[Inhoud]

HOOFDSTUK III.

Op ’t spoor der krankzinnige.

De aanwijzingen van den landarbeider bleken juist te zijn geweest, want de vrienden hadden op het horloge af twintig minuten geloopen, toen Charly stil stond en op een puinhoop wees, waarin men nog zeer vaag den oorspronkelijken vorm van een molen kon hervinden.

De houten bekapping was geheel weggeschoten en hier en daar lagen nog gedeelten van de wieken.

Ook het onderste, steenen gedeelte was erg gehavend.

Niet ver daar vandaan, op een paar meters afstand van den weg, was een tweede hoop steenen te zien. Dat was zeker alles, wat er was overgebleven van het wijnhuis, dat zeker een van de schilderachtige namen had gedragen, zooals die hier gebruikelijk waren, dat waarschijnlijk omringd zou zijn geweest door lommerrijke boomen, en waarbij zich zeker wel eenige van die prieeltjes zouden hebben bevonden, waar het zoo goed minnekoozen was voor de dorpsjeugd en waar men zulken voortreffelijken appelwijn kon krijgen.

Nu was er van dat alles niets meer over dan de vier muren van den kleinen kelder, een soort groote, ondiepe put, die met half vergane planken was afgedekt, waarvan de naden waarschijnlijk door medelijdende en deskundige handen met werk waren gebreeuwd, juist als de planken van een schip.

In het eerst konden de twee vrienden volstrekt niet onderscheiden op welke wijze de krankzinnige van Béthincourt in het onderaardsche verblijf binnen drong maar tenslotte vonden zij het onderste stuk van een keldertrap, waarvan het bovenste gedeelte door een treffer volkomen was weggeschoten.

Er waren nog maar een paar treden over, en daarboven was een planken beschot aangebracht, zoodat er een opening was ontstaan, niet hooger dan anderhalven voet en die door middel van een ouden lap kon worden afgesloten.

Raffles lichtte dezen lap op en keek naar binnen.

De benauwde lucht sloeg hem tegemoet.

De kelderruimte ontving alleen licht en lucht door een rond keldergat, ongeveer een hand breed en waardoor waarschijnlijk ook de ratten vrijelijk in en uit konden gaan, ofschoon het maar al te duidelijk was, dat zij op deze plek zeer weinig van hun gading zouden vinden.

Het was bijna volkomen duister in het kleine vertrek, beter gezegd het hol, en de oogen van de beide mannen moesten zich eerst aan deze duisternis gewennen, voor zij iets konden onderscheiden.

Er viel trouwens bitter weinig te zien.

In een der hoeken lag een half vergane stroozak, die waarschijnlijk tot nachtleger diende aan de ongelukkige vrouw.

In een anderen hoek stond een gebarsten aarden kruik, half met water gevuld, en daar lag ook eenig brandhout opgestapeld, droge takken en stukken hout, welke de krankzinnige waarschijnlijk van den vernielden molen gesloopt had.

Dan was er nog een oud verroest mes te zien, en daarmede was alles gezegd. Een met redenen begaafd wezen zou het in dit sombere, kwalijk riekende hol waarschijnlijk geen vollen dag hebben uitgehouden.

Raffles en Charly, die hun onderzoek snel hadden beëindigd, en daartoe niet in den kelder behoefden door te dringen, waar zij ternauwernood overeind hadden kunnen staan, lieten den lap weder vallen, die de woning afsloot en keken elkander eenige oogenblikken zwijgend aan.

Toen begon Raffles:

„Ik geloof wel dat het heel belangwekkend zal zijn, wanneer wij konden ontdekken, welke beweegredenen die vrouw nopen tot haar zonderling [10]graafwerk. Er kan niet aan worden getwijfeld, of hier schuilt een geheim achter.”

„Zou de ongelukkige niet te genezen zijn?”

„Hoe zou ik dat kunnen zeggen, zonder haar eerst geruimen tijd te hebben gadegeslagen?” was de wedervraag van Raffles. „En dan zou ik nog moeten weten door welke oorzaak de arme vrouw haar verstand is kwijt geraakt. In ieder geval denk ik nog een paar dagen in Béthincourt te blijven, want ik stel belang in de ongelukkige. Zij is in ieder geval een landgenoote van ons, en misschien kunnen wij haar helpen—al is het dan ook niet om haar te genezen—wellicht kunnen wij iets uit haar mond opvangen, dat ons begrijpelijker zal zijn dan aan de brave, Fransche bevolking van deze streek.”

De twee mannen zetten hun weg nog eenigen tijd voort en tien minuten later hadden zij Béthincourt bereikt, een schilderachtig gelegen plaatsje, dat wonder boven wonder niet al te zeer geleden had door den vreeselijken strijd, die maanden achtereen gewoed had.

Zij gebruikten hier het middagmaal en deden, waar zich daartoe de gelegenheid aanbood, navraag naar de Engelsche vrouw, die hier op zulk een vreemde wijze was te land gekomen.

Zeer velen bleken haar te kennen, maar niemand was in staat te zeggen vanwaar zij kwam.

Zij was eensklaps komen opdagen, niemand wist vanwaar, in gezelschap van haar witte bulterriër, die toen nog glanzend en wel doorvoed was.

Niemand had zulk een hond ooit gezien en dat verwonderde Raffles geenszins, want hij wist wel, dat deze soort terriërs buiten Engeland slechts zeer sporadisch voorkomen, behalve wellicht in Amerika.

De vrouw had ergens een oude verroeste schop van een geniesoldaat weten machtig te worden en zij was dadelijk aan het werk gegaan, een werk, dat schijnbaar nooit een einde zou nemen.

Men had haar reeds in Malincourt, in Esnes, ja tot zelfs onder den rook van Verdun gezien, in de forten van Vaux, Douaumont en Avrincourt op hoogte 304, op den tweelingheuvel van den dooden man, en op nog andere plaatsen, vergezeld door haar hond en steeds gewapend met haar schop.

Toen men haar voor het eerst zag stond iedereen verbaasd over het zonderling contrast van haar nog jong, ongerimpeld gelaat en haar spierwit haar.

Zij was toen zeer goed gekleed en droeg zelfs eenige sieraden, die er op wezen, dat zij van zeer goede afkomst moest zijn.

Zoodra het echter bleek dat de geestvermogens van de ongelukkige gekrenkt waren, had de politie in Béthincourt zich over deze sieraden ontfermd, daar zij wilde vermijden dat een of andere landlooper de arme vrouw overviel, en misschien zwaar mishandelde, om zich in het bezit van de juweelen te stellen.

Haar fraaie kleederen waren echter al zeer spoedig door regen en wind, stof en modder onkenbaar veranderd, maar zij zelf scheen daar in het geheel geen acht op te slaan. Zij leefde slechts voor haar onverklaarbaren arbeid.

Er waren een paar lieden te Béthincourt, die Engelsch verstonden en die hadden getracht de vrouw aan het praten te krijgen, maar al hun moeite was te vergeefs geweest.

De vrouw uitte slechts onsamenhangende woorden, zonder slot noch zin.

Bij stukjes en beetjes was Raffles dit te weten gekomen en omstreeks tien uur in den avond zaten de beide vrienden in een eenvoudig hotel en gebruikten in de gelagkamer hun souper, dat er lang niet kwaad uitzag, de omstandigheden in aanmerking genomen.

Gedurende den avond was de wind komen opsteken en het was duidelijk, dat er verandering van weer op til was.

Zwarte wolken dreven snel langs den loodgrijzen hemel en de kale boomen zwiepten als door een machtige hand terneer gebogen.

Er waren ook reeds een paar druppels regen gevallen, maar de wind was zeker te sterk, om het tot een plasregen te laten komen.

Nadat de twee vrienden hun maaltijd gebruikt hadden, besloten zij nog een kleine wandeling te maken, alvorens zij zich in het hotel ter ruste zouden begeven.

Deze naam werd namelijk gegeven, misschien wel ten onrechte, aan de treurige resten van het voormalige logement, dat met behulp van planken en zeildoek in verschillende kamers was afgeschoten, en waar men goed uit de oogen moest zien, teneinde te voorkomen, dat men op een al te dunne plek van den vloer naar beneden viel.

Het huis scheen verscheiden malen door granaten te zijn getroffen en de gaten waren voorloopig eenvoudig [11]dicht gepleisterd, of wel met behulp van planken dicht gespijkerd, zoodat het geheel geen al te fraaien aanblik opleverde. Raffles en Charly hadden echter geen keuze gehad als zij te Béthincourt wilden blijven om de afdoende reden, dat het logement „De roode Haan” het eenige van het stadje was.

Zij trokken hun medegenomen jassen aan, zeiden den vriendelijken waard, dat zij binnen eenige uren wel terug zouden zijn, hetgeen den goeden man wel een weinig verbaasde, daar men zich in deze streken meestal reeds om tien uur ter ruste begaf, en daarop waagden zij zich in de duisternis.

Inderdaad mocht hier van wagen worden gesproken, want met de verlichting van het stadje was het nog bijster treurig gesteld.

De kabels van de electrische centrale te Verdun, die het plaatsje vroeger van electrisch licht voorzagen, waren vele kilometers vernield, en men had ze nog niet kunnen herstellen.

En zoo was het gemeentebestuur wel verplicht geweest, zijn toevlucht te nemen tot de ouderwetsche olielampen, die hier en daar tusschen de huizen waren opgehangen.

En men moest het wel aan den goeden wil van den wind overlaten, of deze lampen al dan niet bleven branden.

Het puin was gelukkig reeds weg geruimd in deze stad, en zoo bleef den twee mannen althans de kans bespaard, over een hoop steenen te vallen.

Toch moesten zij voorzichtig voorwaarts gaan, want de duisternis was zeer groot, en zij kenden den weg hier slecht.

Na eenigen tijd bereikten zij den straatweg, dien zij dienzelfden dag waren afgekomen.

Wanneer niet nu en dan de volle maan achter de wolken te voorschijn ware gekomen, dan zou het bijna onmogelijk zijn geweest, hier iets te onderscheiden.

In de gelukkige tijden van weleer stonden er fraaie boomen langs dezen weg, die hem voldoende aanduidden, maar reeds sedert lang stond er van al deze boomen geen enkele meer overeind en het was al zeer gemakkelijk, van den weg te geraken en in den greppel te belanden, die er langs liep.

Nu en dan liet Raffles zijn electrische zaklantaarn schijnen, teneinde zich te vergewissen, dat hij zich nog altijd op den weg bevond.

De twee vrienden hadden nauwelijks tien minuten geloopen, of Raffles stond stil, en legde zijn hand op den arm van zijn metgezel.

„Wat is er?” vroeg Charly op gedempten toon.

„Hoor je niets?”

Charly luisterde opmerkzaam en antwoordde toen:

„Ik zou zeggen, dat ik zachtjes hoor steunen, het is alsof er een mensch binnensmonds praat.”

„Dat meende ik ook te hooren. Het is ook volstrekt niet onmogelijk. Zie maar eens die vormelooze massa daar ginds, dat is het verblijf van de arme krankzinnige.”

„Zou zij het dan zijn, die daar in zichzelf praat?”

„Wie zou het anders kunnen zijn?”

Op dit oogenblik blafte een hond een paar malen schel en met een klank van vroolijkheid.

Het was zeker de bulterriër, die verheugd was, dat hij met zijn meesteres zijn somber verblijf mocht verlaten en blijkbaar in de hoop verkeerde, dat een goedgunstig lot hem op het spoor van een of ander half afgekloven been zou brengen.

„Kom spoedig mede,” zeide Raffles op zachten toon. „Zij schijnt er weer op uit te willen gaan, ondanks het late uur. Misschien kunnen wij wel wat uit haar krijgen.”

„Ik vrees van niet, Edward, maar natuurlijk volg ik je,” zeide Charly. „Zou die hond ons niet aanvliegen in het duister?”

„Ten eerste is de wind naar ons toe, ten tweede is het dier te zwak om ons veel kwaad te kunnen doen en ten derde heb ik een heerlijk stuk worst bij mij, dat hem wel wat vriendelijker zal stemmen.”

„Rekende je er dan op, dat wij de arme vrouw zouden ontmoeten?” vroeg Charly verwonderd.

„Ik rekende er niet op, maar ik hoopte het toch wel,” gaf Raffles ten antwoord. „En nu spoedig voorwaarts.”

De beide vrienden gingen snel af op het eentonige geweeklaag, dat nu en dan door den ruwen wind tot hen werd overgedragen, en dat een weinig werd afgewisseld door het nijdige geblaf van den terriër.

Zij gingen een honderdtal schreden verder, en eensklaps zagen zij een vaag, rossig schijnsel, dat zich niet steeds op dezelfde plek bevond, maar zich langzaam scheen te verplaatsen.

Klaarblijkelijk droeg de vrouw een lampje of een lantaarn bij zich.

De beide vrienden verhaastten hunne schreden, wat ten gevolge had, dat zij nu en dan tamelijk onzacht [12]kennis maakten met een steen, die uit den ongelijken weg opstak en het duurde niet lang, of zij waren de krankzinnige van Béthincourt tot op een afstand van ongeveer twintig meter genaderd.

Zij konden nu zien, dat zij zooals altijd gewapend was met haar schop.

In de linkerhand hield zij een oude fietslantaarn, een van die kleine petroleumlampjes, zooals die vroeger algemeen gebruikt werden.

De lantaarn verspreidde slechts een weinig licht, maar toch voldoende om de vrouw te behoeden voor een plotselingen val in een van die diepe kuilen, die men in dit verwoeste gebied nog bij iederen stap aantrof.

Zij had een doek omgeslagen en gedeeltelijk over haar hoofd getrokken, maar voor het overige kon de koude wind onbelemmerd door haar dunne kleederen heen dringen.

De hond liep voor de vrouw uit, met den neus naar den grond en gretig snuffelend.

Blijkbaar had hij van de twee achtervolgers, die zich onder den wind bevonden, nog niets geroken.

De vrouw zette nu haar lantaarn neer, nam de spade van haar schouders en begon te graven.

Zij sprak onder het werk bijna voortdurend voort op denzelfden klagenden toon, maar het was onmogelijk te verstaan, wat zij zeide, want zij mompelde half binnensmonds.

Maar dit was boven iederen twijfel verheven: De vrouw uitte haar jammerklachten in het Engelsch.

De plek, waar zij was begonnen te graven bevond zich niet ver van de puinhoopen van den ouden molen.

„Het is mij niet recht duidelijk,” zeide Charly na eenigen tijd, „hoe de Franschen, of misschien de Duitschers, dat weet ik niet, er toe gekomen zijn hun loopgraven vlak bij dien molen aan te leggen. Zij moeten toch geweten hebben, dat die molen op een afstand van tien kilometer zelfs met het bloote oog duidelijk zichtbaar was, en voortreffelijk doelwit opleverde voor het vijandelijk geschut.”

„Je kunt er dan ook wel zeker van zijn, Charly, dat die loopgraaf daar zoo dicht bij dien molen was aangelegd, nadat die reeds plat was geschoten, maar zie eens, de vrouw neemt haar lantaarn weer op en gaat verder. Laten wij haar volgen.”

De krankzinnige had inderdaad haar fietslantaarn weder opgenomen, die aan een ijzerdraad hing en was verderop gegaan, tot in de onmiddellijke nabijheid van de overblijfselen van den molen.

En hier begon zij opnieuw uit alle macht te graven.

Bij het zwakke licht van de lantaarn konden Raffles en Charly, die haar waren nagegaan, duidelijk zien, dat de vrouw hier reeds vele dagen en nachten aan het werk moest zijn geweest, want zij had een grooten kuil geheel alleen uitgegraven, zooals te zien was aan den berg versche aarde, die er naast lag.

Ongeveer een kwartier keken de beide vrienden zwijgend en met diep medelijden voor de ongelukkige vervuld, toe.

De vrouw scheen over een groote kracht te beschikken, zooals dat met meer personen het geval is, wier geest gekrenkt is, en wierp volle schoppen aarde over den rand van den kuil.

„Laten wij nu eens naar haar toe gaan,” stelde Raffles op zachten toon voor.

De beide vrienden wilden juist aan dit plan gevolg geven, toen de krankzinnige een zwakken kreet uitte, juist zooals een verheugd kind doet, dat een mooi stuk speelgoed heeft gekregen en het volgende oogenblik verdween zij, alsof zij door den grond was verzonken.

Zij scheen haar lamp te hebben medegenomen, want plotseling was het bijna stikdonker.

Heel in de verte, met een eigenaardigen klank, alsof het van onder den grond kwam, klonk het geblaf van den terriër.

„Waar kan zij gebleven zijn?” vroeg Charly verwonderd, terwijl hij Raffles bij de mouw greep, uit vrees dat hij hem in de tastbare duisternis, die er heerschte, zou kwijt raken.

Hij kreeg geen antwoord. Maar inplaats daarvan verlichtte een heldere straal uit de electrische zaklantaarn van Raffles de omgeving.

„Nu kunnen wij althans zien, en dat is veel gewonnen,” zeide de Groote Onbekende. „Daar was zij het laatst, daar waar je den aardheuvel ziet, dien zij zelf heeft opgeworpen.”

De beide mannen gingen op dezen heuvel toe, die ongeveer twintig meter verder lag en waarbij zij goed acht moesten geven, dat zij niet in een van de diepe granaattrechters terecht kwamen, die hier [13]de akkers tot op groote diepte geheel onvruchtbaar hadden gemaakt.

Zij moesten nu en dan voorzichtig een zeer smal paadje volgen, hetwelk de afscheiding vormde tusschen twee groote kuilen, bijna zeven tot tien meter diep, en een enkele maal moesten zij om een reusachtig groot gat heen loopen, dat voor een gedeelte met regenwater gevuld was, maar eindelijk bereikten zij toch de plek, waar zij de krankzinnige voor het laatst gezien hadden.