[Inhoud]
Bij de Parijsche Apachen.

Bij de Parijsche Apachen.

EERSTE HOOFDSTUK.

OP HET SPOOR.

Het was ongeveer negen uur in den morgen toen de rechter van instructie Bastien zijn bureau in het paleis van justitie te Parijs binnentrad.

Zijn secretaris had juist een portefeuille met akten op de plaats van zijn chef neergelegd en stond nu in onderdanige houding gereed om den heer Bastien bij het afleggen van hoed en jas de behulpzame hand te bieden en zich daarop naar zijn eigen kamer te begeven.

Bastien nam aan zijn schrijftafel plaats en zonder een blik te slaan op de voor hem liggende papieren, keek hij door het openstaande venster naar buiten, naar het grauwe water van de Seine, die langs de noordzijde van het paleis van justitie stroomt, slechts door een smalle kade daarvan gescheiden.

Bastien verveelde zich.

Hij vond geen voldoening in het uitoefenen van zijn beroep, dat hij op den duur eentonig vond.

Reeds jarenlang droomde hij van een groote, geweldige strafzaak, waarin niemand eenig spoor van de daders zou kunnen ontdekken en welke ingewikkelde geschiedenis door zijn scherpzinnigheid zou worden opgehelderd.

Hij twijfelde geen oogenblik aan zijn eigen, groote bekwaamheden, maar de dagelijksche sleur van onbeduidende diefstallen en kleine overtredingen stelde hem niet in de gelegenheid zijn droom te verwezenlijken.

De zoo vurig verwachte „groote zaak” kwam niet.

Nog nooit had hij tegenover een geslepen misdadiger gestaan.

De arme drommels, die voor hem gebracht werden, waren verre van listig, zij bekenden meestal zonder veel omhaal van woorden hun schuld. Zij gaven hem niet de gelegenheid, veel scherpzinnige strikvragen te stellen en Bastien’s arbeid beperkte zich er toe hunne bekentenissen op protocol te brengen, een werkje, dat evengoed door zijn secretaris kon worden opgeknapt. [2]

De rechter van instructie wierp eindelijk een blik op de portefeuille met akten, die vóór hem lag en hij begon juist de papieren te voorschijn te halen, toen er aan de deur werd geklopt.

Op zijn „Entrez!” trad de secretaris binnen, die hem een visitekaartje overhandigde.

Bastien las:

JAMES BAXTER.

London Scotland Yard.

Blijde verrassing maakte zich van hem meester bij het lezen van den naam van het wereldberoemde detective-bureau in Engeland’s hoofdstad.

Als een beambte van deze groote instelling hem kwam bezoeken, dan kon dat niet zijn voor een geringe aangelegenheid en Bastien zag in zijn verbeelding reeds zijn lang gekoesterde hoop verwezenlijkt.

„Laat dien heer binnen!”

De secretaris ging heen en Bastien draaide zich om in zijn stoel, om den binnentredende goed te kunnen zien.

Toen Baxter binnentrad, stond hij op en nadat zij zich aan elkaar hadden voorgesteld, bood hij zijn bezoeker een stoel aan en sprak:

„En, Mr. Baxter, wat verschaft mij de eer van uw bezoek?”

„Dat is gauw gezegd,” antwoordde de Engelschman hem. „Lord Lister, die onder den naam Raffles in Engeland zijn schurkenstreken heeft uitgevoerd en die door ons wordt gezocht, bevindt zich in Parijs.”

Bastien sprong op.

„Raffles, dezelfde, op wiens gevangenneming de Engelsche overheidspersonen een premie van 1000 pond hebben gezet?”

„Jawel” vervolgde Baxter, „hij is het en, naar mij uit betrouwbare bron werd bericht, is deze Raffles in Parijs en het verbaast mij zeer, dat hij hier nog geen misdaad heeft gepleegd, die u ter oore is gekomen.

„Neen, tot dusverre heb ik hiervan nog niets vernomen,” antwoordde Bastien, „en ik geloof, dat die Lord Lister, als hij zich, zooals gij denkt, werkelijk in Parijs bevindt, er belang bij zal hebben, zich hier kalm te houden”

„Ik geloof dat niet,” meende Baxter, „waarom zou Raffles hier voorzichtiger zijn dan in Engeland?”

„Zeker, mr. Baxter!” verklaarde Bastien, „want als het u mocht gelukken, hem hier op te sporen en op grond der in Engeland gepleegde strafzaken in hechtenis te laten nemen, dan zouden aan zijn uitlevering naar Engeland vele groote bezwaren verbonden zijn.

Mocht hij daarentegen hier een misdaad begaan, dan moest hij voor een Fransche rechtbank verschijnen en het vooruitzicht op jarenlangen dwangarbeid in Nieuw Caledonië zal den gentleman wel tot voorzichtigheid aansporen.”

Baxter scheen het hiermede eens te zijn.

Na eenig nadenken sprak hij:

„Het zou mij voldoende zijn, hem op Franschen bodem in hechtenis te nemen. De uitlevering zou wel is waar eenigen tijd in beslag nemen, maar ernstige bezwaren zouden zich niet voordoen.

Ik wilde gaarne weten, of ik op uwe hulp mag rekenen?”

„Natuurlijk!” haastte Bastien zich te verzekeren, toen opnieuw aan de deur werd geklopt.

Nu bracht de secretaris een brief, geadresseerd aan den rechter van instructie en met het opschrift: „dringend, veel spoed!”

Bastien vroeg Baxter vergunning om den brief te mogen openen, maar nauwelijks had hij een blik geslagen op het papier, dat hij uit het couvert haalde, of hij uitte een kreet van verbazing.

„Weet gij, van wien deze brief komt?” vroeg hij aan Baxter.

„Neen!” antwoordde deze. [3]

„Van Raffles!” klonk het terug.

Als door een adder gebeten, sprong Baxter op van zijn stoel en snelde naar Bastien om met hem samen den brief te lezen.

Beiden waren naar het raam geloopen en met vliegende haast lazen zij het volgende:

„Heer rechter van instructie! Ik weet, dat op dit oogenblik de heer Baxter van Scotland Yard uit Londen zich in uw bureau bevindt en daar het mijn vurigste wensch is, dezen waardigen beambte bij zijn inspannend werk de behulpzame hand te bieden, kan ik niet nalaten, u eenige hulpmiddelen aan te wijzen, die het u misschien mogelijk zullen maken, mij te pakken.

Ik zelf heb er mijn vriend Baxter op attent gemaakt, dat ik mij in Parijs bevind.

Baxter was zoo vriendelijk om dit feit zoo interessant te vinden, dat hij zelf van Londen hierheen reisde en gisteravond zijn intrek nam in „Hotel Terminus.”

Ik heb hem voortdurend in het oog gehouden en volgde hem ook heden op zijn weg naar u.

Ik veronderstel, dat hij bij u hulp komt vragen om mij op te sporen en omdat hij er naar verlangt, weer iets van mij te hooren, stel ik hem voor, naar mij te informeeren bij den heer Menuisier in de Rue Bayen.

Dezen achtenswaardigen man, die zich in den loop der jaren een aanzienlijk vermogen bijeen heeft gewoekerd, heb ik het bedrag van zesmaal honderdduizend francs afhandig gemaakt en dat nog wel zonder eenige daad van geweld. Integendeel, de heer Menuisier heeft mij het geld persoonlijk overhandigd. Met mijn gewone bescheidenheid, die den heer Baxter zoo goed bekend is, stelde ik mij tevreden met de zesmaal honderdduizend francs, die de heer Menuisier mij gaf om valsch bankpapier te vervaardigen. Deze brave man zal waarschijnlijk niet heel openhartig tegenover u zijn, maar met uwe welsprekendheid zal het u wel gelukken, alles wat gij wilt weten, uit hem te krijgen.

Ik zal niet in gebreke blijven, u telkens, na korte tusschenpoozen, steeds weer opnieuw iets van mij te laten hooren, ik beveel mij in uwe vriendschap aan en blijf

hoogachtend

JOHN. C. RAFFLES.”

De beide beambten hadden den brief uitgelezen en terwijl Bastien sprakeloos zijn Engelschen collega aankeek, sprak Baxter:

„Dat is net iets voor Raffles!”

Hij had den brief in zijn zak gestoken en wendde zich weer tot den rechter van instructie.

„Wij moeten dien heer Menuisier dadelijk gaan opzoeken.”

Verbaasd staarde Bastien den Engelschman aan.

„Maar gelooft gij werkelijk aan het bestaan van een heer Menuisier, denkt gij, dat de brief waarheid bevat?”

„Gij kent Raffles niet,” verklaarde de ander. „Dit is niet de eerste brief, dien ik van hem krijg, hij deelt de volle waarheid mee, met leugens laat de kerel zich niet in!”

„Dat moet een vreemd mensch zijn”, sprak Bastien hoofdschuddend.

Daarop nam hij hoed en jas en verliet met Baxter het gerechtsgebouw. [4]