[Inhoud]

TWEEDE HOOFDSTUK.

HET HUIS VAN DEN WOEKERAAR.

Het liep tegen elf uur des voormiddags toen een auto uit de breede Avenue Niel de smalle, vuile Rue Bayen inreed en stilhield voor het huis, waarin de heer Menuisier, de oude woekeraar, met zijn huishoudster Coralie woonde.

Het wantrouwen van Menuisier, een zijner voornaamste eigenschappen, was nog enorm veel grooter geworden sinds Raffles hem, vermomd als schilder, zesmaal honderdduizend francs afhandig had gemaakt voor het vervaardigen van valsch bankpapier.

Hij beefde van machtelooze woede, als hij bedacht, hoe die zoogenaamde schilder het tuinhuis van hem had gehuurd en hem in de val had gelokt.

Hoewel hij nog genoeg over had om zijn verdere levensjaren onbezorgd te kunnen doorbrengen, kon hij toch niet over het geleden verlies heenkomen en als iets zijn woede nog kon verergeren, dan was het de gedachte, dat hij niet den moed had om de hulp van het gerecht in deze zaak in te roepen.

Hij moest zelfs blij zijn als niets van de geschiedenis uitlekte want hij was strafbaar, omdat hij het geld had gegeven voor het vervaardigen van valsch bankpapier.

Vanuit zijn raam had hij de auto gezien en toen twee elegant gekleede heeren uitstapten, die zijn huis naderden, vermoedde hij, dat zij voor zaken kwamen.

Ontstemd nam hij in zijn ouden leunstoel plaats, terwijl hij zich voornam, zijn slachtoffers dezen keer danig te plukken.

Maar een doodelijke angst maakte zich van hem meester, toen hij op het visitekaartje, dat de oude Coralie hem overhandigde, las:

HENRY BASTIEN

Officier van het Legioen van Eer. Rechter van Instructie.

Een rechter van instructie bij hem! Bevend van angst stond hij op met het verzoek, de heeren binnen te laten,

Bastien en Baxter traden de kamer binnen en toen de oude Coralie was heengegaan, wendde de rechter van instructie zich tot den ouden man met de vraag:

„Zijt gij de heer Menuisier?”

Na een bevestigenden hoofdknik van den woekeraar vervolgde hij:

„Een Engelsche spitsboef, bekend onder den naam Raffles, heeft u afgezet voor zesmaal honderdduizend francs.”

„Ik weet niet, heeren …” klonk het van Menuisiers trillende lippen, maar de rechter van instructie liet hem niet uitspreken.

„Gij wilt ontkennen, en ik begrijp de reden daarvan, want gij hebt Raffles dat geld gegeven om samen valsch bankpapier te vervaardigen”.

„Dat is niet waar”, riep Menuisier uit, nu weer brutaal wordend. [5]

„De schurk heeft mij het geld afgenomen, dat ik hem uit medelijden gaf, opdat hij in staat zou zijn te profiteeren van een uitvinding van hemzelf”.

„Wat was dat voor een uitvinding?” vroeg Bastien.

„Ik weiger u daarop het antwoord”, sprak Menuisier, „want ik ben van plan, haar nu zelf uit te voeren om tenminste weer in het bezit te komen van een gedeelte van mijn geld.”

Bastien keek den woekeraar spottend aan.

„Mijnheer Menuisier, ik ken uw verleden zeer nauwkeurig en kan daarom niet in uw braafheid en goede trouw gelooven.

Maar dit onderwerp kunnen wij laten rusten; vertel mij liever eens, op welke wijze Raffles zich bij u heeft geïntroduceerd.”

„Hij huurde mijn tuinhuis onder den naam van een schilder Rapin.”

„Is dit tuinhuis reeds weer bewoond?”

„Neen”.

„Geleid ons erheen!”

Menuisier nam zijn sleutels op en ging door den tuin de heeren voor.

Onderweg had de oude gelegenheid om na te denken. Als hij bij zijn beweringen bleef, zou hij niets te vreezen hebben, want men kon hem niets bewijzen.

Hij had de deur opengesloten en trad met de beide beambten de kamer binnen, waarvan de eene hoek in beslag werd genomen door den ouden schoorsteenmantel. In den hoek daartegenover stond een eenvoudig bed en in het midden van het vertrek bevond zich een klein tafeltje.

Deze schamele meubelen was alles wat zich in de kamer bevond.

„Dus hier heeft Raffles gewoond?” vroeg Bastien den gastheer.

Maar Menuisier was vastbesloten, alle onaangename vragen te ontwijken en op onverschilligen toon antwoordde hij:

„Ik weet niet, of mijn huurder Raffles was, hij noemde zich Rapin. Bovendien ben ik niet door hem benadeeld. Ik heb geprobeerd, zaken met hem te doen; in hoeverre mij dat gelukt is of niet, daarover wensch ik niet te spreken”.

Baxter, die nieuwsgierig had rondgekeken, zonder iets te ontdekken, wat zijn aandacht waard was, sprak nu tot Bastien:

„Ik weet, dat Raffles niet liegt, zijn mededeelingen zijn altijd overeenkomstig de waarheid, maar zoolang wij hem niet hebben, kunnen wij dezen man niets bewijzen en moeten wij genoegen nemen met zijn verklaring. Maar bevat dit tuinhuis geen andere ruimte?” vroeg hij opeens aan Menuisier.

„Jawel”, antwoordde deze. „Aan de andere zijde van de gang is nog een kamer”, en reeds had hij de deur geopend om zijn beide bezoekers naar het andere vertrek te geleiden.

De deur was achter de drie mannen gesloten, niemand bevond zich meer in de kamer.

Plotseling klonk een zacht gekraak uit den hoek, waar zich de schoorsteen bevond. De schoorsteenmantel werd naar voren bewogen en opende zich als een deur. In de donkere muuropening stond Raffles.

Hij had aan het eind van de onderaardsche gang, die door de Catacomben het achterhuis der Rue Bayen verbond met de door hem bewoonde villa in de Avenue van het Bois de Boulogne, gehoord, wat hier gesproken werd.

Nu luisterde hij voorzichtig of hij niets hoorde in het andere vertrek.

Maar alles bleef stil en met zachte, onhoorbare schreden sloop Raffles naar het tafeltje midden in de kamer.

Hierop legde hij een groot, wit couvert, waarop met flinke, groote letters een adres geschreven was.

Daarna verdween hij zonder geluid te maken weer in zijn schuilplaats en sloot den schoorsteenmantel weer dicht.

Hij was ervan overtuigd, dat het vinden van den brief den beiden beambten tot een nauwkeurig onderzoek van de kamer aanleiding zou geven, want het schrijven kon alleen door een geheime gang binnen gebracht zijn. [6]

Daarom nam hij aan de binnenzijde de klink, waarmee de draaiende schoorsteenmantel kon worden geopend, er uit, daarop ging hij kalm op de trap zitten, die naar het onderaardsche gewelf leidde en luisterde aandachtig.

Zijn geheim was goed bewaard, want nu de klink was weggenomen, was het onmogelijk om den schoorsteenmantel weg te schuiven, zelfs al zou een zoekende hand toevallig op de veer drukken, die diende om vanuit de kamer den weg naar de catacomben te openen.

Raffles behoefde niet lang te wachten.

Na eenige oogenblikken kwamen de beambten met Menuisier in de kamer terug.

Baxter’s argusblikken vielen dadelijk op het witte couvert, dat op de tafel lag.

Hij nam het op, maar een doodelijke schrik maakte zich van hem meester, toen hij het adres las, dat in duidelijke letters op het couvert stond:

„Aan de heeren

BASTIEN en BAXTER
als vriendelijke hulp in deze lastige zaak van Raffles”.

„Raffles is hier geweest!” riep hij uit, terwijl hij Bastien het couvert onder den neus duwde.

Een rilling voer door Menuisiers leden, de sleutels rinkelden in zijn sidderende handen en zijn dungrijs haar stond van ontzetting overeind.

Hier waren bovennatuurlijke dingen in het spel!

Verlamd van schrik leunde hij tegen de deur en staarde met strakke oogen naar Baxter, die nu het couvert opende, om den inhoud te onderzoeken.

Het couvert bevatte de overeenkomst tusschen Menuisier en Rapin wat betrof de gezamenlijke vervaardiging van valsch bankpapier. De handteekening van den woekeraar stond er duidelijk onder.

„Het is een leugen!” schreeuwde de oude man, „de handteekening is valsch!”

„Zwijg! Gij zijt op het oogenblik bijzaak!” beet Bastien hem toe.

Hij zag de oude Coralie in den tuin loopen en riep haar.

„Is er in de laatste vijf minuten iemand door het huis hierheen gekomen?” schreeuwde hij haar in het oor.

Het duurde geruimen tijd, eer de halfdoove oude vrouw hem had begrepen; eindelijk echter antwoordde zij, dat er niemand geweest was, en dat zij zelf de huisdeur had moeten openen in dat geval.

Baxter had tot dusverre zwijgend naar de gesprekken geluisterd.

Nu richtte hij zich tot Bastien.

„Ik geloof ook niet, dat Raffles hier langs den gewonen weg gekomen is. Er bevindt zich hier waarschijnlijk een geheime toegang.

„Zijt gij met iets dergelijks bekend?” vroeg hij Menuisier.

Deze schudde ontkennend het hoofd, maar de Engelsche detective was reeds bezig de muren te onderzoeken en te bekloppen.

Tevergeefs! Nergens hoorde hij eenig dof geluid, nergens vond hij een verdachte nis.

Zijn vingers gleden zoekend langs den schoorsteenmantel, zij drukten op elk knopje in het snijwerk, zij zochten zelfs in de opening van den schoorsteen, maar niets verried de aanwezigheid van een geheime gang.

Vermoeid gaf Baxter het op.

„Deze kamer moet bewaakt worden”, sprak hij tot Bastien. „Gij kunt politiebeambten halen van het dichtstbijgelegen politiebureau, dat zal u geen moeite kosten, als gij uw identiteit bewijst, ik zal zoolang hier wachten”.

Bastien aarzelde geen oogenblik om te gaan.

Terwijl de oude woekeraar nog steeds in stomme wanhoop tegen de deur leunde, begon Baxter opnieuw het vertrek te doorzoeken.

Hij ging op den vloer liggen en onderzocht met pijnlijke zekerheid elken vierkanten centimeter van de planken. [7]

Maar ook dit had geen beter resultaat dan het vorige onderzoek en blijkbaar zeer teleurgesteld liet hij de bewaking van het vertrek over aan de twee politiebeambten, die Bastien medebracht.

Menuisier werd meegedeeld, dat hij voorloopig nog op vrije voeten bleef, maar onmiddellijk gehoor moest geven aan de eerste de beste oproeping, die hij van den rechter van instructie zou krijgen.

Daarop stapten de beide heeren weer in de auto, die nog voor de deur stond te wachten en reden weg.

Bastien was koortsachtig opgewonden, want het oogenblik om zijn eerzucht te bevredigen, was nu nabij.

Dit was de groote zaak, waarop hij jarenlang had gewacht en hij moest nu alles in het werk stellen om Raffles, den Grooten Onbekende, meester te worden.