[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

GEVANGEN.

Groote opgewondenheid heerschte den volgenden morgen in de Fransche hoofdstad.

Raffles, de beruchte Lord Lister, was gevangen genomen.

Men had hem aangetroffen in een hol van de Apachen en de man, met wiens gevangenneming de overheidspersonen van alle beschaafde landen zich reeds maandenlang bezighielden, op wiens hoofd de Londensche politie de som van duizend pond had gezet, die man bevond zich sinds den gepasseerden nacht in de gevangenis van het Parijsche gerechtshof en zou voor de eerste maal voor den rechter van instructie gebracht worden.

Alle couranten bevatten kolommenlange artikelen over de zaak met opvallende, zeer in het oog loopende opschriften.

De camelots, de echte Parijsche courantenverkoopers, maakten uitstekende zaken.

Voor de café’s en op de straat, aan de stations en in de restaurants, overal trok men hun de couranten uit de handen en de belangstelling van iedereen scheen zich te concentreeren op de gevangenneming van dezen geheimzinnigen man.

Charly Brand, de vriend van Raffles, die onder den naam Mc Allan de villa bewoonde, welke Raffles als de Amerikaan Harrison in de Avenue du Bois de Boulogne bezat, nam juist het ochtendblad op, dat hem elken morgen tegelijk met zijn ontbijt werd binnengebracht.

Hij wist niets van alles wat er gebeurd was, want het geschreeuw van de courantenjongens werd niet gehoord in deze voorname wijk van de stad.

Wel had hij zijn vriend in twee dagen niet gesproken, maar daarin lag niets buitengewoons.

Raffles was dikwijls dagen achtereen verdwenen en als hij dan terugkeerde, stelde Charly hem geen enkele onbescheiden vraag omtrent het gebeurde der laatste dagen.

Hij wist, dat Raffles uit principe alleen dan met hem over zijn aangelegenheden sprak, als dat beslist noodig was.

Dat was in Charly’s eigen belang, want hij zou anders de medeplichtige zijn van den meesterdief. En het was beter, dit zooveel mogelijk te vermijden.

Charly nam het nummer van de „Matin” op en vouwde het blad open. [16]

Onmiddellijk viel zijn blik op het opschrift, dat in reuzenletters prijkte boven een artikel, dat de geheele eerste pagina in beslag nam:

Raffles in Parijs gevangen genomen!

Vol ontzetting sprong hij op.

Wat was dat?

Zijn vriend gevangen genomen?

Raffles in handen gevallen van de politie?

Met koortsachtige haast boog hij zich weer over de courant, waarin hij alles las.

Van Baxter’s aanwezigheid in Parijs, van het tooneel dat zich had afgespeeld in de kroeg „De Wakende Engel”.…. de courant was goed ingelicht; men vertelde, dat Raffles in een cel der gevangenis van het gerechtsgebouw was opgesloten en dien morgen om elf uur voor het eerst voor den rechter van instructie Bastien gebracht zou worden.

Charly had het geheele artikel gelezen en deed nu zijn best om zijn groote ontroering meester te worden.

Hij dacht slechts aan dit ééne: hoe het hem mogelijk zou zijn, zijn vriend uit den nood te helpen.

Hij zag nog niet in, hoe hem dit zou kunnen gelukken, maar vóór alles besloot hij, zoo mogelijk, in de nabijheid van Raffles te komen en hij haastte zich om zijn toilet te voltooien en zich naar het paleis van justitie te begeven.

Het was bijna elf uur, toen hij het hek bereikte, dat het voorplein van het Parijsche gerechtsgebouw van de straat scheidt.

Een talrijke menigte omringde het gebouw en de naam van Raffles zweefde op aller lippen.

Charly trad naar binnen en behoefde niet lang naar den weg in het gebouw te zoeken, want de stroom van nieuwsgierigen wees hem vanzelf aan, waar het cabinet van den rechter van instructie zich bevond.

Hij liep de gang door, aan wier eind zich het vertrek bevond, en nog steeds zonder eigenlijk plan wat hem te doen stond, drong hij langs de groepen nieuwsgierigen, toen hij bij een der vensters Baxter zag staan, die omringd was door meerdere Fransche journalisten.

In een oogwenk rijpte een plan in zijn hersens en zonder langer na te denken, in hoeverre hij het zou kunnen volvoeren, naderde hij de groep bij het raam en, terwijl hij de Parijsche reporters in de rede viel, riep hij in het Engelsch:

„Neem mij niet kwalijk, kapitein Baxter!”

De Engelsche detective, verrast zijn moedertaal te hooren, wendde zich tot den vreemdeling en zonder een vraag af te wachten, vervolgde Charly in het Engelsch:

„Ik ben de Parijsche verslaggever van de „Times” en zou graag eenige bijzonderheden van u weten.”

Deze woorden hadden een verrassende uitwerking.

Dadelijk liet hij de Fransche journalisten in den steek, om zich uitsluitend tot den voorgewenden vertegenwoordiger van het groote Engelsche blad te wenden.

Zijn ijdelheid was opgewekt en hij zag plotseling de mogelijkheid voor zich, om in het grootste en meest gelezen blad van het Vereenigd Koninkrijk schitterend reclame te maken.

Zonder verdere vragen van Charly af te wachten, begon hij hem inlichtingen te verstrekken.

Hij vertelde hem het voorgevallene en eindigde met de woorden:

„Dezen keer heb ik hem vast, daar binnen”, hij wees op een deur naast de kamer van den rechter van instructie, door twee agenten bewaakt, „daar zit hij en dezen keer ontsnapt hij mij niet!”

Charly beefde van opgewondenheid.

Daarbinnen, slechts door een kleine deur van hem gescheiden zat zijn vriend en hij moest hier buiten wachten, zonder hem te kunnen helpen.

Zelfs zien mocht hij hem niet, geen enkelen blik met hem wisselen.

Maar met goed gespeelde onverschilligheid wendde hij zich weer tot den detective tot wien hij, zoo langs zijn neus weg, sprak:

„Ik heb indertijd dien Lord Lister eens in Londen gezien. Zou ik mij er even persoonlijk van mogen overtuigen, of hij in dien tijd veel veranderd is?”

„O ja, ik kan u wel even binnen brengen, maar [17]slechts voor weinige oogenblikken”, antwoordde Baxter, die alles in het werk stelde om een prachtig artikel in de Times te krijgen en, terwijl hij vertrouwelijk zijn arm door dien van Charly stak, ging hij met hem naar de deur, waarvoor de twee agenten de wacht hielden.


Raffles had den vreeselijksten nacht van zijn geheele leven doorgebracht.

Toen Baxter hem door de Fransche agenten van politie in een der cellen had laten opsluiten, begon hij in te zien, dat zijn toestand zeer hachelijk was.

Zijn polsen waren geboeid, zijn wapens en alles wat hij verder bezat, was hem afgenomen en toen hij in zijn eenzame cel over zijn lot begon na te denken, zag hij geen kans, dezen keer aan de justitie te ontsnappen.

Zelfs al zou het hem gelukken om de sterke riemen, die de handboeien met elkaar verbonden, los te maken, dan zou hem dat weinig kunnen baten.

Want uit deze cel, die bovendien nog voor deze gelegenheid onder bijzonder toezicht stond van een aparte wacht, zou hij niet kunnen ontsnappen.

Mistroostig wierp hij zich op de smalle matras en trachtte te slapen, maar het gelukte hem niet.

Ontelbare gedachten en plannen gingen door zijn hoofd, maar hij verwierp ze alle dadelijk weer, totdat hij het eindelijk opgaf, zijn hersens verder te kwellen. In stille berusting strekte hij zich uit op de harde legerstede om na te denken over hetgeen hem nu te wachten stond.

Raffles was er de man niet naar, om berouwvol terug te denken aan de dingen, die achter hem lagen.

Hij zou zijn lot dragen en hoopte, dat het toeval, dat hem reeds zoo dikwijls gunstig was geweest, hem ook in de toekomst wel weer zou dienen.

Zonder verder over de dingen na te denken wachtte hij, met starende oogen in het donker kijkend, het aanbreken van den dag af.

Om 7 uur in den morgen bracht een opzichter hem een groote kom koffie met wittebrood. Maar omdat de beambte weigerde, Raffles van zijn boeien te ontdoen, liet de gevangene het ontbijt onaangeroerd en bleef rustig wachten, tot men eindelijk kwam om hem te halen.

Twee soldaten liepen met gevelde bajonet naast hem, terwijl een opzichter der gevangenis hun voorging om den weg te wijzen.

In een kleine kamer naast het kabinet van den rechter van instructie werd hij binnengebracht. Een bank, die aan den muur was vastgetimmerd, vormde het geheele ameublement en het eenig venster was voorzien van dikke ijzeren tralies.

Raffles bleef alleen in de kamer, maar hij wist, dat de deuren bewaakt werden en hij had niet de minste hoop, van hier te kunnen ontvluchten.

Hij had nog geen enkel plan gemaakt, hoe hij zich tegenover den rechter van instructie zou gedragen en eerst nu begonnen zijn gedachten zich daarmee bezig te houden.

Onverschillig, alsof hij zich in de wachtkamer van een dokter bevond, ging hij op de bank zitten om na te denken.

Plotseling werd de deur geopend, de beide wachten traden binnen en op hen volgden Baxter en— —Raffles durfde zijn oogen niet gelooven—achter den detective van Scotland Yard volgde Charly Brand.

In het eerste oogenblik dacht hij, dat Charly ook in hechtenis was genomen, maar dadelijk daarop begreep hij uit de ongedwongen manier waarop zijn vriend met Baxter sprak, dat het Charly gelukt was door de een of andere list hier binnen te komen.

Om zijn vriend, wiens plannen hij niet kende, niet in de wielen te rijden, bleef Raffles kalm en onverschillig, alsof het binnentreden van dezen persoon hem niet interesseerde.

Hij hoorde Charly vragen, of hij met den gevangene mocht spreken, waarop Baxter zich tot Raffles wendde.

„Raffles, hier is een verslaggever van de Times, die u graag een paar vragen, zou stellen.”

Bliksemsnel begreep Raffles, op welke wijze zijn dappere vriend zich toegang had weten te verschaffen en Charly, die eerst nu de leeren riemen zag, waarmee de handen van zijn vriend samengebonden waren, [18]haalde, terwijl hij eenige onbeduidende vragen deed, een zakmes te voorschijn, opende dat en begon zijn potlood te slijpen.

Plotseling viel het mes op den grond, Charly bukte zich en terwijl zijn linkerhand het wegrollende potlood greep, schoof hij met de andere met een haastige beweging het geopende zakmes onder de bank.

De truc was gelukt, Baxter noch de beide beambten hadden iets gemerkt, alleen aan Raffles was niets ontgaan en hij ging op zoodanige wijze voor de bank staan, dat het mes niet toevallig ontdekt kon worden.

Hij uitte den wensch om weer alleen te zijn en op onvriendelijken toon sprak hij tot den journalist:

„Mijnheer, ik geef u verder geen inlichtingen voor uwe courant; voor den rechter van instructie zal ik spreken, eerder niet!”

Baxter troostte Charly door hoonend op te merken:

„De Lord is niet in een goede bui en u begrijpt zeker wel waarom, maar ik zal u later alles vertellen, wat hij aan den rechter van instructie heeft opgebiecht.”

Daarop ging hij met den verslaggever van de Times weer heen, terwijl de beide wachten hun post voor de deur weer innamen.

Raffles was alleen.

Nauwelijks was de deur weer gesloten, of hij viel op de knieën en haalde met zijn samengebonden handen, waarvan hij de vingers gelukkig vrij kon bewegen, het mes van onder de bank te voorschijn, dat daar geopend op den vloer lag.

Hij dacht een oogenblik na, daarop nam hij het heft van het mes in den mond en, terwijl hij het stevig tusschen zijn tanden klemde, schoof hij het scherpe staal tusschen de tamelijk vast aaneengebonden polsen en met een krachtigen ruk sneed hij de leeren riemen door.

Hij kon zijn armen nu vrij bewegen; wel droeg hij aan iederen pols nog den ijzeren band, maar die hinderden hem niet in zijn bewegingen.

Hij nam het mes, stak het in zijn zak en daar hij op dat oogenblik schreden voor de deur hoorde, drukte hij zijne handen weer tegen elkaar en tegen zijn lichaam aan, zoodat het onmogelijk was om op te merken, dat de boeien doorgesneden waren.

Hij had zich niet vergist.

De deur, die naar het kabinet van den rechter van instructie leidde, werd geopend, twee andere soldaten kwamen binnen en namen Raffles mee om verhoord te worden.