In de gangen van het gerechtsgebouw klonken de verwardste geluiden door elkaar. Zooals het steeds gaat in dergelijke gevallen, waren ook nu de gekste berichten verspreid op onverklaarbare wijze.
De plotselinge komst van een commissaris van politie had aanleiding gegeven tot de malste verhalen en nadat de commissaris het kabinet van den rechter van instructie weer had verlaten, om met alle beschikbare agenten, zes in aantal, het gebouw te verlaten, deden de meest fantastische verhalen omtrent de Raffles-zaak de ronde.
Nu vertelde men, dat de Engelsche Lord Lister niet alleen had gewerkt, maar dat hij een geheel leger van helpers had gehad en plotseling herinnerde iemand uit het publiek zich, dat hij van een misdaad had gehoord, die nimmer was opgehelderd en waarvan de schuld ook op rekening kwam van Raffles en zijn bende.
De journalisten, die doorloopend in de gangen van het gebouw aanwezig waren, begonnen dit verhaal op hun manier uit te werken en penden voor hun couranten ellenlange verhalen, voor welker deugdelijkheid zij instonden. Steeds kwamen nieuwe verrassingen en de vulpennen vlogen in koortsachtige haast over de bladen van de verslaggeversboekjes, die bij gedeelten door kruiers en loopjongens naar de redacties werden gebracht om nog in de middagbladen te worden opgenomen.
Charly, die de corridors, nog niet had verlaten, werd ongerust door dat gewirwar van allerlei onzinnige berichten.
Zijn angst over het lot van zijn vriend werd grooter, vooral omdat hij niet kon nagaan, in hoeverre de berichten waarheid behelsden, en daar de handelingen van zijn vriend ook voor hem in de laatste dagen een geheim waren gebleven, pijnigde hij tevergeefs zijn hersens met te bedenken, op welke wijze hij in dezen zou kunnen helpen.
Op het commissariaat van de politie op de Place de la Bastille was men reeds verwittigd van den gewelddadigen dood van Margot, toen de commissaris uit de Avenue Niel binnentrad.
Zijn collega was blijkbaar verrast, toen de ander hem met wiskundige zekerheid de namen van de moordenaars kon mededeelen en met behulp van de wijkbeambten werd vastgesteld, dat Letourneur en Crachat, beide oude bekenden van de politie, op een kleine gemeubileerde kamer in de Rue de la Tour St. Jacques woonden.
Het was niet bezwaarlijk, hef tweetal daar te overvallen, daarentegen vonden de beambten het een allesbehalve aangenaam corvée om zich meester te maken van Pistolet.
De lichaamskrachten van dezen man waren in dat stadsgedeelte alom bekend en als het hem inviel om zich tot het uiterste te verzetten, zou het zeer de vraag zijn of het gelukte den reus levend in handen te krijgen.
Voorzien van wapens en boeien begaf de commissaris van de Avenue Niel zich met zes van de sterkste beambten op weg naar de Rue Popincourt, naar de herberg „De wakende Engel”, terwijl de commissaris [25]van de Bastille met vier man optrok naar de Rue de la Tour St. Jacques, om zich meester te maken van Letourneur en Crachat.
Toen de politieagenten den ingang van den kelder hadden bereikt, vonden zij de deur gesloten.
De concierge van het gebouw wees hun den ingang aan den achterkant en op hun lang, aanhoudend kloppen vernamen de beambten eindelijk een geluid, alsof iemand de deur naderde.
De deur werd door een oud, gerimpeld vrouwtje geopend, dat met slaperige oogen den commissaris vroeg, wat hij wenschte.
„Is Pistolet thuis?” vroeg de beambte.
„Ja, maar hij slaapt nu, wij maken eerst om vier uur open en Pistolet slaapt altijd tot drie.”
„Dan zal hij vandaag een beetje vroeger moeten opstaan,” sprak de commissaris, terwijl hij de oude wegduwde.
Hij wilde het liefst den reus in zijn slaap verrassen, want als het hem gelukte, Pistolet in bed te boeien, vermeed men een gevecht op leven en dood.
Gevolgd door zijn mannen, daalde hij zoo zacht mogelijk de keldertrap af en toen zij de keuken hadden bereikt, die in schemerdonker was gehuld, vernamen zij in een alcoof het regelmatige, luide snurken van een slapende.
Voorzichtig opende de commissaris de houten deur naar de alcoof.
Daar lag op een veldbed, met alle kleeren aan, Pistolet in een diepen slaap.
Het bed stond op eenigen afstand van den muur, zoodat zich aan weerskanten drie agenten konden opstellen, gereed om zich, bij de geringste beweging van den slapende, op hem te werpen.
De commissaris haalde zijn dienstrevolver te voorschijn. Voorzichtig ging hij met het wapen in de rechterhand aan het hoofdeinde van hef bed staan, terwijl hij met de linker den slapende heen en weer schudde.
Pistolet opende de oogen.
Zijn verbaasde blik vloog langs de gestalten van de politiemannen, die bij zijn bed stonden en met een vloek wilde hij in de hoogte springen, toen op hetzelfde oogenblik de commissaris hem zijn revolver onder den neus duwde.
„Blijf liggen!” schreeuwde de beambte.
„Wat wilt gij van mij?” klonk het op woedenden toon terug.
„Pistolet,” antwoordde de commissaris, „men verdenkt er u van, vannacht den particulier Menuisier en zijn huishoudster in de Rue Bayen vermoord en bestolen te hebben.”
De beschuldigde verbleekte en sprak stamelend:
„Ik ben vannacht niet uitgeweest, dat kan ik bewijzen.”
De commissaris had gezien, hoe Pistolet verbleekte en dit onmiskenbare zelfverraad deed hem zijn toevlucht nemen tot een oud middel.
„Het helpt niet, of je ontkent!” sprak hij. „Crachat en Letourneur hebben alles verraden!”
Een schreeuw van woede, als van een aangeschoten tijger klonk van Pistolets lippen.
Hij wilde opspringen, maar de zes agenten hadden zich reeds op hem geworpen en terwijl de commissaris hem bij de keel pakte en zijn hoofd weer in de kussens terugdrukte, gelukte het de anderen, den woesteling aan handen en voeten te binden.
Maar zelfs nu nog scheen het onmogelijk, den reusachtigen kerel, die zich in machtelooze woede van het bed op den grond had laten vallen, naar buiten te dragen.
Hij sloeg met zijn vastgebonden handen en voeten om zich heen en de beambten durfden hem nauwelijks naderen.
Eindelijk werd hij gerold in de vuile deken, die op zijn bed lag en zoo gelukte het eindelijk, om hem, die nog steeds schreeuwde en tierde, langs de steile keldertrap naar boven te sleepen en in den gereedstaanden boevenwagen naar het paleis van justitie te vervoeren.
Intusschen had de commissaris van politie van de [26]Bastille zijn plicht gedaan in de Rue de la Tour St. Jacques en zijn werk was gemakkelijker geweest dan dat van zijn collega, die Pistolet moest overweldigen.
Crachat, die slapeloos heen en weer woelde op zijn legerstede, had bevend en sidderend ook niet de geringste poging gewaagd, om zich te verzetten.
De handboeien werden hem aangedaan en men liet hem achter onder bewaking van een politieagent, terwijl de anderen Letourneur gingen opzoeken.
Tegenover dezen jongen man, wiens woestheid bij de politie bekend was, was uiterste voorzichtigheid geraden, want men mocht niet hopen met hem even gemakkelijk klaar te komen als met Crachat.
Maar een verrassing wachtte den beambten.
Letourneur, wiens kleine, gedrongen gestalte krachtig genoeg was om zichzelf op voldoende manier tegen een aanval te verdedigen, Letourneur maakte den indruk van groote gevoelloosheid.
Hij was niet verrast, doch scheen het bezoek van de politie te verwachten.
De dood van zijn beminde had alle energie, die hij anders in groote mate bezat, in hem gedood en zonder weerstand te bieden reikte hij den commissaris van politie zijn handen, om zich te laten boeien.
Bij de voordeur wachtte een tweede gevangenwagen, die de beide jonge mannen naar het paleis van justitie bracht en toen zij daar onder het gejoel van de menigte uitstapten, kwam daar juist ook het transport van Pistolet aan.
De waard uit „De Wakende Engel” kreeg een nieuwen aanval van woede, toen hij zijn beide makkers zag. Men had hem de boeien van de voeten verwijderd. Hij maakte nu een beweging, alsof hij zich op Crachat en Letourneur wilde werpen, maar de agenten, waarbij zich nog verschillende uit het gebouw zelf voegden, hielden hem vast en brachten hem langs de trap naar het kabinet van Bastien.
Achter hem volgde de troep in wiens midden zich Crachat en Letourneur bevonden.
Toen het drietal geboeid voor Bastien stond, moest men, om Pistolet in bedwang te houden, dezen opnieuw de voetboeien aanleggen.
Onophoudelijk schreeuwde hij:
„Ik ben onschuldig, ik heb niets misdaan!” terwijl de beide anderen, zonder een woord te spreken, voor zich uitstaarden.
Bastien, aan wiens zijde Baxter nog steeds zat, had eenigen tijd vol belangstelling naar den woesteling gekeken en, toen deze oogenblik zweeg, riep hij hem toe:
„Pistolet, ik geef je den goeden raad om kalm te blijven, als gij onschuldig zijt, zal dat spoedig aan het licht komen.
„Voorloopig verdenkt men er u van, in den loop van den vorigen nacht alleen of in gezelschap van deze twee (daarbij wees hij op Letourneur en Crachat) den heer Menuisier en zijn huishoudster in de Rue Bayen vermoord te hebben.”
„Dat is een leugen!” brulde Pistolet, „ik heb om twee uur mijn herberg gesloten en daarna mijn huis niet meer verlaten, ik kan mijn alibi bewijzen!”
„Zooveel te beter voor u!” sprak de rechter van instructie, „ik zal dadelijk den man voor u brengen, die u beschuldigt,” en op bevel van den heer Bastien werd Raffles, die zich nog steeds in het aangrenzend vertrek bevond, binnengebracht.
Raffles verscheen en, terwijl hij deed, alsof hij uit veiligheid voor zich zelf zoover mogelijk uit de buurt van Pistolet bleef, naderde hij het openstaande venster.
Hij hield zijn handen nog steeds vast tegen zijn lichaam gedrukt, terwijl zijn doordringende blik onderzoekend langs de drie kerels gleed, die van een zwaar misdrijf werden beschuldigd.
„Herkent gij dien heer?” vroeg de rechter van instructie nu aan Pistolet.
„Dien hebben wij immers gisteren bij ons gevangen genomen. Die ander heer daarginds”, en Pistolet wees met het hoofd naar Baxter, „vertelde ons, dat hij de Engelsche dief Raffles is.” [27]
„Mylord!”
Bastien wendde zich weer tot Raffles.
„Wilt gij ons nu uitleggen, welke redenen gij hebt, om deze lieden van den moord op Menuisier en de oude huishoudster te beschuldigen?”
„Zeer gaarne!” antwoordde Raffles, terwijl hij de schrijftafel van den rechter van instructie een paar schreden naderde.
„Ik begaf mij gisteravond tegen half tien in de u bekende vermomming in de onderaardsche kroeg van „de Wakende Engel.”
„Ik wist namelijk, dat kapitein Baxter daar in den loop van den nacht zou verschijnen.
„Mijn eenige bedoeling was om mijn vriend Baxter van dichtbij gade te slaan en hij zou mij nooit herkend hebben als die vrouw mijn valsche baard en pruik niet had afgerukt.
„Toen ik de herberg binnentrad, was er nog vrij weinig publiek, alleen aan een tafeltje dicht bij het mijne zaten deze twee, waarbij de waard af en toe plaats nam.
„Tegen elf uur kwam een groot, forsch meisje het lokaal binnen, en zij werd door de weinige gasten die aanwezig waren, als een oude bekende begroet.
„Zij zelf gaf slechts korte antwoorden op de intimiteiten, die men haar toeriep, en ging naar het tafeltje naast mij, waaraan de beide jonge mannen zaten.
„Op dit oogenblik kwam ook de waard er weer bij en ik hoorde duidelijk, dat hij haar vroeg:
„„Nu Margot, hoe staat het er mee? Ben je al wat aan den weet gekomen?”
„De waard sprak heel zacht, en bediende zich van de echte boeventaal.
„Ik heb echter een uitstekend gehoor en bovendien sprak ik vloeiend de taal der lieden uit die kringen. Dus ik verstond hem.
„Ook verstond ik, hoe het meisje antwoordde:
„„Ik heb het al tegen Letourneur gezegd, de oude ligt ziek te bed en mijn tante Coralie, dien naam hoorde ik zeer duidelijk, is zoo doof, dat zij in ’t geheel niets merkt.”
„Daarop mengde zich de man, die Letourneur moest zijn, in het gesprek en verklaarde, dat Crachat ook van de partij zou zijn, want dat hij hem had overgehaald.”
Bastien keek de drie misdadigers vragend aan.
„Wat hebt gij op deze beschuldiging te antwoorden?”
Maar Crachat en Letourneur zwegen, alleen Pistolet brulde:
„De ellendeling liegt! Waarom heeft de schurk het niet reeds gisteravond gezegd, als hij het zoo nauwkeurig heeft gehoord?”
Een blik uit Raffles’ oogen boorde zich diep in het van woede verwrongen gelaat van den herbergier en deed dezen zwijgen.
„Ik heb gisteravond niet gesproken, omdat ik de beteekenis van hun woorden toen nog niet begreep. Deze werd mij eerst heden duidelijk, toen ik van den moord op Menuisier en diens huishoudster hoorde.
„Voor de rest”, en nu wendde Raffles zich tot den rechter van instructie, „moest het gemakkelijk zijn om vast te stellen of de vermoorde huishoudster werkelijk een tante van Margot la Brune is geweest.”
Er heerschte een pauze.
Bastien, die in het opvallende stilzwijgen van Letourneur en Crachat een bewijs voor de juistheid van Raffles’ beweringen zag, wendde zich nu tot deze twee.
„Wilt gij door uw stilzwijgen uzelf bezwaren of wilt gij eenige ophelderingen in deze zaak geven?”
Letourneur’s mond bleef gesloten. Hij bleef bewegenloos staan.
Een rilling voer door het lichaam van Crachat.
Hij richtte in hulpeloozen angst zijn oogen op den rechter van instructie en haperend klonk het van zijn lippen:
„Ik heb ze niet vermoord, ik heb het niet gedaan!”
Bastien sprong van zijn stoel op, want hij begreep, dat de jonge man op het punt was, te bekennen.
„Wie dan?” riep hij hem toe. „Wie heeft de moorden begaan?”
Crachat keek schuw om zich heen en verwijderde zich nog een paar schreden van Pistolet en Letourneur. [28]
Hij wierp een angstigen blik op zijn beide makkers en met trillende lippen sprak hij, bijna fluisterend:
„Ik heb alleen maar aan de deur opgepast, Pistolet en Letourneur hebben hen doodgestoken.”
Een kreet van woede ontsnapte aan de lippen van den herbergier.
Hij scheurde aan zijn boeien, wierp zich op den grond, om zoo naar Crachat toe te kruipen, en deze ging vol angst en van top tot teen sidderend, in een hoek staan.
Maar de boeien beletten Pistolet om zijn voornemen uit te voeren; als een enorme vleeschklomp viel hij brullend van woede op zij.
„Verrader!” krijschte hij en een stroom van de allergemeenste scheldwoorden kwam uit zijn mond.
Alleen Letourneur stond er onverschillig bij, alsof alles, wat daar rondom hem gebeurde, hem niets aanging.
Aanklacht en bekentenis—alles liet hem koud.
De ontzettende straf, die op de misdaad, waaraan hij medeplichtig was, zou volgen, een straf, die hij zeker niet zou ontloopen, boezemde hem niet den minsten schrik in.
Als droomend staarde hij naar de woeste tooneelen, die zich in dit vertrek afspeelden; al zijn gedachten verwijlden bij zijn gestorven liefje en nu, nu Margot er niet meer was, was het hem onverschillig, wat er met hem gebeurde.
De rechter van instructie beefde van opgewondenheid; zijn hand kon de pen bijna niet besturen, toen hij de bekentenis van Crachat op protocol bracht.
Doodsche stilte heerschte nu in het vertrek, zelfs Pistolet zweeg.
De toomelooze woede van den eigenaar van „De Wakende Engel” uitte zich niet meer in woorden, doch nog alleen in dreigende blikken, welke hij afwisselend op Raffles en Crachat wierp.
Bastien was gereed met schrijven en, terwijl hij achterover leunde in zijn stoel, sprak hij:
„Ik zal u nu laten wegbrengen, deze voorloopige bekentenis is mij voldoende. Ik geef u allen den raad, om niet te trachten de waarheid te verbergen. Morgen zal ik u elk afzonderlijk verhooren en gij, Mylord, zult daarbij tegenwoordig zijn”.
Raffles glimlachte ironisch, hij had zijn plan reeds vastgesteld en was vast besloten, het ten uitvoer te brengen, want een andere gelegenheid zou hij waarschijnlijk niet meer hebben om te vluchten.
„Het doet mij leed, edelachtbare, ik zal u dat genoegen niet kunnen doen!”
„Gij weigert, om mij de behulpzame hand te bieden bij het ontmaskeren van deze misdadigers?” vroeg Bastien verbaasd.
„Ik heb alles gezegd, wat ik er van weet,” antwoordde Raffles glimlachend, „ik heb u mijn hulp verleend, de moordenaars bevinden zich in handen der justitie en nadat deze man zooeven heeft bekend, kan het niet moeilijk meer zijn, deze zaak tot een goed eind te brengen.
„Mijn hulp hebt gij dus niet meer noodig, maar zelfs als dit wel het geval zou zijn, zou ik u tot mijn spijt niet meer van dienst kunnen zijn.”
Bij die woorden gleed een glimlach vol hoonende ironie over het gelaat van den spreker.
„Want,” vervolgde hij, „ik ben niet van plan om langer hier te blijven!”
„Wat beteekent dat?” riep de rechter van instructie met de grootste verbazing uit, „wilt gij vluchten?”
„Zeker!” antwoordde Raffles met een vriendelijk lachje, „en gij zult mij dat niet kunnen beletten!”
Baxter, die in angstige spanning naar de spottende woorden van zijn vijand had geluisterd, sprong nu naar Raffles toe, want hij vermoedde, dat zijn prooi op het punt stond om hem te ontglippen.
Maar op dit oogenblik gingen de schijnbaar aan elkaar gebonden handen van Raffles uiteen, de Engelsche detective kreeg een vreeselijken stoot in de borst, waardoor hij met geweldige kracht in een hoek van de kamer werd geslingerd.
Daarop snelde Raffles naar de tafel van den rechter [29]van instructie en bliksemsnel, nog voordat Bastien begreep wat er gebeurde, had de gevangene zijn eigen Browning revolver gegrepen, die men hem den vorigen dag had afgenomen.
Met een enkelen sprong stond Raffles op de vensterbank van het geopende raam.
„Adieu heeren, als gij Raffles ooit weer te pakken mocht krijgen, moet gij hem beter bewaken!”
Baxter was weer opgestaan en, hoewel de revolver dreigend op hem was gericht, snelde hij naar het venster, om den vluchteling tegen te houden.
Maar lachend wierp Raffles hem het wapen voor de voeten en met een geweldigen sprong vloog hij uit het raam van het paleis van justitie de Seine in.
Nu had Baxter het raam bereikt en nog juist kon hij zien, hoe zijn gevangene in de troebele golven van de Seine verdween. (Zie het titelblad).
De groote bel van het paleis van justitie weerklonk door het geheele gebouw.
„Raffles is ontsnapt,” klonk het door de gangen en een talrijke menschenmassa snelde in een oogenblik naar de oevers van de rivier, om te zien, waar de vluchteling weer zou komen opduiken.
Maar tevergeefs, geen spoor was van den gentleman-dief te ontdekken.
Niemand zag, dat een man zich vastklampte aan het kleine bootje, dat bevestigd was aan een passagiersboot, die in de richting naar Point du Jour stoomde. Het gelaat van dien man was verborgen door de kiel van het kleine vaartuigje, dat gedeeltelijk boven het water uitstak; zijn handen omklemden met krachtigen greep het roer, dat door het water gleed.
Zoo ging Raffles, terwijl een onafzienbare menschen-menigte hem tevergeefs zocht en terwijl de tijding van zijn vlucht reeds door de straten van Parijs weerklonk, zijn opnieuw verkregen vrijheid tegemoet. [30]