[Inhoud]
De Heuvel van den Dooden Man.

De Heuvel van den Dooden Man.

HOOFDSTUK I.

Langs Frankrijk’s bolwerk.

Het was op een der eerste dagen van de maand October, ofschoon men gezegd zou hebben dat de zomer nog hoogtij vierde, toen een zeer groote automobiel, vuurrood gelakt, langzaam tegen den flauwtjes hellenden weg opkroop, die van Marre naar Avocourt leidt.

Het was een van de reusachtige toeristenauto’s, zooals men er ook thans nog zeer veel aantreft in het noorden van Frankrijk, meer in het bijzonder in die streken, waar gedurende de wreede oorlogsjaren de strijd het felst woedde, waar ook nu nog slechts puinhoopen, omgehakte boomen, waardelooze akkers te zien zijn, en waar men den indruk krijgt, alsof daar nooit, zoolang de wereld zal bestaan, nog een boom zal kunnen groeien, of een huis zal verrijzen.

De zitplaatsen in de auto, die ruimte bood aan wel dertig personen, waren amphitheatersgewijze gebouwd, zoodat degene die achter inzaten zich bijna drie meter van den beganen grond bevonden, en vrij uitzicht hadden over de omgeving.

Op de breede treeplank van de auto, dicht bij den chauffeur, stond de explicator, de man, die alles moest verklaren, wat de toeristen te zien kregen en die verscheidene talen machtig was, zoodat hij zijn wijsheid in het Fransch, in het Engelsch en zelfs in gebrekkig Vlaamsch kon uiten.

Hij droeg een uniformpet, met vergulden band, waarop met zwarte zijde letters waren geborduurd, en werd niet moede, met luider stem zijn verklaring uit te brullen.

En wel moest deze man over sterke longen beschikken, want de krachtige motor van de auto maakte een geweldig geraas.

Nu en dan stond de auto stil, en dan vergaapten de toeristen zich aan eenige stukgeschoten boerderijen, een kerkje waar van alleen nog maar de toren stond, een gedeelte van een loopgraaf of een andere herinnering aan den afschuwelijken krijg.

Dan ging het weer verder, en onvermoeid galmde de gids zijn toelichtingen uit.

„Hier begon het groote offensief, dames en heeren, hetwelk aan Frankrijk de vrijheid zou geven! Hier ondernamen de troepen van generaal Guillaumat op den zevenden Augustus van het jaar 1917 den stormloop op den heuvel van den Dooden Man! Hier [2]sneuvelden duizenden Franschen, om het geliefde vaderland te redden.…”

Zoo ging het maar door, en met duizelingwekkende radheid noemde de gids namen van steden en dorpen, nummers van regimenten, getallen, namen van generaals, eindelooze reeksen cijfers, zonder zich schijnbaar ooit te vergissen.

En daarvoor behoefde hij ook niet bevreesd te zijn, want de man verrichtte dit werkje reeds een vol jaar, dag voor dag, en soms reed de auto wel driemaal op een enkelen dag het traject heen en weer.

In het voertuig was geen enkele plaats onbezet.

Men trof er, naast eenige Franschen, voornamelijk Engelschen, Amerikanen, eenige Zwitsers en Belgen aan.

De meesten hadden mondvoorraad bij zich, of laafden zich van tijd tot tijd door een slok uit een fleschje bier of limonade.

Het was zeer warm, buitengewoon warm voor den tijd van het jaar, en verscheidene Amerikanen, die niet anders gewoon waren, hadden er hun jassen bij uitgetrokken.

Op het oogenblik dat de auto opnieuw stilstond, klommen twee heeren, naar hun uiterlijk te oordeelen Engelschen, kalm van hun hooge zitplaats omlaag.

„Weest voorzichtig, heeren—wij gaan dadelijk verder!” riep de gids waarschuwend.

„Als gij dan tenminste maar wacht tot wij veilig den beganen grond hebben bereikt,” zeide met rustige stem en in voortreffelijk Fransch de oudste van de beide heeren, een man van een jaar of veertig, met aan de slapen licht grijzend haar, energieke gelaatstrekken en smallen rechten neus, doordringende grijze oogen met staalharden glans. Zijn reismakker was heel wat jonger en had een zacht, blozend, bijna meisjesachtig gelaat, waarin twee groote, blauwe oogen schitterden.

„Maar rijdt ge dan niet verder mee, heeren?” riep de gids verbluft. „Wij zijn nog niet aan het einde van den toer. Daarginds ligt Chattancourt pas.”

En hij wees met de uitgestrekte hand naar een in de verte zichtbaren kerktoren, die boven de boomen uitstak.

„Dat is wel mogelijk,” hernam de oudste der beide heeren bedaard. „Wij zijn echter voornemens de rest van den weg te voet af te leggen. Gij zijt van te voren betaald. Hier hebt gij tien francs fooi, ik geloof niet dat gij reden hebt, u te beklagen.”

„Daar denk ik ook geen oogenblik aan,” hernam de gids, terwijl hij snel het papiertje, dat hem was toegestoken, in zijn broekzak liet verdwijnen.

„Als gij er de voorkeur aan geeft bij deze warmte liever te voet te gaan, in plaats van gebruik te maken van onze auto, waarbij vergeleken de voddige wagens van onze concurrenten, slechts versleten boerenkarren zijn, dan moet gij het zelf weten. Verder, chauffeur.”

De man, die achter het reusachtige stuurwiel zat, haalde den hefboom over en toeterend, schokkend, met een luid geraas van kettingen over tandwielen, zette de groote auto zich weder in beweging.

De beide heeren keken het voertuig een oogenblik na en toen glimlachend elkander aan.

Daarop begon de oudste, na een blik om zich heen te hebben geworpen:

„Ik heb er geen spijt van, Charly, dat ik dien inval heb gekregen om die vreeselijke rammelkast vaarwel te zeggen met zijn lading hartelooze bierdrinkers en gekheid makende touristen, die naar het verwoeste Frankrijk komen zien zooals een ander naar een klein brandje. Ik wil niet langer John Raffles wezen, als ik mij nog ooit laat overhalen om in gezelschap van mijn lieve landgenooten en van de kinderen van Uncle Sam op reis te gaan.”

„Stil, spreek wat minder luid,” riep zijn jeugdige metgezel, met een verschrikten blik om zich heen kijkend.

„Oh, hier kan niemand ons hooren. De opvarenden van de geweldige automobiel zijn ver en zij zijn weg gereden in de heilige overtuiging, dat ik inderdaad graaf Palmhurst ben, zooals ik mij heb laten inschrijven in ons hotel te Verdun en op welken naam ook mijn pas gesteld is.”

„Gevaarlijk genoeg,” riep de jonge man uit, wiens naam Charly Brand was, en die reeds vele jaren de onafscheidelijke metgezel van den geheimzinnigen Gentleman-Inbreker was. „Ik begrijp eigenlijk niet goed wat je bewogen heeft, incognito te reizen. Waarom ben je hier niet in Frankrijk gekomen onder den naam van Lord Aberdeen, zooals je in de Engelsche hoofdstad bekend bent.”

„Die verklaring is al heel eenvoudig, mijn waarde,” antwoordde Raffles. „Mijns inziens had ik al te lang geluierd in den laatsten tijd. Ik had wat al te zeer voor mijn vermaak den amateur-detective [3]gespeeld en ik vond, dat het nu tijd werd weer eens aan ernstiger dingen te gaan denken.

„Welnu, het was mij ter oore gekomen, dat er te Parijs wellicht een goede slag was te slaan en je zult het wel met mij eens zijn, dat het van het oogenblik af, dat ik naar Frankrijk vertrok, teneinde daar een schatrijken Mexicaan een weinig ader te laten, heel wat verstandiger was, mijn persoonlijkheid van Lord Aberdeen maar in Londen achter te laten.”

„Maar je bent volstrekt niet vermomd, evenmin als ik,” riep Charly Brand uit. „Het is immers zeer goed mogelijk, dat wij hier iemand ontmoeten in deze streek, waar het wemelt van Engelsche toeristen, die je herkent?”

„Dat heeft niets te beteekenen, zoolang wij te Parijs niet aan den slag gaan,” antwoordde Raffles schouderophalend.

Hij rekte zijn krachtige armen eens uit, haalde diep adem, liet zijn blik over de omgeving weiden en zei:

„Het riekte daar boven op die auto naar gebakken bokking en slechte Eau de Cologne. Ik zat naast een dikke dame, die zeer aanhalig was uitgevallen en mij vervaarlijk toelonkte. Ik dank den hemel, dat ik de rollende plaats van verschrikking ontvlucht ben.”

„Wat doen we nu?”

„Te voet verder gaan, als je er niets op tegen hebt. Het is verrukkelijk weer. We hebben den geheelen dag voor ons en onze getrouwe chauffeur Henderson, die te Verdun is achtergebleven, waar hij de auto eens goed zal nazien, verwacht ons toch niet voor morgen terug. Ik stel dus voor, over Chattancourt naar Esnes te wandelen.”

„Is dat ver?”

„Van hier hoogstens vijf mijlen.”

„En vervolgens?”

„Vervolgens zullen wij den oever van de Esnes volgen, welke naam eveneens gegeven wordt aan een klein riviertje, een zijtak van de Forges, totdat wij den door alle tijden befaamden tweelingheuvel hebben bereikt, de Mort Homme geheeten, anders gezegd, de doode man, want daar werd voor een deel over het lot van Frankrijk beslist. Daar werd Frankrijk gered, toen de troepen van generaal von Galwitz ten koste van bloedige offers van den top van den heuvel werden verdreven.”

„Daar zal den heelen dag wel mee gemoeid zijn.”

„Ongetwijfeld, maar ik zeide reeds, dat wij den tijd hadden, dat wij niets te verzuimen hadden. Onze Mexicaan is niet op tijd, zooals je weet, en de man heeft in de eerste week niets van ons te vreezen. Ik heb er steeds naar verlangd de plek te zien, waar deze vreeselijke gevechten hebben plaats gehad en ik beschouw die veel liever alleen dan in gezelschap van een troep snaterende, lachende toeristen.”

Onder het spreken hadden de beide vrienden hun weg weder vervolgd.

Ongeveer tien minuten later bereikten zij de plek waar in Augustus van het jaar 1917 de Fransche loopgravenlinie dwars over den straatweg liep.

Ter plaatse waar de loopgraven dien weg sneden, waren zij dichtgeworpen, teneinde het verkeer mogelijk te maken, maar links en rechts van den straatweg was de diepe voor in de aarde nog duidelijk zichtbaar, ofschoon op eenige plekken de landbouwers de kuilen weer hadden gevuld.

Doch overal echter bood het landschap een aanblik van troostelooze verwoesting.

De Duitsche, zoowel als de Fransche zware granaten hadden boomen versplinterd, huizen in puin geschoten en de velden en moestuinen doorploegd.

Hier en daar lagen nog altijd munitiewagens, half in de modder weg gezakt, en daarvoor de geraamten van vier of zes paarden en vaak ook die van menschen.

Geruimen tijd liepen de beide mannen zwijgend naast elkander voort. De hemel was donkerblauw, de zon stond in vollen luister te pralen, hoog boven de aarde jubelde een leeuwerik en toch konden zij zich niet onttrekken aan den somberen indruk, dien deze plek op hen maakte, waar het kostbaarste bloed bij beken gestroomd had.

Na ongeveer twintig minuten te hebben geloopen, bereikten zij het dorpje Chattancourt, niet veel meer dan een puinhoop, maar waar toch reeds een groot aantal bewoners alle krachten inspanden, om hun oude woonsteden te herbouwen.

De steenen huizen waren er echter sporadisch, men zag er bijna niet anders dan een soort kleine loodsen uit gegolfd plaatijzer, of uit hout opgetrokken.

Anderen bewoonden groote woonwagens en sommigen hadden zich een verblijf gekozen in de puinhoopen van een fabriek, met lappen en zeildoek zoo goed als het ging in kleine woningen verdeeld.

Het was duidelijk te zien, dat iedereen zijn beste [4]beentje voor zette, teneinde de sporen van den strijd die hier gewoed had, uit te wisschen.

Het was juist marktdag en er werd een vrij drukke handel gedreven in vee, eieren, kaas en groenten.

Raffles en Charly hielden zich echter in dat dorpje slechts even op, teneinde in een klein huis een glas van den landwijn te drinken, die daar geschonken werd, en vervolgden daarop weder hun weg.

Het was bij twaalven, toen zij tenslotte het dorp Esnes bereikten, dat iets minder geleden had dan Chattancourt, daar het tamelijk ver achter de linie gelegen was.

Zij gebruikten hier een eenvoudigen maaltijd en sloegen toen den weg in van Béthincourt, die over eenigen afstand evenwijdig loopt met het zooeven genoemde riviertje.

Hoe verder zij kwamen, hoe duidelijker het werd dat hier de strijd bij Verdun op zijn felst gewoed had.

De eertijds bloeiende landouwen waren woestenijen geworden, onafzienbare vlakten, vol puin, granaatscherven, ontwortelde boomen, verroeste prikkeldraad-versperringen, overblijfselen van kampementen, wagens zonder raderen, en uitgestrekte granaatkuilen, die soms meer dan dertig meter doorsnede hadden.

De heuvels vertoonden denzelfden troosteloozen aanblik.

Slechts noode scheen het onkruid hier te willen tieren.

De vette aarde was verdwenen, als het ware verpulverd door de ontploffingen der reusachtige granaten.

Langzaam steeg de weg, om weer te dalen tot de plek, waar de voormalige Fransche linie de vallei van de Esnes sneed.

Eerst stonden de beide mannen stil.

Terzijde van den weg verhief zich een tamelijk hooge heuvel, op welks top zich de puinhoop van een molen verhief.

„Laat ons den heuvel beklimmen,” stelde Raffles voor. „Van zijn top zullen wij den omtrek goed kunnen overzien. Wij zijn hier geen kwartier van den Mort Homme.…”

Zwijgend begonnen de beide mannen den heuvel te beklimmen, wat niet zoo gemakkelijk was, want er was geen gebaand pad en de voet gleed telkens uit in de rulle aarde.

Maar eindelijk bereikten zij dan toch den top en beklommen daarop den molen, voor zoover hij overeind was blijven staan.

Raffles had juist gezien. Van dit punt af kon men den omtrek mijlen ver in alle richtingen waarnemen.

Langen tijd bleven de beide mannen zwijgend uitzien en toen begon Raffles, met de hand in westelijke richting wijzend, op ernstigen toon:

„Die dubbele heuvel, daarginds met zijn flauwe helling, is de Mort Homme. Ten zuiden daarvan en ervan gescheiden door de Esnes kun je duidelijk hoogte 304 zien liggen, eveneens een hoogst belangrijk punt om welks bezit bloedig gestreden is, maanden en maanden achtereen. Op twintig Augustus om tien minuten over half vijf in den morgen begon de aanval van de Fransche troepen op de Mort Homme over een breed front en na een beschieting met zware artillerie, die iedere beschrijving tart en met gebruikmaking van gasgranaten, welke de Duitschers dagen achtereen gedwongen had hun gasmaskers voor te houden, waardoor het moreel niet weinig geschokt was. Meter voor meter, stap voor stap, als het ware moest hier de grond veroverd worden. Bedenk, dat de Franschen bij de bestorming den heuvel opwaarts moesten gaan en dat de Duitschers het terrein konden bestrijken, waarover zij oprukten, en toch slaagde de aanval, zij het ook ten koste van groote offers. Aanvallers zoowel als verdedigers streden hier met leeuwenmoed, maar de Fransche soldaat wist, dat het hier om het behoud van zijn land ging, en daarom was hun aanval onweerstaanbaar.”

Hij zweeg even en ging toen voort op denzelfden gedempten toon:

„Het was nog donker, toen de aanval begon en voor een deel was de duisternis door menschen verwekt, want de ontploffingen van de duizenden en nog eens duizenden gasgranaten hadden de dalen als het ware gevuld met een dikke, grijze mist, waarin men de voorwerpen slechts onduidelijk kon onderscheiden. Zoo ontzettend hevig was het spervuur van de Fransche artillerie, dat letterlijk alles in de Duitsche linie tot gruis was geschoten, nog voor de eerste Fransche soldaat, die den aanval ondernam, over de borstwering van zijn loopgraaf was geklommen.…”

„Ik weet, welk gewicht er aan dezen slag gehecht werd, Edward,” zeide Charly. „Als ik het mij wel herinner, was niemand minder dan generaal Pershing [5]de opperbevelhebber van de Amerikaansche troepen, hier aanwezig, toen het schrille fluitje op de seconde af in alle Fransche loopgraven weerklonk over een front van een tiental mijlen, dat het sein was voor den aanval.”

„Dat is ook zoo, Charly, en behalve de Amerikaansche opperbevelhebber woonden ook enkele Engelsche hoofdofficieren met hun adjudanten de bestorming van den Mort Homme bij.”

„Het ziet er verschrikkelijk uit,” zeide Charly hoofdschuddend. „Het lijkt wel of de geheele heuvel door een ontzaggelijke reuzenhand is omgewoeld. Overal zie je groote kuilen, palen, waaraan de prikkeldraden bevestigd werden, ijzeren platen, die waarschijnlijk gediend hebben als bedekking van de Duitsche onderkomens, en een onbeschrijfelijke warwinkel van boomstronken, steenen planken, stuk geschoten wapens en andere dingen, die ik onmogelijk kan onderscheiden, zelfs niet door mijn kijker.”

Charly had het voorwerp opnieuw naar zijn oogen gebracht en zeide na eenige oogenblikken:

„Ik zie echter tot mijn blijdschap dat de landbouwers hier toch weder aan het werk zijn gegaan. Ik zou waarlijk zeggen, dat ik daar zelfs een klein lapje zie, waar het graan hoog is opgeschoten.”

„Je hebt gelijk en daar ginds schijnen bieten geplant te zijn, daar bij dat kleine gehucht een weinig voorbij den heuvel gelegen.”

„Maar wat is dat daar toch?” kwam Charly, die eenigen tijd naar een bewegelijk punt in de verte had gestaard. „Ik zie daar een vrouw met een spade hard aan het werk, maar van een akker is niets te bespeuren.”

Raffles wendde door den kijker zijn blik in de aangewezen richting en antwoordde na eenigen tijd:

„Ja, een vrouw, met spierwit haar of met een witten hoofddoek, dat is op dezen afstand niet duidelijk te zien. Zij is ijverig aan het graven, maar het doel is mij niet duidelijk, want zooals je zegt is daar volstrekt geen bebouwd land. Ik zou eerder zeggen, dat zij daar in een loopgraaf of iets dergelijks aan het wroeten is. Kom mede, wij zullen zien wat het is.”