnede van een blaasje gegeven, twintigmaal [156]vergroot, terwijl in fig. 5 zeer vergroot (400 ×) de binnenwand van zoo’n blaasje te zien geeft. De uitsteeksels, vier aan vier geplaatst zuigen de voedende vloeistof op, welke door de ontbinding der gevangen dieren ontstaat.


Wanneer ge Utricularia’s houdt in een kom met zuiver water, dan gaan ze kwijnen, al zorgt ge nog zoo goed voor overvloedig licht. In heldere sloten, waar zich geen klein watergedierte ophoudt, kunnen ze ook niet tieren. Ze verhongeren letterlijk, ze kunnen uit het water niet genoeg voedingsstof opnemen: ze moeten gevoerd worden! Ze zijn zoo aan vette bouillon gewoon, dat ze van de dunne waterpap, waar andere planten mede tevreden zijn, ziek worden.

Gij begrijpt nu ook, dat het Blaasjeskruid geen wortels noodig heeft, zooals het kroos b.v. De blaadjes doen er min of meer den dienst van: zij toch zuigen de opgeloste voedingsstof op. Het hoornblad heeft ook maar zelden wortels, het ligt zoo geheel omringd door het voedende water, dat het vanzelf er geheel mede doordrongen wordt. Dat „vanzelf” is natuurlijk bij wijze van spreken—ik bedoel daarmede ongeveer hetzelfde als wanneer ik zeg dat water, waarin een varkensblaas vol melk wordt opgehangen vanzelf verandert in water en melk—de melk in de blaas ook—gij begrijpt alweer: Natuurkunde, Hoofdstuk zooveel, over Osmose.

Het kroos heeft zijn wortels wel noodig; de onderzijde van ’t plantje alleen zou niet genoeg kunnen opzuigen. Waterpest zou het wel zonder wortels kunnen stellen, voor zoover de voeding aangaat, maar hij heeft ze nog ergens anders voor noodig. De meeste waterplanten hebben wortels, die of vrij in ’t water hangen, zooals bij ’t kroos, of zich in den bodem vasthechten zooals bij waterpest, duizendblad, waterlelies, watergentianen, fonteinkruiden enz. [157]

Blaasjes van ’t Blaasjeskruid met prooi. Bij 5 de binnenwand met zuigcellen zeer sterk vergroot.

Blaasjes van ’t Blaasjeskruid met prooi. Bij 5 de binnenwand met zuigcellen zeer sterk vergroot.

[159]

De wortels komen uitstekend te pas, als de sloot leegloopt of uitdroogt. Ik heb u al gezegd, dat eendenkroos dan niet het lot van de vischjes deelt, maar zich erin schikt, om op den modder nog te blijven leven.

Ja, de vischjes gaan dood, als de sloot uitdroogt, behalve de alen; die kruipen in den nacht door het gras, nat van den dauw, naar een ander waterpaleis. Larven verpoppen zich bij zoo’n gelegenheid, als ze ten minste niet al te jong zijn; dat de kikkers en salamanders en torren zich weten te redden, behoef ik u niet te zeggen. Heel kleine waterdiertjes hullen zich bij droogte in een dubbele huid, verslapen zoo den drogen tijd en worden door een plasregen weer tot nieuw leven gewekt.

Nu de meeste waterplanten, die in den bodem wortelen, kunnen den tegenspoed goed verdragen. Utricularia en hoornblad gaan onverbiddelijk dood, doch duizendblad en waterpest en de fonteinkruiden houden zich taai. Duurt de tijd van droogte wat lang, dan verwelken ook hun takken, en sterven af, maar dan zijn de planten zelven toch nog niet dood.

Loopt de sloot weer vol, dan ontspruiten uit den bodem weer nieuwe takken. Deze planten zijn zoo voorzichtig, zich niet geheel en al bloot te geven—hun eigenlijk lichaam zit in den vochtigen modder geborgen en wacht daar gelaten betere tijden af. Graaft ge een slootbodem om, dan vindt ge die stengels of wortelstokken gemakkelijk. Ze blijven soms heel lang hun levenskracht behouden; wanneer jaren na de uitdroging door de een of andere oorzaak de sloot weer vol komt, ontwikkelen zich onmiddellijk weder bebladerde stengels en bloemen. Houdt de droogte heel lang aan, dan moeten ze eindelijk sterven, of ertoe overgaan, een andere leefwijze aan te nemen en landplanten te worden.

Dit laatste is echter slechts weinigen mogelijk; wel zijn [160]er planten genoeg, wien het tamelijk onverschillig lijkt te zijn, of ze al dan niet in ’t water staan—riet, blaartrekkende boterbloem, waterkers, veldkers—maar dat zijn toch eigenlijk allemaal echte landplanten, die tegen wat vochtigheid kunnen. Of ze in ’t water zijn of niet, brengt in hun uiterlijk geen verandering te weeg.

Waterklaver. Naar een Aquarel van Ben Reith te Maarssen.

Waterklaver. Naar een Aquarel van Ben Reith te Maarssen.

Maar ga nu nog eens in Juli of Augustus met mij uit waterplanten zoeken—misschien vinden wij de zeer verlangde kroosbloempjes dan ook nog—dan zal ik u nog eens een merkwaardig plantje laten zien. We behoeven niet veel breede slooten af te zoeken—vooral als het water niet al te brak en vuil is, of we hebben het gevonden. Plat op het water drijven een aantal spits-ovale bladeren (8 à 9 cM. bij 3), wel gelijkend op die van het drijvend fonteinkruid (de theeblaren), maar smaller en spitser, geel groen van kleur. Te midden van die bladeren verheffen zich een dM. hoog eenige rijkbloemige, rozeroode aren, allerliefste bloemetjes—waar ook nog wel iets aan te bekijken valt.

We zullen maar eens probeeren, zoo’n plant machtig te worden. Ze groeit ver van den kant, dus de haak moet erbij te pas komen en heel gemakkelijk gaat het ook niet, telkens slipt de kersroode bloemaar onder de vork vandaan: de plant is stevig in den bodem vastgeworteld. Nu kunt ge het topje grijpen, houd vast en trek voorzichtig—met kleine rukjes, anders breekt de stengel af. Knap—stuk is het reeds—afgebroken bij den wortel. Wat hebben wij nu?

Anderhalven meter slappe stengel, waaruit van afstand tot afstand lange slappe stelen ontspringen, die aan hun einde de reeds vermelde bladeren dragen. Dragen eigenlijk niet, de stelen zijn zoo slap, dat ze zichzelf niet eens kunnen dragen; zij verbinden de bladeren aan den stengel, zullen we maar zeggen. Het einde van den stengel, de roode bloemaar, is steviger: die kunt ge rechtop houden—maar overigens [161]is de geheele plant een slappekoord geschiedenis—slap en glad; alles ligt in een lam hoopje op het gras.

Waartoe zou een waterplant ook stevig moeten zijn? Ja, een boom moet stevig wezen, anders waait hij om, en de slanke graanhalmen moeten kracht genoeg bezitten, om de aren omhoog te houden—maar een waterplant? Die vindt steun genoeg in het water, zoolang haar drijfkracht niet verloren gaat; en daarvoor is gezorgd, doordat stengels en stelen en bladeren voorzien zijn van luchtruimten, zwemblazen als ’t ware. Zoodoende staat een waterplant rechtop op dezelfde wijze als een stokje, aan welks eene eind ge met een touwtje een steen hebt vastgebonden, in het water rechtop blijft staan. Kroos drijft op het witte holle weefsel, dat aan de overzijde der blaadjes te zien is; het driekante kroos mist dat en drijft dan ook niet, maar zweeft gelijk het hoornblad, alles volgens dezelfde wet van Archimedes.

Nu begrijpt ge ook, waarom de bloeiaar van onze veenwortel (Polygonum Amphibium)—zoo heet de plant, die wij gevangen hebben—zoo stevig moet zijn, die heeft geen steun van ’t water te wachten. Laat ons de plant nog eens bezien. Gij merkt op, dat de onderste bladstelen langer zijn dan de bovenste—juist, zegt ge, dat is, omdat alle bladeren op het water moeten drijven en dus evenhoog moeten komen.

Goed, maar stel u dit nu eens voor. Als de bladstelen nu alle juist zoo lang zijn, en hun einde, waar aan de bladschijf bevestigd is, de oppervlakte van het water bereikt, dan komen de twaalf tot twintig bladeren van onze plant vlak bij elkaar, bij drieën of vieren op elkander gedrongen tegen de stengeltop aan te liggen—waarlijk geen voordeelige schikking, als ge bedenkt, dat ieder blaadje met zijn oppervlakte voedende lucht moet ophappen. Er moet een fout schuilen in onze redeneering.

Kijk maar in de sloot; daar verheffen zich nog meer van [162]onze rozeroode aren en daar liggen de bladeren niet zoo dicht opeen, er zijn zelfs vrij groote ruimten water tusschen. Hoe is daarvoor nu gezorgd. Doodeenvoudig. De stelen, waarvan het begin 20 cM. onder water ligt, zijn niet 20 maar 30 cM. lang. Ze missen de kracht, om hun bladschijf die 10 cM. boven het water uit te tillen, de bladschijf moet op ’t water liggen, de steel, die door zijn drijfkracht niet in een bocht omhoog kan hangen, komt schuin gestrekt in het water en de bladschijf is 15 of 20 cM. van de bloemaar verwijderd—zoo komen de onderste bladeren het verste van den stengel af te liggen en elk blad heeft ruimte en lucht in overvloed.

Bladeren van de Veenwortel (Polygonum amphibium) links watervorm, rechts landvorm.

Bladeren van de Veenwortel (Polygonum amphibium) links watervorm, rechts landvorm.

Stop nu onze vangst in de plantenbus—botaniseertrommel zeggen ze in de winkels—straks zullen we er nog wel eens naar moeten kijken, hoop ik. Laat die kroosplantjes nu maar met rust, ge vindt toch de bloempjes niet en ik heb wat anders in petto.

Vroeger stond deze sloot hooger, voor een paar jaar echter is het polderpeil verlaagd; een vijvertje aan het eind van de sloot is drooggeloopen en nu een laag slecht weilandje geworden—nog nat en vol ontuig.

Ook een menigte roode bloemaren. Vergelijk ze met wat we in [163]de bus hebben en ge zult zien, dat de bloempjes precies overeenstemmen!

Maar de planten zelve verschillen hemelsbreed—hier bij de landplant geen spoor van dat gladde, slappe en langgerekte. De stengel is matig lang, dik en stevig, de bladstelen kort en krachtig, de bladeren zelf ruig en bruin en kleverig. De heele plant is kleverig. En toch hebben we hier te doen met dezelfde plant. Wanneer we zaadjes ervan doen ontkiemen op den bodem van het water, dan ontwikkelt zich de watervorm, terwijl bij ontkieming op het droge de landvorm te voorschijn komt. Loopt een sloot, waarin de watervorm groeit, droog, dan zinken stengel en bladeren onmachtig op den bodem neer en sterven daar af, maar de wortelstok blijft in den bodem voortleven en ontwikkelt dit jaar nog—als ’t seizoen te ver gevorderd is, in ’t volgende jaar—een stevigen ruigen stengel met kortgesteelde kleverig behaarde bladen.

Er is zelfs wel in ons land een plant van deze soort gevonden, die uit zijn wortelstok twee stengels ontwikkeld had; de eene in het water, de andere op het land. Bladeren en stengels der beide helften geleken in het geheel niet op elkander, maar hadden den vorm aangenomen, die hun in hun omstandigheden het beste te pas kwam.

Wat beteekent die kleverigheid? Dat moet de bloem ons leeren. Zooeven, toen we de bloempjes vergeleken, hebt ge gelegenheid gehad, om te zien, dat ze maar klein zijn, doch heel sierlijk gevormd. Wanneer ge een van de ruim honderd bloempjes van de bloemaar afzonderlijk beziet, dan zult ge merken, dat een kelk ontbreekt en dat de kroon een fijn rozerood vijfpuntig klokje is, waarbinnen 5 meeldraden en 2 stijlen. Onderin, tusschen de meeldraden, ziet ge op de kroon vijf gele vlekjes. Misschien glimmen ze een beetje. Dat komt, doordat daar honing wordt afgezonderd, nog al veel [164]ook. Die honing—daar is de bloem heel trotsch op en tegelijk erg zuinig mee. De heele wereld moet het weten, d.w.z. de geheele insectenwereld—een andere kennen de bloemen bij ons niet—en de bekendmaking geschiedt op tweeërlei wijze.

Ten eerste door de kleur: de opeenhooping van honderden bloempjes op een aar maakt, dat ze reeds van verre in ’t oog vallen, en dan nog door een fijne doordringende geur, die niet alleen de reukzenuwen van ons, menschen, maar ook die van de zespootige honingsnoepers aangenaam streelt. Gij weet, dat deze laatsten de reukzenuwen in hun voelsprieten hebben—twee beweeglijke neuzen!

Gij kunt ervan opaan, dat een vlieg of een bij, of kleine hommel, dien geur gewaar wordt, dan kijkt hij rond en stuurt dan onmiddellijk op de mooie, roode stang toe. Daar zien we meteen de 5 gele vlekken in een kroontje, ze weten al lang, wat dat beduidt, haastig grijpen ze de bloem, steken kop en tong naar binnen en doen zich te goed. Schrokken als ze zijn, hebben ze in een paar seconden de bloem van zijn lekkers beroofd; zoo werken ze de heele stang af en zweven dan verder.

Nu bezitten onze veenwortels of waterveelknoopen echter een bijzondere inrichting. Zoek nog eens wat verschillende bloeitakjes bij elkander en stel dan een onderzoek in naar de lengte van meeldraden en stijlen, dan merkt ge al dadelijk, dat in geen enkel bloempje de stijlen en de meeldraden even lang zijn. Maar ook—dat in sommige bloeiaren de stempels zoo lang zijn, dat ze buiten het kroontje uitsteken, terwijl de korte meeldraden den rand niet bereiken. In andere bloeiaren is het weer net andersom: daar zitten de stijlen in het kroontje geborgen en de meeldraden steken ver naar buiten. Waar is dit nu weer goed voor?

Natuurlijk voor de kruisbestuiving. Ga maar eens na. Wanneer een insekt, een kleine hommel b.v. op een bloempje [165]met lange meeldraden, zijn mondjevol honing komt zoeken, dan moet hij met zijn ruige onderzijde de vijf helmknoppen aanraken. Het kleverige stuifmeel blijft in zijn haren vastzitten. Met zijn kop raakt hij wel aan de stempels der stijlen. Nu gaat hij verder. Komt hij nu opnieuw aan een „kortstijlige” bloem, dan krijgt hij nog meer stuifmeel aan zijn buik. Bezoekt hij evenwel een „langstijlige” bloem, dan raken de stempels ervan juist de plek aan de onderzijde van zijn lichaam, waar al het stuifmeel uit de kortstijlige bloemen zit. Die stempels zijn kleverig—het stuifmeel blijft bij het vertrek van den hommel gedeeltelijk eraan kleven en de eitjes in ’t vruchtbeginsel kunnen zich tot ontkiembare zaden ontwikkelen.

Veenwortel (Polygonum amphibium). Langstijlige bloem.

Veenwortel (Polygonum amphibium). Langstijlige bloem.

Veenwortel (Polygonum amphibium.) Kortstijlige bloem.

Veenwortel (Polygonum amphibium.) Kortstijlige bloem.

Onze hommel, die wegvliegt, heeft echter van deze bloem ook weer een souvenir meegekregen van de korte meeldraden, die in ’t kroontje verborgen zaten en waarvan het stuifmeel nu aan de haren van zijn kop en snuit zit vastgekleefd. Dat hiermede nu weer kortstijlige bloemen bevrucht worden, kunt gij wel, om zoo te zeggen, op uw vingers natellen.

De waterveelknoop zorgt dus voor kruisbestuiving door er twee vormen van bloemen op na te houden—de plantkundigen zeggen daarom met een geleerd Grieksch woord, [166]dat hij dimorph is (di, 2, morph = vorm). Ook schelden ze hem wel uit voor heterostyl (d.w.z. ongelijk van stijlen).

Voor de overbrenging van het stuifmeel zorgen de vliegende insecten, die voor dien dienst met honing beloond worden—de ongevleugelde mogen van de zoetigheid afblijven.

Zoolang nu onze plant in ’t water groeit, kunnen alleen gevleugelde gasten haar een bezoek brengen, maar op het land—daar is het anders. Daar zouden de langpootige, gladlijvige mieren, die zoo op zoetigheid belust zijn, in minder dan geen tijd de gansche honingvoorraad verbruikt hebben, zonder in het minst iets in ’t voordeel van de plant zelve te verrichten. Zoo’n mier eet de boel op, kuiert naar beneden, misschien zonder een enkel korreltje stuifmeel aan zijn gladde lijf, of heeft hij er bij ongeluk een opgedaan, dan raakt hij dat onderweg toch kwijt, doordat hij tegen een grasstengel aanbonst, van een aardkluit naar beneden rolt, of doordat eenig ander mierenongeval hem treft. Daarom wacht onze plant geen bezoek van mieren af, maar weigert hun beleefd—of onbeleefd—de toegang.

Wanneer een mier het in zijn dikke kop krijgt, om polygonum-honing te gaan proeven en hij klimt tegen een stengel op, dan komt hij niet ver—telkens en telkens weer blijven zijn pooten aan de kleverige haren, waarmede de geheele plant bedekt is, vastzitten en als hij niet gauw rechtsomkeert maakt—dan kan hij voorgoed blijven steken en van honger omkomen.

Zoudt ge niet haast moeten toegeven, dat zoo’n polygonum de zaakjes netjes weet te overleggen?

Roode bloemen in ’t water zijn er niet veel, de meeste zijn geel of wit—ik ken er eigenlijk nog maar één, de waterviolier (Hottonia palustris), maar die is dan ook veel mooier dan onze veenwortel—ook van Mei af te vinden bij [167]duizenden, overal, maar niet in te brak water. Rondom Amsterdam is een tooverkring, waarbinnen Hottonia niet komen kan; de linie Geinbrug, Abcoude, Uithoorn Aalsmeer, Haarlemmermeer (ongeveer hetzelfde wat in onze krijgskunde tegenwoordig de „stelling Amsterdam” heet.).

Maar eerst zal ik u vertellen, hoe de bloem er uitziet. Boven het watervlak verheft zich een slanke, rechte stengel van 2–6 dM. hoogte, die aan zijn topgedeelte vijf tot tien kransen draagt, die elk bestaan uit 3 tot 6 groote bleekroode bloemen, duidelijk herinnerend aan primula’s—vijfkant met een geel vijfkant hartje. Ik moet altijd denken aan lichtkronen of kandelaars, als ik die bloemen zie, of wanneer ik ze mij voorstel. Ze staan zoo rechtop en de bloemen zijn zijdelings gericht, zoodat hun grootste kleur-oppervlak in het oog valt.

Kortstijlige bloem van Hottonia palustris.

Kortstijlige bloem van Hottonia palustris.

Nooit zal ik vergeten, hoe wij op een natten Meidag in ’94 de sloten en plassen tusschen Ankeveen en Uitermeer vol met Hottonia vonden. Een sloot was er, recht, wel 2 K. M. lang, daar stonden ze in een onafzienbare rij; vlak vóór ons blonken de luchtkransen afzonderlijk, maar verderop smolt alles ineen tot een rozerood, blozend bloemenkleed. Rechts en links evenzoo.

Wilt ge in Mei een mooi aquarium met bloemen hebben, verzamel dan in de eerste dagen van de maand waterviolieren, die nog in knop staan. Trek ze voorzichtig uit de sloot, de plant is erg bros, wortels behoeft ge niet te hebben, als ge maar zorgt, de fijnverdeelde vindeelige bladeren, die onder water uitgespreid liggen, en uit wier midden de bloeistengel opstijgt, ongeschonden mede te nemen. [168]

Tegelijk kunt ge op moerassige plekken uitzien naar een nog mooiere bloem, de mooiste bloem uit onze plassen en moerassen, het waterdrieblad. Die is wat te groot voor een aquarium, maar heel goed te kweeken in een kuipje met klei, die ge zoo nat mogelijk houdt. Behalve door de prachtige knoppen trekt de plant de aandacht door de mooie witte kroesharen aan de binnenzij van de kroon. Niemand weet waar ze voor dienen.

Waterviolen en waterdrieblad zijn allebei dimorph, evenals onze veenwortel. Ge moet dus zorgen beide vormen te vinden, die met lange stijlen en die met korte stijlen. ’t Valt niet moeilijk want ze groeien meestal door elkaar.


De meeste slootbloemen zijn wit. Ge denkt hierbij onmiddellijk aan de witte plompen, waarvan ge al zooveel gehoord hebt en die de dichters als „waterleliën” zoo vaak op ’t water laten droomen.

Langstijlige bloem van Hottonia palustris.

Langstijlige bloem van Hottonia palustris.

De waterlelies zijn de grootste bloemen van Nederland, de witte tenminste, die worden wel 12 cM. in doorsnede. Dit is een heel nuchter begin, om over deze heerlijke bloemen te gaan spreken, doch het zijn nu maar eenmaal geen madeliefjes, en hun grootte is wel de oorzaak ervan, dat ze zoo algemeen bewonderd worden. Er zijn genoeg bloemen, fijner van samenstel, teederder van kleur, bewonderenswaardiger van inrichting, die door de meeste menschen niet gekend worden—wie dweepte vroeger met de waterdrieblad of met de moerasandoorn?

Maar de plompen zijn zoo schitterend, zoo groot, zoo overvloedig en ze bloeien weken achtereen in den heerlijksten tijd van het jaar, gelijk met het lied van den nachtegaal of—wat beter bij hen past—met dat van den moeras-rietzanger. [169]Al bezit ge maar weinig belezenheid, dan weet ge, hoe van de oevers van den Nijl tot in het verre Japan de lotos vereerd wordt—de lotos, die niets anders is dan een lila plomp, wiens bloemen zich iets hooger boven het water verheffen en sterker geuren dan de onze—ze zijn het zinnebeeld van rust en reinheid.

Een ander familielid is de Victoria regia, de koningin van de Amazonestroom, waarvan de bladeren het gewicht van een mensch kunnen dragen.

Bij ons loopen alleen de vlugge waterhoentjes over de ronde bladeren, of een groene kikker komt er zich zonnen, en aast op dikke vliegen en slanke waterjuffers. Aan de onderzijde der bladeren zitten stellig Hydra’s en de dikke holle bladstelen, rechtopstaand door hun drijfkracht, zijn vol met eieren van slakken en visschen.

Die drijfkracht hebben ze te danken aan de tallooze luchtkamertjes, die ze bevatten. Het binnenste van een waterplantensteel is altijd zoo sponsachtig. Dat is wel aardig. Een landplant doet alle mogelijke moeite om tot bovenaan toe vol met water te zitten; ’t is haast niet te begrijpen, hoe een boom van dertig of veertig meter hoog dat aanleggen moet, maar hij slaagt er toch in. Waterplanten daarentegen zijn er altijd op uit, om in al hun deelen luchtvoorraad te bezitten, water hebben ze genoeg, maar lucht is even onmisbaar. Dat moet ge vooral nooit vergeten.

Een plant heeft even goed versche lucht noodig als een dier en om dezelfde reden. Bij de „groote proef” hebben we gezien, dat de planten koolzuur verbruiken en dan zuurstof afgeven. Ge zoudt nu misschien denken, dat een plant, in enkel koolzuur geplaatst, bijster in zijn schik zou zijn. Mis hoor! Hij zou erin stikken en sterven, net zoo goed als een muis of een kikker.

Planten hebben het noodig, dat al hun deelen voorzien [170]kunnen worden van versche zuurstof. De dikke wortelstokken van de waterlelie, die daar heel onder in de sloot in de modder verborgen liggen, moeten ademen, moeten versche lucht hebben. En die wordt hun toegevoerd door de luchtkanalen in de dikke bladstelen, die zoodoende van de allergrootste beteekenis voor het leven van de plant zijn.


Aan die dikke stelen liggen de bladeren voor anker, onbeweeglijk stil op het spiegelgladde water, als er geen wind is, zacht meedrijvend met de richting van den stroom, zoover de stelen het veroorloven. Jaagt de voorjaarswind langs de watervlakte, dan krijgt de luchtstroom wel de bladeren te pakken, de ronde randen ervan krullen voor een oogenblik omhoog, zoodat ge de paarsbruin gekleurde ondervlakte te zien krijgt.

Die paarsbruine kleur is eene herinnering aan het voorjaar; op uw wandeling in April en Mei hebt ge die wel meer opgemerkt—vooral bij waterplanten. Midden in den zomer zult gij hem aan bladeren en knoppen zelden opmerken, maar in den herfst vertoont hij zich weer overal: in de vallende bladeren van de eiken, zoowel als in de jonge blaadjes van uw vlierstruik, die onvermoeid in October nog weer eens uitbot.

Men meent vrij zeker te weten, dat deze kleurstof, die met een vreemd woord anthokyaan (bloemenpaars) genoemd wordt, het vermogen bezit, om licht te veranderen in warmte. In die kleur vinden de planten dus gelegenheid, om in den kouden tijd nog warmte genoeg te verzamelen, om te kunnen leven, het zij dat leven begint, zooals in ’t voorjaar, of in de droeve herfstmaanden nog wat gerekt moet worden.

Zonder warmte is er voor de planten geen leven! De warmte is het ook, die in het voorjaar het sein tot [171]ontwaken geeft. Een kleine temperatuursverhooging is voor de wortelstokken in den slootbodem het teeken, dat het ijs en de sneeuw geweken zijn en dat de watermassa van de sloot doorwarmd is. Nu boren de spitse knoppen van de waterlelie door het slijk omhoog, ze lijken wel puntige sigaren; ze bestaan eigenlijk uit een enkel opgerold blad, dat zich in het water dadelijk ontplooit. Blijft het onder water, want verscheidene bladeren van waterlelies bereiken de oppervlakte nooit, dan is het dadelijk groen, maar de opstijgende worden geheel paarsrood, naarmate zij de oppervlakte naderen.

Na eenige dagen wordt hun bovenkant groen, maar de onderzijde blijft rood, den heelen zomer door. Dat rood vangt de warmte op en houdt die in het blad. Hoe heerlijk koel moet het in den heeten zomer onder die bladeren zijn—dat weten de vorentjes ook!

Eenigen tijd na de bladeren komen de bloemen te voorschijn—in de laatste helft van Mei. Gevulde bloemen zijn het—die komen in ’t wild anders niet zoo heel veel voor. Weet ge, hoe de tuinier gevulde rozen kweekt? Een roos in wilden staat is altijd enkel; hij bezit maar een krans van vijf kroonbladen, daarbinnen eene menigte meeldraden. Door kweeking nu brengt de tuinier het zoover, dat de meeldraden zich weelderiger ontwikkelen, zich vergrooten en verbreeden, kortom, zich veranderen in kroonbladen.

Hoe dit nu mogelijk is, kunt gij gemakkelijk zien bij het ontbladeren van een witte waterlelie. Eerst komen vier kelkbladen, van buiten groen van binnen wit; daar lijken ze dus al op kroonbladen. Dan volgen eenige kransen smetteloos witte kroonbladen.

Hoe verder ge echter met het ontbladeren vordert, des te smaller worden ze en weldra krijgt ge er te zien, die aan hun top een weinig verfrommeld zijn en een geel tipje dragen. Verder naar binnen ontwikkelt dat gele tipje zich [172]langzamerhand tot een helmknop, terwijl het versmalde kroonblad zelf ineenslinkt tot een platte helmdraad. Binnen die meeldraden zit de stamper, een groote, met vele platte stempels, en daar valt meestal het stuifmeel uit meeldraden van dezelfde bloem op. Want de witte waterlelie heeft geen bijzondere inrichting voor kruisbestuiving. Alleen zijn de meeldraden iets later rijp dan de stampers, zoodat de laatste in die korte poos met stuifmeel van andere bloemen, door insecten aangebracht, bedekt kunnen worden.

Maar wij vragen bij de waterlelies niet naar bijzondere inrichtingen, het is ons voldoende, hun stille pracht gade te slaan, onder den wolkeloozen Junihemel in de warme zomerzon! Een eenig genot is het, dan op een van onze groote veenplassen in een bootje rond te drijven, omgeven door duizenden en duizenden dezer witte waterrozen. Ze steken even boven het water uit, een of twee centimeter; maar de nog niet geheel ontwikkelde knoppen liggen gedeeltelijk nog in het water, een weinig schuin. Omlaag tusschen de bruine stelen schieten heele scholen vorentjes voorbij, duistere, spookachtige gestalten. Voor horizon hebben we een dichten rietzoom, waar boven de warme lucht trilt en van waaruit van alle zijden het gezang der karakieten ons tegenklinkt. Binnen den rietzoom niets dan bloemen en plekjes water, blauw, doordat de blauwe lucht erin spiegelt. Tusschen die tallooze witte waterlelies ontwaart ge ook gele, die vallen niet zoo in het oog, al is hun aantal misschien grooter.

Zij hebben dezelfde bladeren, maar de bloemen zijn veel kleiner en minder schoon. Ze zijn wat zuiniger, wat de kroonbladen betreft. Eenige kleine blaadjes of eigenlijk buisjes, honingbuisjes, is alles, wat er van de kroon over is en de kelk moet nu de eer van de bloem redden; die is wat grooter en aan de binnenzijde heldergeel, zoodat een beginner in de bloemenwetenschap hem voor de kroon zelve gaat [173]houden, en denkt, dat een kelk ontbreekt. Waarom die vijf heldergele blaadjes nu toch kelk moeten heeten? Laat ons bootje maar in een veld gele plompen drijven, dan zult ge het zien.

Ge weet, dat de plantkundigen onder kelk verstaan: een of meer meestal groene blaadjes, die het buitenste bloembekleedsel vormen en voornamelijk tot taak hebben, de bloem te beschermen, zoolang ze nog niet geopend is.

Zie nu eens om u. Daar drijven tien, twintig knoppen van onze gele waterlelie, ze zijn allemaal groen, het knopomhulsel wordt gevormd door vijf groene blaadjes, die met de randen over elkander sluiten. Opent ge een jongen knop, dan zijn die blaadjes aan de binnenzijde nog groen, bij grootere echter geel, zoodat, als de knop zich opent, vijf gele blaadjes te zien komen, die echter aan den kant, naar het water gekeerd, nog groen zijn—herinnering aan hun kelktijd.

Fijner, vlugger, fraaier dan de gele waterlelies zijn andere gele bloemen, maar van lichter geel, het geel van zwavel. Ze zijn vrij groot in omtrek, niet veel minder dan de gele waterlelies, en verheffen zich op een dun steeltje boven het water, zoodat de geheele bloem met haar dunne, vloeipapieren kroonbladeren met iedere windvlaag meewappert, met ieder zuchtje meetrilt. De bladeren van de plant—ook weer rond—drijven op het water—ze zijn iets grooter dan een rijksdaalder—bruingroen, dikwijls met een krans van bruine, ook wel van heldergroene vlekken. Die bladeren en de bloemen komen uit een bleekgroenen stengel, die schuin opstijgend uit den bodem te voorschijn komt, waar in den modder de lange wortelstok ligt vastgeworteld. Het is de watergentiaan (Limnanthemum nymphaeoïdes). We hebben menige dure buitenlandsche plant in onze vensterramen, die lang zoo mooi niet is. [174]

Het zou eigenlijk veel prettiger zijn, indien we in onze huizen wat meer Nederlandsche bloemen teelden. Ik zou u er dadelijk vijftig kunnen noemen, die op zijn minst even mooi zijn, als al uw Cineraria’s en Petunia’s. Gij kunt ze zelf buiten gaan halen en groeien ze dan voorspoedig in uw vensterraam, dan hebt ge op ieder oogenblik van uw drukke stadsleven een aanleiding om te denken aan de bonte wei, de blonde duinen, de geurige hei of de frissche waterplassen, en aan den heerlijken lentedag of zomermorgen, toen gij uw pleegkinderen hebt ingezameld.

Ik zeg dat hier, omdat ik drie jaren achtereen watergentianen geteeld heb op een derde verdieping, niet in een vijver, maar in potten, gewone roode, aarden bloempotten. De eenige kunst is maar, de planten te krijgen—anders gaat alles bijna van zelf.

Eerst moet je een plaats weten, waar altijd veel watergentianen groeien. Ga daar in April heen—dan zijn de blaadjes van de plant nog niet eens zichtbaar, want de watergentiaan bloeit pas met het begin van Juli. Nu komt het er op aan een stuk wortelstok uit de bodem machtig te worden en dat doet ieder weer naar zijn bijzonderen aanleg en natuur.

Ik ga altijd maar te water, en grabbel dan net zoo lang tot ik iets, dat in het gevoel op een wortelstok lijkt te pakken heb. Dat wordt dan met kracht en geweld losgerukt en ik ben dan tevreden als ik een zwartig, glimmend stokje van een dM. lengte bezit, waaraan zich op onregelmatige afstanden eenige dikke knoppen bevinden. Je kunt ook wel kunstige dreggen en graafmachines uitvinden, om wortelstokken te krijgen, zonder te water te gaan; ook herinner ik me, dat we eens een stuk sloot ervoor hebben leeggehoosd—maar dat is allemaal erg omslachtig.