[Inhoud]

ZESDE HOOFDSTUK.

DE ONTDEKKING.

De commissaris van politie in de Avenue Niel was zeer gebeten op den heer Menuisier, die onder zijn afdeeling behoorde.

Ten gevolge eener zaak, waarvan de rechter van instructie Bastien hem de bijzonderheden niet had medegedeeld, moest terwille van Menuisier bijzonder veel personeel in dienst worden gehouden sinds den vorigen dag.

Een deel van de luidjes moest dag en nacht aan den gewonen dienst worden onttrokken, teneinde den post te bezetten in het tuinhuis van de Rue Bayen.

Het was half elf in den morgen. [19]

De commissaris was juist zijn bureau binnengekomen en bijna op hetzelfde oogenblik kwam van het paleis van justitie het telephonisch bevel om Emile Menuisier dadelijk in hechtenis te nemen en voor den rechter van instructie Bastien te geleiden.

De commissaris hing de telefoon aan den haak en stiet een verwensching uit.

Hij zou het dien Menuisier inpeperen, aan dien kerel zou hij zijn booze bui koelen en, met het doel, de inhechtenisneming persoonlijk te leiden, riep hij twee van zijn brigadiers binnen, met wie hij het commissariaat verliet.

Hij belde aan het huis in de Rue Bayen.

Maar niemand deed open en toen hij eindelijk vol ongeduld tegen de deur beukte, naderden schreden en de deur werd geopend, maar niet door Menuisier of de huishoudster.

Een van de politieagenten, die in het tuinhuis de wacht hielden, deed open.

„Hoe komt het, dat gij opendoet?” vroeg de commissaris op onvriendelijken toon.

„Mijnheer de commissaris, daar boven beweegt zich niets”, antwoordde de agent, „zij schijnen vast te slapen, want toen wij kwamen aflossen, heeft onze kameraad ons ook opengedaan.”

„Ik zal Menuisier dan in zijn slaapje moeten storen”, bromde de commissaris en, gevolgd door de twee brigadiers, ging hij naar boven.

Daar belde hij weer. Maar hij kreeg geen antwoord, ook niet, toen hij met gebalde vuisten op de deur sloeg.

„Ik denk, dat de kerel heeft begrepen, dat hij niet veilig meer was en ’m gesmeerd heeft!” sprak hij tot zijn ondergeschikten en een van hen beiden gaf hij het bevel:

„Haal een smid om de deur te openen!”

De smid kwam met zijn gereedschap.

Eenige minuten later ging de deur open en de commissaris ging met de brigadiers naar binnen.

Maar nauwelijks hadden zij eenige schreden afgelegd, of zij bleven vol ontzetting staan.

Door de openstaande keukendeur zagen zij het lijk van de oude Coralie op den steenen vloer liggen.

De commissaris boog zich over het ziellooze lichaam der oude vrouw, maar plotseling weerklonk een doordringende gil van den anderen kant van de gang.

De beambten keken verschrikt op.

Voor hen stond de smid met uitpuilende oogen. De haren van den man rezen van ontzetting te berge en over alle leden sidderend en bijna niet in staat om een woord te spreken, stamelde hij, terwijl hij naar de deur aan het andere uiteinde van de gang wees:

„Daar liggen nog twee!”

Snel drongen de commissaris en zijn helpers langs den van schrik verlamden smid de slaapkamer van Menuisier binnen.

Het vertrek was in schemerdonker gehuld, de gordijnen waren gesloten en door de verkleurde donkerroode overgordijnen scheen het daglicht slechts flauwtjes naar binnen.

Op het bed kon men duidelijk Het lijk van Menuisier onderscheiden. Een uitdrukking van doodsangst lag over de verwrongen trekken en naast het bed rustte het lijk van een groote, forsche vrouw, in een plas bloed.

Snel had een der beambten de gordijnen opgehaald en de commissaris kon nu alles beter opnemen.

Uit de monden der beide lijken liepen nog dunne bloedstraaltjes, maar alle leven was uit de lichamen geweken. Het zou vruchteloos zijn, hier nog te trachten, redding te brengen.

De commissaris van politie was opgestaan. Op het oogenblik had hij totaal vergeten met welk doel hij hier was gekomen. Maar nu herinnerde hij zich weer, dat de rechter van instructie Bastien op de komst van Menuisier wachtte.

Juist wilde hij zijn ondergeschikten zijn orders geven, toen de oudste der beide brigadiers zich tot hem richtte met de woorden:

„Commissaris, ik ken die vrouw,” en hij wees naar het lichaam van Margot.

„Zoo, wie is zij?” [20]

„Een prostituée, die bij ons bekend staat onder den naam Margot la Brune, ik heb meer dan eens met haar te maken gehad, toen ik nog in functie was op het commissariaat op de Place de la Bastille.”

„Ga dan dadelijk naar het Bureau en deel den commissaris op de Place de la Bastille mee, dat het lijk van die vrouw hier gevonden is.

„Gij”, en hij wendde zich tot den anderen brigadier, „moet hier in huis blijven met den smid, opdat er geen onnoodig spectakel in de buurt wordt gemaakt.

Ik rijd zelf naar het paleis van justitie, stel den rechter van instructie in kennis van het gebeurde en breng tegelijkertijd rapport uit aan den chef van den veiligheidsdienst.”

Hij nam zijn hoed op en toen hij op den drempel den smid zag staan, die bleek en met angstig verwrongen gelaat naderbij gekomen was, riep hij hem toe:

„Kom kerel, wees niet zoo flauw! Die drie doen je niets meer!”

En zoo snel hij kon, ijlde de commissaris de trap af, om den rechter van instructie te gaan melden, waarom hij het bevel om Menuisier in hechtenis te nemen, niet had kunnen volvoeren.