[Inhoud]

HOOFDSTUK II.

De waanzinnige van Béthincourt.

De beide vrienden daalden den heuvel weder af en bereikten opnieuw den straatweg. Hier en daar ontmoetten zij troepjes wegwerkers, die druk bezig waren den weg te herstellen, waarvan nog maar bitter weinig over was, toen de wapenstilstand werd gesloten en die zelfs nauwelijks te onderscheiden was van het aangrenzende veld.

Van de huizen, die langs den straatweg gestaan hadden, was zelfs het laatste spoor in den loop van den oorlog verdwenen. Geen steen, hoe klein ook, was er van terug te vinden.

Gansche gehuchten waren in dit oord van verschrikking als het ware van den aardbodem weg gevaagd, zonder dat er een spaander of spijker terug was gevonden.

Van de prachtige wouden van Cumières, van Avocourt, van de Raven, was geen spoor meer te ontdekken, uitgezonderd eenige boomstronken.

„Voor men een oorlog begon,” zeide Raffles na eenigen tijd, „moest het mogelijk zijn, de mannen, die over het lot van een land te beschikken hebben, naar een plek als deze te brengen en hun aldus voor oogen te stellen, wat een oorlog eigenlijk beteekent. Vernieling, verwoesting, uitroeiing, dat is het. Wat heeft deze oorlog gebracht aan de menschheid? Honger, haat, ziekte, ontevredenheid, armoede en sterk verminderd moreel peil, dat heeft hij ons gebracht. Geen grein goeds, niets wat hem dan ook maar eenigszins zou kunnen verontschuldigen.…”

Op eenigen afstand rezen nu de torens van Béthincourt op.

Het kerkje was nog gespaard gebleven, als door [6]toeval en ook tal van huizen hadden weinig of niets geleden, of waren reeds weer herbouwd.

Terzijde van den weg waren hier half gevulde loopgraven te zien, temidden van de heuvels en eensklaps kregen de beide vrienden de vrouw te zien, die zoo even hun aandacht had getrokken.

Dicht bij de puinhoopen van een boerenhofstede stak zij met driftige bewegingen de spade in den grond, staande in een gedeelte van een loopgraaf die zich nog tamelijk wel in den oorspronkelijken toestand bevond.

Zij kon nog niet zeer oud zijn, want zij hanteerde de schop met krachtige hand en haar bewegingen waren die van een jonge vrouw, heur haar was echter spierwit.… Zij stond half van de beide mannen afgewend, die eenigszins verbaasd stil waren blijven staan, want zij konden zich volstrekt niet voorstellen wat de vrouw daar wel kon zoeken, die daar zoo ijverig bezig was.

Ze kwamen langzaam naderbij, waarbij zij den weg moesten verlaten en door de rulle, roodachtige aarde moesten stappen.

Zoo naderden zij de vrouw tot op een afstand van een paar meter, zonder dat deze hun nadering bemerkt scheen te hebben.

Zij spitte met haastige bewegingen verder, zonder op te zien, maar zich nu en dan bukkend om iets op te rapen, het even te bezien, en het dan met een uitroep van ongeduld weder weg te werpen.

Onder dezen eigenaardigen arbeid prevelde zij met eentonige stem wat voor zich heen en nu en dan liet zij een schel lachje hooren.

„Maar voor den drommel, die vrouw praat Engelsch,” zeide Raffles op gedempten toon, terwijl hij Charly verwonderd aankeek.

„Dat meende ik ook reeds te hebben gehoord,” kwam de jonge man, die weinig minder verbaasd was.

Raffles trad nog een paar passen naderbij en vroeg toen in het Engelsch:

„Mag ik weten, wat je daar doet, vrouwtje?”

De vrouw liet haar spade rusten en hief het hoofd naar den vrager op.

Het was een door de zon gebruind gelaat, vol kleine, fijne groeven, dat wonderlijk afstak bij het witte haar.

Er schitterden twee groote, zwarte oogen in, waarin een zonderling vuur glom.

Tusschen de volle roode lippen, die half geopend waren, blikkerden sneeuwwitte tanden, gaaf en scherp als van een jong meisje.

De vrouw kon zeker niet ouder zijn dan vijf en dertig jaar, misschien nog wel jonger. Zij keek Raffles een oogenblik met haar vreemd glanzende oogen aan en herhaalde toen eenige malen achter elkander:

„Engelschman, Engelschman, Engelschman.”

Raffles en Charly keken elkander verwonderd aan. Toen herhaalde de eerste zijn vraag.

Maar ditmaal scheen de vrouw hem in het geheel niet te hebben gehoord.

Zij sloeg geen acht op hem, maar was een weinig verder geloopen en begon daar met hernieuwde ijver te graven.

„Wat een zonderlinge vrouw,” zeide Charly op zachten toon.

„Ik krijg den indruk, Charly, dat de ongelukkige vrouw in haar geestvermogens gekrenkt is,” hernam Raffles ernstig. „Ik kan mij volstrekt niet voorstellen, wat zij eigenlijk zoekt. Maar stil eens, daar komen eenige arbeiders aan. Misschien kunnen die ons wel eenige inlichtingen geven. Ik zou zeggen dat die vrouw hier in de streek wel bekend moet zijn.”

Inderdaad naderden langs den straatweg twee mannen met de spade over den schouder en de jas over den arm, de breedgerande hoeden achterover geschoven en een pijp in den mond.

Zij waren klaarblijkelijk landarbeiders, die juist van het werk kwamen.

Zoodra de beide mannen genaderd waren, sprak Raffles hen vriendelijk aan en vroeg, terwijl hij zijn stem liet dalen, teneinde niet door de vrouw met het witte haar te worden gehoord tot een der mannen:

„Neem mij niet kwalijk, goede vriend, als ik u een oogenblik ophoud. Kunt ge mij niet zeggen, wie die vrouw is met dat spierwitte haar, die daar zoo haastig in den grond wroet.”

De arbeider wierp een vluchtigen blik in de richting van de vrouw en antwoordde toen:

„Ik ken haar wel, mijnheer, maar wie zij is zou ik onmogelijk kunnen zeggen. Ik weet alleen, dat zij zoo goed als steeds Engelsch praat en haar accent als zij Fransch spreekt is op een uur afstand te onderscheiden. De arme stakkerd is niet wel bij het hoofd.”

„Dat meende ik al dadelijk te hebben opgemerkt,” hernam Raffles. „Heeft zij een idee fixe?” [7]

„Zoo iets zal het wel zijn, mijnheer, want zij is van vroeg tot laat, zonder schijnbaar ooit vermoeid te raken, en zonder zich bijna den tijd te gunnen om een korst brood te nuttigen, bezig te graven in den grond, meestal in oude, voor de helft reeds weder met aarde gevulde loopgraven. Maar wat zij hier zoekt, dat heeft nog geen mensch ooit kunnen ontdekken.”

„Hoe lang zwerft zij in deze streken reeds rond?”

„Al bijna een jaar, mijnheer, vanaf het oogenblik dat de wapenstilstand gesloten was.”

„Is zij geheel alleen?”

„Ik heb nog nooit iemand anders in haar gezelschap gezien, dan een oud, broodmager hondje, dat, de hemel weet waar, van leeft.”

„Waar woont de ongelukkige ergens?”

„Dicht bij Béthincourt. Men kan het echter moeilijk wonen noemen, mijnheer! Er is daar ergens een oud wijnhuis, waarvan alleen nog maar de muren van den kelder over zijn, en die heeft zij zelf tot woonhuis ingericht. Zij heeft over het gat een paar planken gelegd, dat is alles!”

„Maar laat men dan die ongelukkige zwerfster aan haar lot over?”

„Dat niet—velen geven haar nu en dan eens een paar centimes of een stuk brood. De gendarmen pakken haar op geregelde tijden op, omdat men nu eenmaal niet zwerven of bedelen mag, maar men laat haar uit medelijden den volgenden dag maar weer los.”

„Uit medelijden?” vroeg Charly verbaasd.

„Inderdaad mijnheer, want in de cel gaat zij altijd vreeselijk te keer, terwijl zij anders heel kalm is, zoodra zij weer onder den blooten hemel is en alles kan doen wat zij wil en in volle vrijheid leeft. Men weet dan, dat zij niemand een stroo breed in den weg zal leggen. Ik geloof dat het haar dood zou zijn, als men haar in een of ander gesticht opsloot.”

„Heeft men nooit eens moeite gedaan,” hernam Raffles, „om onderzoek te doen naar de verblijfplaats en de familie van de beklagenswaardige?”

„Dat is een paar maal geschied, mijnheer, maar zonder eenig resultaat! Als men haar ondervraagt, praat zij wartaal—Engelsche wartaal nog wel, en papieren heeft zij nooit bij zich. Men vermoedt, dat een van haar familieleden in den oorlog is gevallen, en dat zij daarom de oude loopgraven doorzoekt.”

„Maar waarom komt zij dan juist hier?” kwam Charly verbaasd. „Hier hebben toch nooit Engelschen, en alleen Franschen gestreden?”

„Dat is wel zoo, mijnheer, maar ik herinner mij heel goed—mijn kameraad en ik hebben hier op dezelfde plek aan de bestorming van den Mort Homme deelgenomen—dat er een aantal Engelsche hoofdofficieren met hun adjudanten, oppassers en verdere rompslomp bij de divisie van generaal Guillaumat gedetacheerd waren, om hun voordeel te doen met de lessen, welke de bestorming zou opleveren.”

„Waar bevindt zich ergens de woning van die vrouw?” vroeg Raffles, die vol belangstelling had toegeluisterd.

De arbeider wendde zich om, wees met uitgestrekte hand naar den kerktoren in de verte en antwoordde toen:

„Dat daar ginds is Béthincourt. Gij komt daar als gij slechts dezen weg volgt. Het is hoogstens een half uur loopen. Welnu, op ongeveer twintig minuten hier vandaan, links van den weg, vindt gij een bouwval van het wijnhuis. Gij kunt u niet vergissen, want daar vlak bij zijn ook nog overblijfselen van een molentje. Ik moet u echter waarschuwen dat er niet veel bijzonders aan dien hoop steenen te zien is.”

„Ik dank u voor uw welwillendheid om ons in te lichten, goede vriend, en ik verzoek u en uwen makker ons de eer aan te doen, op onze gezondheid een glas wijn te gaan drinken. Daar wij echter niet van dien kostelijken drank voorzien zijn, zult gij wel genoegen willen nemen met dit kleine geldstukje.”

De daglooner stak het op zoo’n vriendelijke wijze aangeboden geldstuk glimlachend in zijn zak, en daarop ging ieder zijns weegs.

De vrouw met het witte haar had van dit geheele gesprek blijkbaar volstrekt niets gehoord.

Zij volgde den loop van een oude borstwering, sprong nu en dan in de loopgraaf, waar deze nog niet was opgevuld met aarde of zand en begon dan weer te scheppen.

Nu en dan vond zij een klein voorwerp, een uniformknoop, een aluminium drinkbeker, soms ook een roestige en verbogen bajonet, en dan draaide zij die dingen eenigen tijd tusschen de vingers rond om ze ten slotte met een gebaar van ongeduld weg te werpen en verder te gaan. [8]

Nog eenigen tijd bleven de beide mannen zwijgend toezien.

Eindelijk merkte Raffles op:

„Er valt niet aan te twijfelen—hoewel die ongelukkige vrouw waanzinnig is, graaft zij daar met een bepaald doel, dat is duidelijk. Zij doet dit al jaren—en om een woord van Polonius aan te halen: „Er is methode in haar waanzin.” Ik ben er zeker van, dat een geheime drijfveer, welke niemand kent, deze arme vrouw aanspoort, dag na dag, jaar na jaar hier den bodem te doorspitten.”

„En de reden zal wel nooit iemand kunnen doorvorschen,” zeide Charly hoofdschuddend. „Want de vrouw praat slechts onbegrijpelijke wartaal en dat zal de stumperd wel tot haar dood toe blijven doen.”

„Daarom mag je toch een ding niet uit het oog verliezen,” riep Raffles uit. „Vergeet niet dat die wartaal voor de bewoners van deze streek, die immers in het geheel niet met de Engelsche troepen in aanraking zijn geweest, nog veel onbegrijpelijker moet klinken, dan voor iemand die het Engelsch machtig is. Wie weet welk een tragisch geheim er schuilt onder dien, met sneeuwwit haar bedekten schedel.”

Op dit oogenblik kwam er een klein hondje te voorschijn, dat al dien tijd rustig had liggen slapen, zich nu eens duchtig rekte, onbedaarlijk geeuwde en vervolgens eens kwam zien, hoe ver zijn meesteres met haar zonderlingen arbeid gevorderd was.

Het was een bulterriër en Raffles had met het oog van den kenner aanstonds gezien, dat het dier van een voortreffelijk geslacht was, als was het dan nu ook schrikbarend vermagerd.

De hond was bijna zuiver wit, op een groote plek rondom het rechteroog na. Raffles trachtte het beestje te lokken, maar de hond bleek zeer stug te zijn en begon dadelijk dreigend tegen hem te brommen.

Zijn houding werd echter aanstonds veel vriendelijker, toen Raffles de hand in den zak stak en een klein stukje chocolade er uit haalde, dat hij den hond van verre toewierp. De hond wierp er zich met de grootste haast op en slokte het gulzig naar binnen, zonder zelfs te kauwen, waarop hij Raffles met begeerige oogen, maar toch altijd nog een weinig wantrouwend bleef aanstaren.

Ook van dit kleine tooneeltje scheen de vrouw volstrekt niets te hebben gemerkt.

Nog even bleven de twee vrienden haar zwijgend gade slaan en daarop hernam Raffles: „Kom, laten wij verder gaan. Ik zou wel eens de woning van die ongelukkige willen zien.” [9]