De „Mouche”, een der kleine Seine stoombooten, die op geregelde tijden varen ten dienste van het drukke verkeer langs de rivier, gleed voort over de geel-troebele golven en nam koers naar de rechterzijde der rivier om aan den steiger dichtbij het reuzengebouw van het Louvre aan te leggen.
Het kleine reddingsbootje, dat als een notedop op en neer schommelde, volgde alle bewegingen van het schip, waaraan het door een stevig touw was verbonden.
Terwijl de „Mouche” aan de kade aanlegde, om daar nieuwe passagiers, die reeds stonden te wachten, op te nemen, schoof het kleine bootje, als door den stroom meegevoerd, vlak langs den oevermuur tot onder de landingsbrug, voor zoover het kabeltouw, waaraan het vast lag, dit veroorloofde.
In het gewoel van het drukke verkeer lette niemand op deze beweging van het kleine vaartuig, dat nu met den voorsteven geheel onder den houten steiger verborgen was.
En toch, als iemand er op dit oogenblik aan had gedacht daaronder eens een kijkje te nemen, die zou een ontdekking hebben gedaan, welke van hef allergrootste belang was voor de politie van alle landen, maar vooral voor de Parijsche overheid!
Vanonder de kiel van het bootje kwam zeer behoedzaam het van water druipende hoofd van een man te voorschijn, wiens verdere lichaam onder de oppervlakte van het water in de rivier verborgen was.
Zelfs het hoofd bevond zich nog gedeeltelijk onder water, alleen het gelaat bleef boven.
Het was Raffles!
Hij bevond zich op dat oogenblik niet in den allerprettigsten toestand, want, hoe gemakkelijk het ook voor hem was om op deze manier aan het oog der politie te ontgaan, minder licht zou het hem vallen, weer aan dit koele bad te ontkomen, ten minste als hij het wilde vermijden om dadelijk weer in handen der politie te vallen.
Hier op deze drukke plaats in het midden der stad viel er in het geheel niet aan te denken, om aan land te gaan.
Een druipnat persoon, die bij klaarlichten dag uit de golven der Seine te voorschijn kwam om zich tusschen de menschen te begeven, zou zoodanig opvallen, dat de agenten van politie, die overal in den omtrek aan het zoeken waren, zeker zoo veel belangstelling voor hem aan den dag zouden leggen, als Raffles liever niet had.
Er bleef hem dus niets anders over dan te wachten.
Voorzichtig waagde hij het, vanuit zijn schuilplaats een blik stroomopwaarts te werpen naar de kade bij het paleis van justitie.
Op dezen tamelijk grooten afstand kon hij niet alles even duidelijk onderscheiden, maar dank zij zijn uitstekende oogen kon de vluchteling toch zien, dat de opgewondenheid van de menigte, die daar saamgestroomd was, door zijn persoon was teweeggebracht. [31]
Hij zag verscheiden hoofden over den kademuur gebogen, om in het water te kijken.
Raffles moest onwillekeurig lachen bij de gedachte aan de verbazing van zijn vriend, kapitein Baxter, die zijn prooi, welke hij reeds zoo veilig waande, weer voor zijn oogen zag verdwijnen.
Maar de gedachte aan zijn eigen veiligheid liet hem niet veel tijd over om hier stille triomfen te vieren.
Hij hoorde, dat boven zijn hoofd de loopplank weer weggetrokken werd. De „Mouche” had haar passagiers opgenomen en maakte zich gereed om haar weg te vervolgen.
Behoedzaam verborg Raffles zich weer onder de ronde kiel van het bootje. Met zijn beenen omklemde hij de kielstang, zijn handen hielden het roer onder de wateroppervlakte vast en zijn gelaat met groote moeite verborgen houdend onder den rand der boot, zoodat slechts een klein gedeelte boven het water uitkwam, juist genoeg om nog adem te kunnen halen, vervolgde hij zijn tocht door de rivier.
Het verblijf in het water hinderde hem niet.
Integendeel, dat was bij de zwoele temperatuur, welke dien dag heerschte, eerder aangenaam.
Hinderlijk was alleen de vermoeiende houding, die hij moest aannemen om niet te worden opgemerkt.
De vaart duurde meer dan een uur en alleen de korte oogenblikken, waarin de „Mouche” aan de talrijke aanlegplaatsen stillag, gaven hem de gelegenheid om even van houding te veranderen.
Die pauzes gebruikte de niet betalende passagier om zijn ledematen, die stijf en stram werden door de ongewone houding, zooveel mogelijk in beweging te houden.
Zijn plan stond vast. Zoodra de stoomboot de stad verliet, zoodra het schip de landelijke oevers der Seine zou hebben bereikt, daar, waar inplaats van de hooge steenen kademuren, die den stroom omgaven, zacht glooiende heuvels en dicht riet de bedding der rivier insloten, zou hij het kleine bootje, dat hem zoo trouw meesleepte, vaarwel zeggen.
Onder water zwemmend, om niet nog in het laatste oogenblik opgemerkt te worden door de bemanning of de passagiers van de „Mouche”, zou hij het riet opzoeken, vanwaar het hem niet moeilijk zou vallen om aan land te komen.
De stoomboot had het Trocadero achter zich, de huizen van Passy gleden langzaam voorbij, de laatste der monumentale bruggen, die binnen de grenzen der stad den stroom kruisen, was reeds gepasseerd en aan beide zijden strekte zich het zonnige landschap uit.
Het beslissende oogenblik was nu gekomen.
Raffles wachtte nog, tot de boot op een bijzonder smal punt van de rivier was gekomen.
Hij moest ervoor zorgen, dat de afstand, dien hij onder water door moest zwemmen, zoo klein mogelijk was, want hoewel hij ervan overtuigd was, tot de goede zwemmers te behooren, moest hij er toch rekening mee houden, dat zijn kleeren zich vol water hadden gezogen en door hun veel grootere zwaarte hem het zwemmen niet gemakkelijker zouden maken.
Hij was er de man niet naar om zich door welke moeite dan ook, als deze onvermijdelijk was, te laten afschrikken, maar ook was hij verstandig en ervaren genoeg om niet uit dwaze ijdelheid en alleen om te zien, hoever zijn krachten gingen, zichzelf meer in te spannen dan noodig was.
De oevers kwamen nu dichter bij elkaar en het riet, dat langs den rechteroever groeide, kon hoogstens vier of vijf meter van hem verwijderd zijn.
Nog eenmaal haalde Raffles diep adem, daarop liet hij de kleine boot, die hem tot hier had gebracht, met een flinken stoot los en in een paar slagen had hij het dichte riet bereikt.
Voorzichtig zette hij zijn voeten in den weeken bodem, richtte zich op en stak het hoofd boven water.
Door de lange riethalmen zag hij, dat de boot zich verwijderde en hij keek het vaartuig na, totdat het bij de volgende bocht aan zijn oogen onttrokken was.
Nu kwam het er op aan, op het droge te komen.
De zon was intusschen ondergegaan. Slechts de [32]bleeke stralen van de maan vielen op het aardrijk neer.
Hij beklom den oever en keek om zich heen.
Een lichte plek aan den hemel wees hem, waar de stad lag.
Zoekend liet hij zijn blikken langs het riet gaan en plotseling ontdekte hij, in het groen verborgen, vlak aan den oever een bootje.
Snel had hij zijn plan gemaakt.
Hij liep naar het kleine vaartuigje, met een haastige beweging had hij het touw, waaraan het vastlag, losgemaakt en met een sprong zat hij in het bootje.
Snel greep hij de riemen, die in het notedopje lagen en met een paar slagen bevond hij zich weer op de rivier, waar hij dicht langs het hooge riet voortgleed, zoodat hij door dezen natuurlijken muur voor aller blikken verborgen was.
Hij kon niet nagaan, hoe laat het was, want zijn horloge was tengevolge van het binnendringende water blijven staan.
Zoo goed het ging, wrong hij het water uit zijn kleeren, daarop stak hij dwars den stroom over en ging aan land.
Na eenig zoeken vond hij een huurrijtuig, waarvan hij gebruik maakte.
In een half uur had hij Neuilly bereikt en al heel spoedig ontmoette hij de eerste camelots, die de avondbladen te koop aanboden.
Al dadelijk hoorde hij zijn eigen haam roepen.
Hij hoorde de verkoopers het sensatienieuws van den dag uitschreeuwen en lachend luisterde hij naar de heesche stemmen:
„De wonderlijke vlucht van den Engelschen meesterdief!”
„De geheimzinnige vlucht van Raffles!”
„Hij blijft verdwenen!”
„Hij komt niet weer te voorschijn!”
Het was bijna tien uur, toen Raffles behoedzaam den voortuin van zijn huis in de Avenue du Bois de Boulogne binnensloop.
Haastig snelde hij de trap op en trad zijn studeerkamer binnen.
Met een uitroep van blijde verrassing vloog zijn vriend Charly hem tegemoet. Vol angstige spanning had de trouwe jongen op hem gewacht.
„Dat is weer gelukt!” sprak Raffles met een glimlach, „maar ik geloof toch, dat het verstandig van ons zou zijn, voor eenigen tijd afscheid te nemen van Parijs. Men moet nooit met vuur spelen.”
Hij ging zijn kleedkamer binnen en toen hij na een half uurtje daaruit weer te voorschijn kwam, zou niemand, ook kapitein Baxter niet, in den eleganten man van de wereld John Raffles hebben vermoed, dien hij dienzelfden morgen nog onder zijn eigen veilige bewaking meende te hebben.