[Inhoud]

VIERDE HOOFDSTUK.

DE MOORD.

In „De Wakende Engel” werd alles weer rustig en gewoon, nadat Raffles was weggebracht, Dergelijke voorvallen zijn voor dit publiek niets buitengewoons. Bloedige gevechten met de politie komen in hun omgeving bijna dagelijks voor en omdat het dezen keer een vreemdeling gold, een man, met wien zij persoonlijk niets te maken hadden, was de oude stemming spoedig weer teruggekeerd.

Tegen twee uur in den morgen begon de kroeg leeg te loopen, en toen de oude houten klok, die haar eentonig getik deed hooren, twee doffe slagen deed hooren, zette Pistolet nog een groote flesch rooden wijn neer op het tafeltje, waaraan Margot en twee Apachen waren blijven zitten.

Daarop sloot de waard de kelderdeur, draaide drie van de vier gaslichten uit en nam bij het drietal aan het tafeltje plaats.

„Jij hadt ons door die vervloekte portefeuille van den Engelschman bijna den geheelen avond bedorven”, sprak Pistolet op ontevreden toon tot Margot.

„Ja, zoo’n stommerik!” meende een der beide Apachen. „Het is de moeite waard, zoo’n uitgehongerden detective te plunderen, als een goed zaakje op je wacht!”

Margot trok zich van deze verwijten niets aan, vooral omdat zij merkte, dat Letourneur, haar minnaar, haar partij trok.

„Laat haar met rust”, mompelde Letourneur. „Houd op met dat gezanik, het is goed afgeloopen en daarmee uit! We hebben nu geen tijd om verwijten te maken, want dat andere geschiedenisje moet om half vijf achter den rug zijn.”

De beide anderen schenen dit ook in te zien en Pistolet sprak nu tot Margot: [12]

„Nou, wat ben je aan den weet gekomen?”

„Alles!” antwoordde het meisje vol zelfvoldoening.

„Het zal wel van een leien dakje gaan, maar de oude schijnt iets op zijn geweten te hebben, want ze hebben hem vanmiddag twee agenten in huis gestuurd”.

„Vervloekt!” riep Crachat uit.

„Dan kunnen we dus voorloopig niets beginnen”, mompelde Pistolet.

„Jawel”, viel Margot haastig in. „De beide agenten zijn in het tuinhuis onder dak gebracht en Menuisier’s slaapkamer, waar de brandkast staat, bevindt zich aan de voorzijde van het huis. Wat daar gebeurt, behoeft men achter niet te hooren.”

En vol trots, omdat haar mededeelingen zoo belangrijk waren, vervolgde zij:

„Jullie weet, dat mijn tante, de oude Coralie, huishoudster is bij Menuisier. Vroeger was zij zijn liefje. Ik bezoek haar zoo eens in het halve jaar. Nu kwam Letourneur op den verstandigen inval, dat bij den oude wel iets te halen zou zijn.

Zooals we hadden afgesproken, ben ik er vanmiddag weer heen gegaan.

Er is daar iets niet in orde, al weet ik niet precies wat, want mijn tante weet het ook niet. Ik denk, dat Menuisier ook een bak heeft uitgehaald, want sinds elf uur vanmorgen wordt het achterhuis door twee agenten bewaakt en de oude ligt ziek in bed.”

„Blijft de politie er den geheelen nacht?”, vroeg Crachat.

„Om de vier uur worden zij afgelost”, vertelde Margot, „maar in het voorhuis is niets te vreezen, want zij moeten in het tuinhuis blijven.”

„Dat begrijp ik niet”, sprak Pistolet schouderophalend.

Op brutalen toon echter mengde Letourneur zich in het gesprek.

„Dat gaat ons niets aan. Als zij elke vier uur worden afgelost, betrekt nu om drie uur een nieuwe wacht het tuinhuis. Daarop wachten wij en daarop sluipen we aan de voorzijde het huis binnen.”

„Maar hoe zullen wij binnenkomen zonder lawaai te maken?” vroeg Crachat.

Op deze vraag scheen Margot gewacht te hebben.

Zij haalde uit den zak van haar japon een bos sleutels te voorschijn.

„Hier”, sprak zij, zonder verdere verklaring.

„De huissleutels?” vroeg Pistolet

Margot knikte bevestigend en vol trots voelde zij de bewonderende blikken van haar makkers op zich gericht.

„Ik heb ze mijn tante afgenomen zonder dat die het gemerkt heeft”, berichtte zij met een vroolijk lachje.

„Nu, dan durven jullie zeker wel, helden!” bromde Letourneur en met een energiek „vooruit!” stond hij op.

De anderen volgden hem, aarzelend weliswaar, maar zonder zich tegen zijn vastberadenheid te durven verzetten.

Pistolet haalde nu een kleine dievenlantaarn te voorschijn, die hij aanstak. Daarop draaide hij ook de laatste gasvlam uit en nu ging het gezelschap, de vuile portière op zij schuivend, de keuken binnen, waar zij langs een smal trapje het sous-terrain van het huis bereikten.

Pistolet lichtte hen bij, daarop sloot hij zijn lantaarn, stak die bij zich en opende de buitendeur.

Nu stond het clubje op straat.

„Hebben jullie de werktuigen?” vroeg Letourneur aan de beide mannen en op hun bevestigend antwoord vervolgde hij:

„Goed, ik heb de sleutels, jullie blijft bij elkaar, ik ga met Margot, wij vinden elkaar bij den Arc de Triomphe.”

Margot en haar galant verdwenen in de donkere straat en begaven zich naar de Place de la Bastille.

Daar stonden verscheiden huurrijtuigen, waarvan zij er een namen en tot aan het eind van de Avenue des Champs-Elysées reden.

Te voet gingen zij naar den Arc de Triomphe, in [13]welks donkere schaduw Crachat en Pistolet reeds op hen wachtten.

„Vooruit!” riep Letourneur tot de beide mannen en zonder verder een woord samen te wisselen, liepen zij samen langs de Avenue Mac Mahon naar de Rue Bayen.

Het huis van Menuisier was reeds op den hoek der straat duidelijk zichtbaar en het moest drie uur zijn, want juist werd de huisdeur geopend en de oude Coralie liet twee agenten uit, die door hun makkers waren afgelost.

Crachat en Pistolet waren naar de overzij van de straat geslopen on niet gezien te worden en Letourneur liep gearmd met Margot verder, als een verliefd paartje op een nachtelijke wandeling.

De beide politieagenten passeerden hen rakelings.

Bij den hoek van de eerstvolgende zijstraat ontmoette het viertal elkaar weer.

Zoo kort mogelijk werd nogmaals overlegd, wat hun te doen stond.

Volgens Margot’s meening viel er, bij de doofheid van Coralie, niet te vreezen, dat deze eenig geluid aan de voordeur zou hooren, maar toch was het zaak, deze zoo zacht mogelijk open te sluiten, om niet de nieuwsgierigheid der politieagenten in het tuinhuis op te wekken.

„Dat zal ik wel klaarspelen”, sprak Letourneur, terwijl hij een oliekannetje uit een van zijn zakken te voorschijn haalde. Een gedeelte van de olie liet hij in het sleutelgat loopen, daarop stak hij voorzichtig den sleutel in het gat, draaide dezen onhoorbaar om en opende de deur.

Met ingehouden adem sloop de bende naar binnen, terwijl Letourneur de deur weer sloot.

Het was donker beneden in het huis, slechts in den tuin viel een zwakke lichtstraal door de vensters van het tuinhuis.

„Daar bevinden de agenten zich!” fluisterde Margot. Daarop gaf zij, omdat zij de inrichting van het huis kende, haar minnaar een hand en leidde hem de trap op, die naar de woning van Menuisier voerde.

De anderen volgden terstond.

„Wat moeten wij met de oude Coralie doen?” vroeg Crachat. „Als zij ons ziet, roept zij om hulp”.

„Die is er geweest, voordat zij haar muil kan roeren!” beet Letourneur hem toe.

Daarop haalde hij zijn sleutels te voorschijn om de gangdeur open te sluiten, maar deze moeite kon hij sparen, want de oude Coralie had de deur nog niet op het nachtslot gedaan.

Het viertal betrad nu de gang, maar reeds op den drempel bleven zij staan, want in de keuken brandde licht en bij het fornuis stond, met den rug naar hen toegekeerd, Coralie, die bezig was, een of ander gerecht klaar te maken.

Langzaam sloop Letourneur naar de openstaande keukendeur, alleen Pistolet volgde hem; in zijn rechterhand schitterde een korte dolk.

Toen Margot’s beminde den drempel der keukendeur had bereikt, draaide de oude Coralie zich om.

Haar blik viel op de beide mannen, die in de deuropening stonden.

In groote ontzetting sperde zij haar doffe oogen wijd open, zij wilde schreeuwen, maar reeds was Letourneur op haar toegesprongen, zijn lange, beenige vingers omklemden den mageren hals der oude vrouw.

Een dof geluid kwam van haar lippen.

„Stoot toe!” beval Letourneur, en zonder aarzelen stiet Pistolet den dolk zoover mogelijk in het hart der oude huishoudster.

Coralie’s lichaam schokte, haar magere armen, die wanhopige pogingen deden om Letourneurs handen te grijpen, vielen slap neer en haar wijdgeopende oogen bleven met starenden blik op haar moordenaars gericht. Daarop ging nogmaals een rilling door het geheele lichaam en zij was dood.

Letourneur, wiens handen nog steeds den hals der vrouw omspannen hielden, liet het lijk langzaam op den vloer zakken en ging met Pistolet naar Margot en Crachat, die bij de keukendeur het tooneel hadden gadegeslagen.

„Waar slaapt de oude man?” vroeg Letourneur fluisterend. [14]

Margot wees naar een deur aan het eind van de gang.

„Wij mogen niet wachten, tot hij wakker wordt”, meende Pistolet, „want als hij schreeuwt, zijn wij verloren!”

„Die wordt stom gemaakt”, antwoordde Letourneur, „en jij knapt dat zaakje op, Crachat. Margot blijft bij de deur staan om op te passen, terwijl Pistolet en ik de brandkast openen”.

Crachat verbleekte.

„Moet ik den oude dooden?”

„Lafaard!” sprak Letourneur op minachtenden toon, maar Margot maakte een eind aan het gesprek.

„Laat Crachat op den loer staan, ik neem den oude voor mijn rekening. Zoo’n afgeleefden kerel durf ik wel aan!”

Letourneur keek haar aan met een blik vol dankbare bewondering. Zij nam Crachat zijn dolk uit de rechterhand en naderde vastberaden de deur van Menuisiers slaapkamer.

Terwijl zij de deur opende, verlichtte Pistolet’s lantaarn reeds de kamer. In een hoek stond het bed, waarin de woekeraar sliep.

Of liever—hij sliep niet.

Door de gebeurtenissen van den vorigen dag kon hij den slaap niet vatten en toen een heldere lichtstraal in zijn kamer viel, richtte hij zich met een ruk in zijn bed op.

Voordat hij zich rekenschap kon geven, wie hem in dit ongewone uur kwam storen, voelde hij den last van een zwaar lichaam, dat zich op hem wierp.

Margot was op de borst van den ouden man gesprongen. Met haar linkerhand trachtte zij zijn hoofd in de kussens te drukken, terwijl zij in de andere hand den dolk zwaaide.

Maar de wanhoop gaf den grijsaard onnatuurlijke kracht. Terwijl zijn hijgend gekreun in de kussens verstikt werd, woelden zijn vingers in den zwarten haardos van zijn vijandin. Met de linkerhand greep hij naar het doodend wapen en plotseling had hij de greep beetgepakt.

Met zijn rechterhand trok hij met alle kracht aan de haren der vrouw, die het uitgilde van pijn en den dolk losliet.

„Help! kom gauw, de kerel is sterker dan ik dacht!” riep zij tot de anderen en Pistolet en Letourneur snelden naar het bed.

Maar het was te laat.

Menuisier had met zijn linkerhand den dolk vastgegrepen en dezen in Margot’s zijde gestooten.

Met een vloek viel Pistolet’s vuist nu neer op het hoofd van den woekeraar, die bewusteloos achterover viel. Daarop trok hij het mes uit Margot’s wonde en stiet het in het hart van Menuisier.

Letourneur had Margot op den vloer neergelegd en trachtte nu tevergeefs het bloed te stelpen, dat uit de wond stroomde.

„Laat mij”, klonk het kermend van de lippen van het jonge meisje.

„Het is met mij gedaan, laat mij stil liggen, kijkt, wat je pakken kunt en maak, dat je wegkomt”.

„Verbind haar wond met een zakdoek”, fluisterde Pistolet tot Letourneur. „Ik haal intusschen de brandkast leeg, daarna zullen wij zien, hoe wij haar weg brengen”, en dadelijk begon hij zijn plan ten uitvoer te brengen, terwijl Crachat sidderend en hulpeloos op eenigen afstand toekeek, hoe Letourneur zich bezig hield met het stervende meisje.

De oude ijzeren brandkast bood niet veel weerstand. Spoedig sprong de deur open, maar een nieuwe verrassing wachtte hier den waard van de „Wakende Engel.” De kast was leeg, alleen eenige boeken en een pak quitanties lagen voor hem en hoe nauwkeurig hij met zijn lantaarn ook alles doorzocht, aan geldswaarde was niets te vinden.

Met een woedenden vloek wendde hij zich tot Letourneur, die nog steeds op den grond geknield lag, maar die scheen geen belang meer in de zaak te stellen, want vóór hem lag Margot te sterven.

„Gaat gauw heen, maakt dat gij wegkomt, laat mij hier”, stiet zij er met moeite uit; daarop viel zij achterover en was een lijk. [15]

Letourneur richtte zich op.

„Wij moeten haar meenemen”.

„Dat zou nergens voor dienen”, antwoordde Pistolet. „Wij kunnen haar toch niet meer levend maken en als wij haar nu hier vandaan sleepen, verraden wij onszelf. Laat dat dus en kom mee!”

Alle trots scheen in Letourneur gebroken te zijn; willoos liet hij zich met den van vrees sidderenden Crachat naar buiten schuiven.

Pistolet had nog de tegenwoordigheid van geest, om de gangdeur af te sluiten, opdat het zoo lang mogelijk zou duren, eer de lijken werden ontdekt.

Daarop ging het drietal de trap af naar beneden en nadat zij voorzichtig de huisdeur achter zich in het slot hadden getrokken, stonden zij op straat.

Maar nu bekroop ook Pistolet een groote vrees en, als door duivels achterna gezeten, snelden de drie misdadigers de straten door.