[Inhoud]

ZEVENDE HOOFDSTUK.

HET VERHOOR.

Bastien zat in zijn bureau en naast hem had kapitein Baxter plaats genomen, toen de deur geopend werd en twee agenten den geboeiden Raffles binnenbrachten.

Een haastige blik van den gevangene stelde dezen op de hoogte van den toestand.

Op de tafel van den rechter van instructie lag zijn Browning revolver en zijn electrische gaslantaarn, die men hem had afgenomen en toen Bastien hem nu verzocht op een stoel, die op eenigen afstand van de schrijftafel stond, plaats te nemen, kon Raffles zich ervan overtuigen, dat het breede raam van Bastien’s particulier kabinet niet getralied was.

De beide bewakers hadden zich op een wenk van den rechter verwijderd en terwijl de ambtenaar, die zijn zenuwachtige opgewondenheid over de belangrijke zaak, die hem beroemd zou maken, nauwelijks meester was, nog eenigen tijd in de voor hem liggende akten bladerde, keek de gevangene door het venster naar beneden in het troebele water van de Seine.

Bastien nam nu het woord:

„Raffles,” sprak hij, maar nog voordat hij door kon spreken, viel de gevangene hem in de rede met de woorden:

„Ik heet Lord Lister en daar ik, voorloopig tenminste, niet als beklaagde, maar slechts als beschuldigde voor u sta, maak ik er aanspraak op, met mijn titel toegesproken te worden.”

Dit gevoel van zelfbewustzijn verbaasde den rechter, hij gaf echter toe.

„Goed, Mylord, dat recht hebt gij. Uw inhechtenisneming geschiedt op verzoek van de Engelsche Overheid, wier vertegenwoordiger, kapitein Baxter, daarvan een wettig bewijs in handen heeft.

Er is hier echter niet alleen sprake van uwe uitlevering naar Engeland, dat komt eerst in de tweede plaats, want gij wordt hier verdacht en wel door uw [21]eigen mededeelingen, in Frankrijk een misdaad te hebben gepleegd, die eerst door de Fransche rechters moet worden gestraft.

Bekent gij, gisteren een brief aan mijn adres gezonden te hebben, die mededeelingen bevat omtrent uw relaties met den particulier Emile Menuisier in de Rue Bayen en bekent gij verder, op tot dusver, niet verklaarde, zeer geheimzinnige wijze het tusschen u en den heer Menuisier gesloten verdrag eveneens gisteren in het tuinhuis in de Rue Bayen gedeponeerd te hebben?”

Raffles was gaan zitten. Zijn beide handen hield hij stijf aaneengedrukt tegen zijn over elkaar gekruiste knieën, om op gemakkelijke wijze te verbergen, dat zijn boeien waren doorgesneden.

Glimlachend had hij naar de woorden van Bastien geluisterd en met lichten spot antwoordde hij nu:

„Jawel, Edelachtbare, ik ontken deze dingen niet, ik heb beide brieven bezorgd.”

Bastien keek den gevangene met doordringende blikken aan.

„Mylord, wilt ge mij verklaren, op welke wijze het u gelukte, gisteren in de korte tusschenpoos, in de enkele minuten, gedurende welke de kamer verlaten was, den brief naar binnen te smokkelen?”

„Neen, het spijt mij zeer,” antwoordde Raffles lachend en op ironischen toon vervolgde hij:

„Ik zou het mijzelf nimmer vergeven, heer Bastien, als ik u de gelegenheid ontnam om in deze hoogst eenvoudige zaak uw scherpzinnigheid aan den dag te kunnen leggen.”

Bastien begon zich te ergeren.

Hij kon zich deze ironie van den gevangene niet laten welgevallen zonder zich tegenover Baxter, die naast hem zat, belachelijk te maken.

„Spaar uw geestigheden,” sprak hij op onbeleefden toon, „en wees zoo goed, mij eenvoudig op mijn vragen te antwoorden.”

Raffles bleef kalm glimlachen.

„Als ik antwoord, hebt gij dat alleen te danken aan mijn groote vriendelijkheid, Edelachtbare, want volgens Fransche wetten heb ik het rechte bij mijn verhoor hier de hulp van een verdediger te verlangen.”

„Zeker,” antwoordde Bastien, een beetje uit het veld geslagen door Raffles’ groote bekendheid met de Fransche wetten, „en als gij er op staat, zou ik het verhoor moeten afbreken, totdat een verdediger is gevonden.”

„O neen,” antwoordde Raffles lachend, „ik sta er in ’t geheel niet op, ik wilde u alleen aan het verstand brengen, dat ik van mijn goed recht op de hoogte ben en voor ’t overige kan ik mijzelf wel verdedigen.”

„Zooveel te beter voor u, dan kunnen wij doorgaan”, klonk het van Bastiens lippen,

„Slechts één ding zou ik u willen verzoeken, Edelachtbare, het is hier ondragelijk heet; misschien is het mogelijk, een venster te openen?”

In het vertrek heerschte werkelijk een drukkende hitte en Bastien, die Raffles gaarne door het inwilligen van zulk een nietig verzoek vriendelijk wilde stemmen, stond zelf op om het breede raam te openen.

Toen hij weer op zijn plaats zat, sprak hij tot Raffles:

„Ik heb bevel gegeven om den particulier Menuisier hier in uw tegenwoordigheid te brengen en hij kan ieder oogenblik verschijnen. Ik denk, dat wij van hem meer zullen vernemen dan uit uw mond.”

„Dat is wel mogelijk,” antwoordde Raffles, „en ik geef u reeds van te voren de verzekering, dat ik de bekentenissen van den heer Menuisier, van welken aard die ook mogen zijn en hoe zeer zij mij ook zouden bezwaren, niet zal tegenspreken.”

Nu fluisterde Baxter den rechter van instructie eenige woorden in het oor en Bastien sprak weer tot Raffles:

„Ik heb het recht niet, u te ondervragen betreffende de strafzaken, die gij op Engelschen bodem hebt begaan, ik kan u alleen verzoeken, u daarover vrijwillig uit te laten.”

Met een onverschilligheid, alsof het een salongesprek betrof, antwoordde Raffles:

„Neen, dat moet ik weigeren. Ik begrijp wel, dat kapitein Baxter er eenig belang in stelt, die dingen uit [22]mijn eigen mond te vernemen, hoewel hijzelf meermalen een minder nobele rol tegenover mij heeft gespeeld, maar ik zou hier niet graag met mijn daden willen bluffen, daarom kan ik uw verzoek niet inwilligen.”

Op dit oogenblik werd aan de deur, die naar de gang leidde, geklopt en op het luide „binnen” van den heer Bastien trad de buiten geposteerde politieagent binnen om den commissaris van de Avenue Niel aan te dienen.

„Aha, die brengt Menuisier mee,” riep Bastien. „Laat maar binnenkomen.”

De agent ging heen en na eenige oogenblikken verscheen de commissaris van politie in de deuropening.

„Nu, waar is de man, dien gij mij zoudt brengen?”

„Edelachtbare, Menuisier is dood.”

„Wat? Zelfmoord?” klonk het van Bastiens lippen en ook Raffles was verschrikt opgesprongen.

„Neen, Edelachtbare,” sprak de commissaris, „in zijn woning heeft zich vannacht een vreeselijk misdrijf afgespeeld. De oude man en zijn huishoudster zijn naar alle waarschijnlijkheid de slachtoffers geworden van een rooversbende, want ik vond beiden vermoord liggen.

De brandkast in Menuisiers slaapkamer is opengebroken en naast zijn bed lag een derde lijk op den vloer, een vrouw, die door een van mijn beambten werd herkend als een bekende prostituée uit de buurt van de Bastille en die bij het commissariaat van politie uit die wijk bekend staat onder den naam Margot la Brune”.

Doodelijke stilte heerschte in het vertrek. Men vergat volkomen, dat het hier eigenlijk de zaak Raffles gold; het bericht van den driedubbelen moord hield ieders belangstelling gaande.

Vooral Raffles was in groote spanning.

De tooneelen, die zich des avonds hadden afgespeeld in de kroeg „De wakende Engel” trokken bliksemsnel aan zijn geestesoog voorbij.

Bijzonderheden, waaraan hij niet eerder zijn volle aandacht had geschonken, keerden nu in zijn geheugen terug. Woorden en uitroepen, die hij had opgevangen, en waaraan hij geen beteekenis had gehecht, kregen plotseling een groote waarde voor hem.

Hij vergat zijn rol als gevangene en bijna had hij zich verraden door zijn schijnbaar geboeide handen uiteen te spreiden toen hij de pijnlijke stilte verbrak door aan den commissaris van politie te vragen:

„Hoe ziet die Margot er uit?”

Ook de commissaris vergat geheel, dat een gevangene deze vraag tot hem richtte en hij gaf antwoord.

Hij beschreef de groote, donkere vrouw met haar brutale, wilde schoonheid. Hij schilderde haar zwart haar, dat in zware golven het lage voorhoofd omgaf, haar gevulde, zinnelijke lippen, die nog in den dood bloedrood waren gebleven, die nog in den dood van woeste begeerte hadden gesproken.

Raffles luisterde naar de woorden van den commissaris en mèt hem luisterden de rechter van instructie en kapitein Baxter, op wiens gelaat steeds duidelijker een trek van misnoegen zichtbaar werd.

De commissaris had uitgesproken en nog voordat Bastien een vraag kon stellen, sprak Raffles met luide stem:

„Mijnheer de rechter van instructie ik zal u zeggen, wie de moordenaars zijn van den ouden Menuisier en zijn huishoudster!”

Sprakeloos van verbazing staarden Bastien en de commissaris den gevangene aan alsof hij een bovenaardsche verschijning was en bijna eerbiedig klonk van de lippen van Bastien de vraag:

„Ja, maar Mylord, hoe kunt gij daarvan iets weten?”

„Kapitein Baxter heeft dezelfde gedachten als ik,” ving Raffles aan, „ik zie het aan zijn ontroering, hij heeft naar aanleiding van de beschrijving van den commissaris van politie, evenals ik, in de vermoorde Margot la Brune dezelfde vrouwspersoon herkend, die gisteravond in „de Wakende Engel” beproefd heeft, hem zijn portefeuille af te nemen.

Ik was zoo dwaas, Mr. Baxter in zijn strijd tegen de schurkenbende bij te staan. In dank daarvoor nam hij mij gevangen. Als uwe agenten zich meester hadden gemaakt van die vrouw, die op heeterdaad als zakkenrolster [23]werd betrapt, dan zouden Menuisier en zijn huisgenooten nu nog leven.”

Een vragende blik van den rechter van instructie trof den Engelschen detective, wien de verklaringen van Raffles hoogst onaangenaam waren.

„Mr. Baxter, gelooft gij ook, dat deze Margot la Brune en de vrouw, van gisteravond een en dezelfde persoon waren?”

„Ja,” antwoordde Baxter eenvoudig.

Maar reeds nam Raffles weer het woord.

Het was, alsof alle rollen omgekeerd waren, alsof de gevangene het onderzoek leidde, de gevangene, naar wien de beambten vol eerbied luisterden.

„Het gaat nu niet meer om Margot”, sprak Raffles. „want zij is dood en met haar heeft de justitie niet meer te maken. Laat echter onmiddellijk den waard uit „De Wakende Engel” gevangen nemen. Ik geloof, dat de man Pistolet heet en als de schurk niet medeplichtige in deze misdaad is, dan was hem in elk geval bekend, dat deze zou worden gepleegd. Ik zal u dat dan dadelijk bewijzen.

Tracht verder twee kerels te pakken te krijgen, die bij Margot behoorden en waarvan de een Letourneur en de andere Crachat werd genoemd.”

„Ja, maar ik kan toch maar niet, omdat gij het verlangt …” viel Bastien hem op on vasten toon in de rede.

Raffles liet hem niet uitspreken.

„Jawel, dat kunt gij, laat de kerels gevangen nemen en ondervraag ze dadelijk.”

Nu wendde Baxter zich tot Bastien:

„Het verhaal van den gevangene komt mij zeer logisch voor, collega, ik zou u raden, de genoemde personen te laten gevangen nemen en ze hier met dezen man te confronteeren.”

„Hebt gij de namen onthouden?” vroeg Bastien aan den commissaris.

De beambte knikte.

„Ik heb ze genoteerd,” en hij liet zijn zakboekje zien, waarin hij eenige aanteekeningen had gemaakt, terwijl Raffles sprak.

„Tracht dan dadelijk de drie personen in hechtenis te nemen, voorzie u van zooveel hulp als gij noodig oordeelt en breng ze alle drie hier in mijn kabinet.”

De commissaris van politie maakte een buiging en ging heen.

In de kamer van den rechter van instructie heerschte eenige oogenblikken een ademlooze stilte, daarop sprak Bastien tot Raffles:

„Mylord, door dit bloedige intermezzo treedt uw zaak voorloopig op den achtergrond en zal ik eerst morgen een verhoor kunnen afnemen.”

Met een beleefden glimlach voor Bastien buigende, antwoordde de groote onbekende:

„Ik denk niet, Edelachtbare, dat ik mij morgen nog; tot uw beschikking stel.”

„Wat beteekent dat?”

De rechter keek hem vol verbazing aan en ook Baxter, was in angstige spanning opgesprongen.

Maar rustig glimlachend vervolgde Raffles:

„Ik laat het geheel aan u zelf over, heeren, om mijn woorden uit te leggen, zooals het u het beste voorkomt!”

„Probeer niet te ontkomen,” sprak Bastien nu op barschen toon, „ik zal ervoor zorgen, dat gij voortdurend onder bewaking blijft.”

„Ik dank u voor uw vriendelijke waarschuwing,” antwoordde Raffles, „maar als gij inlichtingen van mij wenscht omtrent de moordzaak in de Rue Bayen, dan verzoek ik u, die nu te vragen.”

„Als de beschuldigden hier gebracht worden, zal ik ze met u confronteeren, tot zoolang zult gij geduld moeten hebben.”

Bastien belde en de twee wachten traden binnen.

„Brengt den gevangene in de kamer hiernaast,” beval hij hun. „Gij blijft bij hem in de kamer en houdt hem voortdurend in het oog. Gij zijt met uw eigen persoon verantwoordelijk voor hem.”

De beide agenten namen Raffles in hun midden en gingen met hem in het andere vertrek, waar de gevangene op de bank plaats nam. [24]