[Inhoud]

DERDE HOOFDSTUK.

IN HET HOL VAN APACHEN.

Parijs is niet alleen de stad van weelde en genot, Parijs herbergt ook binnen haar muren een bende misdadigers, die wreeder en afschuwelijker zijn dan in eenige andere stad ter wereld.

Die kerels zijn berucht geworden onder den naam Apachen.

In sommige wijken van Parijs wonen zij in goed georganiseerde benden.

Het grootste gedeelte van hun inkomsten vindt zijn oorsprong in diefstal en inbraak, maar misdaden, gepaard aan moord en doodslag, verschaffen hun dikwijls buitengewoon grooten buit.

De dagelijksche strijd, dien de Parijsche politie tegen de Apachen voert, zou wanhopig zijn als er niet een omstandigheid bijkwam, gunstig voor de politie.

De kleinere benden zijn namelijk zeer jaloersch op elkaar.

Zij, die in den strijd met de politie overwinnen, bevechten elkaar onderling en deze vechtpartijen ontaarden soms in bloedbaden, die op klaarlichten dag op de openbare straat worden gehouden.

Eerst als de politie den boel uiteen komt drijven, slaan beide partijen op de vlucht.

Zij sleepen hun gewonden met zich mee, maar het gebeurt meer dan eens, dat 4 of 5 dooden op het terrein van den slag achterblijven.

Als een van deze kerels levend in handen van de politie valt, wordt hij, zoover de wet het toelaat, naar de strafkoloniën van Frankrijk, naar Nieuw-Caledonië gezonden.

Maar ondanks dit alles worden de Apachen elkaar niet ontrouw, steeds nieuwe aanhangers vinden zij in de onderste lagen der bevolking en in onverminderd aantal zetten zij den strijd tegen de openbare veiligheid voort.

Elke vreemde ambtenaar van politie, die Parijs bezoekt, bezoekt de plaatsen, waar de Apachen feestvieren en zoo had ook kapitein Baxter het geleide van twee geheime agenten meegekregen, waarmede hij op dienzelfden avond, waarop de huiszoeking bij Menuisier had plaats gehad, de afgelegen wijken der hoofdstad bezocht. [8]

Het was niet alleen beroepsnieuwsgierigheid, die den Engelschman dezen tocht deed maken, hij koesterde ook de hoop, dat hij toevallig iets over Raffles zou vernemen.

Hij vermoedde niet, dat de man, dien hij zoo ijverig zocht, zeer dicht bij hem was.

Raffles had namelijk rekening gehouden met de gewone nieuwsgierigheid der detectives en terwijl hij in de vestibule van het hotel Terminus zat, zag hij, zelf onkenbaar vermomd, dat Baxter tegen 8 uur in den avond met de beide Fransche politie-agenten uit de eetzaal van het hotel kwam.

Het drietal bleef dicht bij Raffles staan en deze kon duidelijk hooren, hoe een der agenten den Engelschman het programma voor dien avond voorstelde.

Hij hoorde, dat de drie heeren zich op hun tocht door het nachtelijke Parijs in de kroeg „De Wakende Engel” zouden ophouden voor het maken van volksstudies.

Raffles kende deze verzamelplaats van Parijsche misdadigers en toen Baxter hem den rug toedraaide en met zijn beide gidsen naar buiten ging, stond ook hij op.

Hij moest zich haasten, om zich op zoodanige wijze te vermommen, dat hij zonder op te vallen in de nabijheid van Baxter en diens gidsen kon komen.


Het liep tegen elf uur in den avond.

De smalle Rue Popincourt, die van de Place de la Bastille door een der ellendigste wijken van Parijs loopt, was pikdonker en stil. Deze stilte werd slechts zelden gestoord door den sleependen stap van een patrouilleerend politie-agent, of door den snelleren gang van een naar huis terugkeerend arbeider.

De smalle, leelijke gevels der huizen verhieven zich in het nachtelijk duister en uit de vensterruiten, die sinds menschenheugenis niet door een reinigende hand van vuil en stof waren ontdaan, drong slechts hier en daar een sombere, gele lichtschijn naar buiten.

De talrijke kroegen, die zich hier, evenals in alle arme wijken, bevonden, hadden juist hun ramen gesloten en daardoor de rust in de straat werkelijk grooter gemaakt.

Slechts uit een der huizen drong, hoewel gedempt, het lawaai van vroolijke, overmoedige gasten naar buiten.

Hier bevond zich „De wakende Engel”, een herberg, die bekend stond als het hoofdkwartier der Apachen uit dit stadsgedeelte.

De politie kende de stamgasten van deze kroeg en misschien was het daarom, dat de waard, de heer Pistolet, meer vrijheid had op het gebied van nacht-permissie, dan de eigenaren der andere herbergen, die door een meer fatsoenlijk publiek werden bezocht.

Een smalle steenen trap, die de aanraking van een bezem niet kende, leidde door een zwartberookte kelderruimte naar de lokalen van „De Wakende Engel”, waar de heer Pistolet den schepter zwaaide.

Wie deze trap zag, kon alleen met afschuw en bange vrees denken aan de ruimte, die daar achter moest liggen, en dat voorgevoel bedroeg hem niet.

Langs de eertijds witgekalkte wanden stonden smalle tafels en banken, onzedelijke opschriften en teekeningen bedekten de muren.

De longen der bezoekers werden vergast op een mengsel van tabaksrook, etenslucht en bierwalm, waarbij zich nog voegde de geur van goedkoope, slechte parfums, afkomstig van de vrouwelijke gasten van „De Wakende Engel”.

Deze lucht vulde als een vieze walm de tamelijk groote maar lage ruimte en twee gaslichten, die van de zoldering afhingen, hadden moeite om door dezen sluier heen te dringen.

Als men aan dit slechte licht gewend was en eindelijk in staat om de zich in het vertrek bevindende voorwerpen waar te nemen, zag men aan den muur tegenover den ingang de toonbank, waarachter zich de groote, sterke Pistolet heen en weer bewoog.

Een versleten, vuil tapijt, dat achter de toonbank aan den muur hing, diende als portière en verborg de deur, die naar de keuken leidde. [9]

Hier was een oude, tandelooze vrouw bezig de gerechten te bereiden, die op de spijskaart vermeld stonden.

Pistolet was zoowel bij de misdadigers als bij de politie niet bemind, maar zeer populair.

Maar de politie vermoedde, dat Pistolet, als het zijn persoonlijk voordeel gold, gemeene zaak maakte met de Apachen, terwijl deze laatste weer hem ervan beschuldigden, als het hem voordeel bracht, als politiespion te spelen.

De vermoedens van beide partijen hadden recht van bestaan, maar de diensten, die Pistolet soms aan de overheid bewees, waren belangrijk, zoodat men, waar het hem gold, veel door de vingers zag.

Pistolet, die onder meer reeds zes jaar dwangarbeid in Cayenne achter den rug had, beschikte over fabelachtige lichaamskracht en wie hem met opgestroopte hemdsmouwen en reusachtig gespierde armen, het vierkante, brutale hoofd op den stierennek, achter zijn toonbank zag staan, begreep dadelijk, dat diegene der partijen, die de hulp van dezen ongetemden oermensch op zijn hand had, de overwinning moest behalen.

Er was een vrij groot aantal gasten aanwezig.

De jongens, wier vriendinnen ginds op de boulevards haar schandelijk bedrijf uitoefenden, zaten hier hun cigarette te rooken en kaart te spelen, terwijl naast hen de glazen warme wijngroc stonden, de lievelingsdrank dezer heeren.

Bijna alle tafels waren door dergelijke groepen bezet, waarbij zich soms een meisje voegde, dat van buiten kwam om haar vriend de opbrengst van haar beroep te brengen.

De gesprekken waren luidruchtig en vroolijk en nu en dan stond een der heeren op om bij een oude piano, die in een der hoeken stond, en begeleid door zijn dame, een lied ten beste te geven.

Aan een der tafels zat een man alleen.

Toen hij binnengekomen was, was hij door de stamgasten met wantrouwen ontvangen.

Daar hij echter kalm en rustig aan een der tafeltjes plaats nam, een flesch rooden wijn bestelde en onverschillig begon te drinken, bemoeide men zich weldra niet meer met hem.

Hij zag er uit als een van de arbeiders, die werkzaam waren aan de kanalisatie. Zijn pet bedekte het geheele voorhoofd; dikke lokken zwart haar kwamen van onder den rand te voorschijn.

Tusschen de roode, dikke lippen, die omgeven waren door een donkeren baard, hield hij een kort pijpje.

De man ledigde met kalme onverschilligheid zijn wijnflesch.

Hij mengde zich niet in de gesprekken, die rondom hem gevoerd werden, hij nam geen deel aan het applaus, dat op de voordrachten volgde en als een der meiden hem een nieuwsgierigen blik toewierp, waarin iets uitdagends lag, keek hij een anderen kant uit.

Tegen half twaalf werd de deur weer geopend en op den drempel verschenen drie mannen.

Het waren Baxter en zijn geleiders.

De komst der beide bekende politie-agenten scheen de stamgasten onrustig te maken en zelfs Pistolet voelde zich geroepen om de heeren, die aan een tafeltje dicht bij het buffet gingen zitten, beleefd tegemoet te gaan.

Nog voordat hij zijn avondgroet had uitgesproken, had hij reeds van een der beambten de geruststellende verzekering ontvangen, dat het bezoek alleen ten doel had een buitenlandsch collega te amuseeren.

Pistolet vertelde dit onder het bedienen aan zijn gasten en weldra heerschte weer algemeene vroolijkheid.

De aanwezige vrouwen alleen keken met groote belangstelling naar den vreemdeling, die onder geleide van twee politie-agenten hier was gekomen en eenige van haar naderden lachend het tafeltje, in de hoop, een glas van den goeden wijn te krijgen, die daar gedronken werd.

En die verwachtingen werden verwezenlijkt.

Galant bood Baxter stoelen aan en weldra was hij omringd door een kring van vrouwen, onder wie één, een groote, forsche vrouw, die in het bijzonder opviel.

„Kom, Margot, je wilt mij toch niet ontrouw worden?” [10]klonk het schertsend van een der tafeltjes, waar de „vriend” van Margot zat.

De groote vrouw antwoordde:

„Hij is minstens zoo mooi als jij en als hij goed betaalt, wel, waarom dan niet?”

Een luid gelach weerklonk, toen zij op Baxters schoot ging zitten en haar volle, vleezige armen om zijn schouders legde.

De detective van Scotland Yard gevoelde zich niet op zijn gemak.

Hij had het gesprokene, echte Parijsche achterbuurttaal, niet begrepen en vond de brutaliteit dezer vrouw meer dan onaangenaam.

Zijn beide geleiders probeerden om hem van zijn zwaar „schootkindje” te bevrijden, maar de andere meisjes hielden hen terug met de woorden:

„Och kom, wij doen uw Engelschman immers geen kwaad! Wij willen alleen maar, dat hij zich amuseert!”

De eenzame gast in de werkmansblouse keek glimlachend naar het tooneeltje, want hij zag duidelijk, dat Baxter zich volstrekt niet amuseerde met deze vrouwspersoon, die het hem met haar opdringerigheid meer dan lastig maakte.

Plotseling kwam er beweging in de groep.

Baxter sprong op en zijn beide handen omknelden de vuisten van Margot, die in haar vingers een portefeuille hield.

„Geef mijn portefeuille terug!” riep Baxter uit, maar de vrouw had Baxter’s eigendom reeds naar het tafeltje geworpen, waar haar „beminde” zat.

Maar zoover kwam het niet.

Bliksemsnel was de man met de werkmansblouse opgesprongen en had de portefeuille gegrepen en op hetzelfde oogenblik stormden de gasten van het tafeltje, zes in aantal, op hem aan.

Maar de vreemdeling week niet terug. Terwijl hij met de linkerhand, de portefeuille overreikte aan de toegesnelde politie-agenten, hield hij met, de rechter de mannen, die hem te lijf wilden, een pistool voor den neus.

„Wie een stap voorwaarts doet, krijgt een kogel door, de hersens!”

Als aan den grond genageld bleven de Apachen staan en doodsche stilte heerschte een oogenblik in het vertrek.

Plotseling riep een heesche vrouwenstem:

„Draai het licht uit!”

Snel stak de vreemdeling zijn hand in den zak.

Reeds op hetzelfde oogenblik waren de vier gasvlammen uitgedoofd, maar tezelfdertijd verlichtte een electrische zaklantaarn met helderen schijn het tooneel.

Geen der kerels waagde het, den man, die in dreigende houding tegenover hen stond, te naderen.

Alleen Margot, die in het korte oogenblik van duisternis achter hem geslopen was, sprong nu als een tijger, op hem en greep hem met beide handen in den baard.

De man keerde zich om, om het wijf van zich af te schudden, maar het was te laat, Margot viel reeds op den grond en trok in haar val een valschen baard, een pruik en de pet van den vreemdeling mee

Als door den bliksem getroffen staarde Baxter, die op den achtergrond gebleven was, naar den man, die zoo dapper zijn partij had gekozen en als een kreet klonk het van zijn lippen:

„Raffles, dat is Raffles! Houdt hem vast!”

Met een „vervloekt!” doofde Raffles, want hij was het, zijn electrisch licht uit, maar reeds hielden de beide reuzenarmen van Pistolet hem omkneld.

„Maakt licht, ik houd hem vast!” schreeuwde Pistolet.

Het gas brandde weer, Baxter, de beide agenten en de Apachen drongen nu om den man heen, die, zonder zich te kunnen verdedigen, in de armen van den herbergier was geklemd.

De strijd om de portefeuille scheen vergeten te zijn.

Er was nu slechts één ding, dat elks belangstelling gaande hield.

Raffles, de groote onbekende, van wien ontelbare legenden de rondte deden, stond te midden van hen.

„Geef de boeien!” riep Baxter.

Raffles verbleekte. [11]

„Wat, gij wilt mij hier, te midden van de menschen tegen wie ik u heb beschermd, gevangennemen?” riep hij tot Baxter in het Engelsch.

„Dat laat mij koud!” hoonde de detective, „ik ben blij, dat ik u heb, ontsnappen zult gij mij niet meer!”

De beide agenten deden den gevangene handboeien aan, zijn voeten werden gebonden en Pistolet, die blij was dat hij der politie een dienst kon bewijzen zonder de Apachen te benadeelen, droeg den weerloozen Raffles de keldertrap op naar een rijtuig, dat men had laten aanrukken.

Hierin namen, behalve de gevangene, ook Baxter en de beide politie-agenten plaats.

De drie mannen hielden gedurende den rit hun geladen revolvers in de hand, als vreesden zij nog de zelfverdediging van den geboeiden Raffles.

Een blik vol oneindige verachting uit Raffles’ oogen trof Baxter.

„Gij zult niet lang pleizier hebben van uw vangst. Ik verzeker u, dat ik eerder vrij ben dan gij vermoedt.”

„Laat dat rustig aan mij over,” antwoordde Baxter.

„Dezen keer ontsnapt gij mij niet, al moest ik u ook aan mijn eigen lichaam vastbinden!”

En steeds verder ging de tocht naar het gerechtsgebouw, waar Raffles, de Groote Onbekende, tegen 1 uur in den morgen werd opgesloten.