[Inhoud]

HOOFDSTUK IV.

De portefeuille en de ring.

Het was duidelijk dat de vrouw hier gegraven had in hetgeen over was gebleven van een voormalige loopgraaf.

Hier en daar lagen nog de verweerde overblijfselen van de gonjezakken, die, met zand gevuld, de borstweringen hadden helpen vormen, en overal lagen korte, armdikke gedeelten van boomtakken, die gebruikt waren om deze zakken te stutten.

Ook moesten de beide vrienden oppassen, dat zij zich de kleederen, de handen en het gelaat niet openscheurden aan de stukken prikkeldraad, die hier nog altijd schots en scheef door elkander lagen, voor een gedeelte nog verbonden aan de paaltjes, waar zij oorspronkelijk aan waren vast gemaakt, wie weet onder welke verschrikkelijke omstandigheden, terwijl de vijand den hemel verlichtte met zijn magnesiumpijlen, en dadelijk zijn mitrailleurs liet ratelen, zoodra er zich maar een vage vorm in Niemandsland vertoonde.

Zij behoefden niet lang te zoeken, alvorens zij ontdekt hadden, op welk punt de krankzinnige was verdwenen.

De loopgraaf, die waarschijnlijk zeer diep was geweest, was met aarde bijna geheel opgevuld, waarschijnlijk opgeworpen door de granaatontploffingen, en de vrouw had na dagenlangen arbeid deze laag weg gegraven.

Zij had dus den ingang bloot gelegd naar een van die ondergrondsche holen, welke door de Franschen „abris” werden genoemd.

Deze ingang werd gevormd door een dikken boomstam, door twee even dikke palen geschoord.

Een volwassen man kon er slechts binnengaan als hij zich zeer diep bukte.

De ingang was gedeeltelijk versperd door stukken hout, en door nog iets anders, wat de beide vrienden aanstonds niet konden onderscheiden.…

Pas toen Raffles er het licht van zijn zaklantaarn op liet vallen, zagen de twee vrienden tot hun afgrijzen, dat het een viertal geraamten waren.…

Uit de opening drong een afschuwelijke stank naar buiten, en het was onbegrijpelijk, dat een levend wezen het daarbinnen kon uithouden.

De twee mannen wachtten nog even totdat de schadelijke dampen eenigszins waren weggetrokken en drongen toen onversaagd naar binnen.

Zij moesten gebukt loopen en konden slechts achter elkander gaan, want de gang was hier nog zeer smal.

Het bleek dat zij van boven was afgedekt door groote stukken gegolfd plaatijzer, die op geregelde afstanden ondersteund werden door zware steunbalken.

Maar eensklaps werd de gang wijder en op hetzelfde oogenblik doofde Raffles het licht van zijn lantaarn weder, na zich te hebben omgewend, en met een veelbeteekenend gebaar zijn vinger op de lippen te hebben gelegd.

Het was nu volkomen duister, want op eenigen afstand ontwaarden de twee mannen opnieuw het licht van de fietslantaarn.

Het voorwerp was op den grond gezet, en het licht dat daar zoo eenzaam brandde, maakte een spookachtigen indruk. [14]

Van de vrouw was aanvankelijk niets te zien, maar het was duidelijk dat zij daarginds moest zijn, want de beide vrienden hoorden haar steunen en zuchten en nu en dan een opgewonden kreet slaken.

Zij was zeker achter een hoek verborgen, en druk in de weer met haar schop, want zij hoorden het geluid van metaal op hout.

De terriër had zich op den grond neergezet, dicht bij de lantaarn, en rustte met den kop op de voorpooten.

Maar nu en dan hief hij met onrustige, snelle bewegingen den fijnen kop op, snoof, en spitste de ooren, terwijl zijn donkere verstandige oogen het duister van de gang trachtten te doorboren.

Blijkbaar had hij de aanwezigheid van de beide indringers geroken.

De lucht hier beneden was ondragelijk en bijna ongeschikt om te worden ingeademd door menschelijke wezens, en reeds voelde Charly zich onpasselijk worden toen hij plotseling hevig schrikte en met bonzend hart den arm van Raffles greep.

Verder op in de gang of kelder, hoe men het wilde noemen, had een snijdende gil weerklonken, gevolgd door den val van een lichaam.

„Kom spoedig mede—daar is iets ernstigs gebeurd!” zeide Raffles, zelf ten zeerste ontsteld, terwijl hij Charly met zich meetrok, en zijn lantaarn weder opstak.

Haastig legden de twee mannen den korten afstand af, die hen nog scheidde van een soort kelder, waarop de gang uitliep, welke zij zooeven verlaten hadden.

Onmiddellijk sprong de hond op om de beide indringers woedend aan te blaffen.

Maar de beide mannen hadden wel aan iets anders te denken, dan aan den bulterriër.

Een weinig ter zijde van de gang lag de krankzinnige van Béthincourt op den rug uitgestrekt, met glazigen blik en half geopenden mond.

In de linkerhand hield zij een portefeuille van rood juchtleder vervaardigd, die zij zooeven moest gevonden hebben, en de rechterhand—de twee vrienden zagen het met afgrijzen—rustte op de ontvleeschte vingers van een skelet, dat in zittende houding tegen den wand van den kelder leunde.

Van de uniform was geen spoor meer te bekennen, uitgezonderd de metalen deelen, maar aan de voeten staken nog de vetlederen laarzen.…

Raffles lichtte voorzichtig de hand van de bewustelooze vrouw op en ontdekte aan den vinger van het geraamte een gouden zegelring.

Hij hief het hoofd op, keek Charly ernstig aan, en zeide:

„Nu zullen wij misschien spoedig de oplossing van het raadsel weten, beste Charly! Maar voor alles moeten wij deze ongelukkige vrouw hier wegbrengen; de vondst van deze voorwerpen schijnt haar ten zeerste te hebben aangegrepen en de verpeste lucht die hier heerscht zou haar kunnen dooden.”

Raffles maakte voorzichtig de portefeuille los uit de krampachtig gesloten vingers van de vrouw en liet het voorwerp in zijn zak glijden.

Een oogenblik scheen hij in beraad te zijn en toen nam hij snel en vastbesloten den gouden zegelring van de beenderhand en stak dien eveneens bij zich.

„Wie weet hoe dit voorwerp de arme vrouw nog kan te pas komen,” zeide hij op gedempten toon. „En help mij nu om haar naar buiten te dragen.”

Zonder een woord te spreken, namen de twee mannen de krankzinnige op en droegen haar, zich niet storend aan het woedende geblaf van den hond, door de gang weer in de buitenlucht.

Zij zelven waren zoo duizelig geworden door de afschuwelijke lucht in den kelder, dat zij zich gelukkig achtten de frissche nachtlucht weder te kunnen inademen.

De terriër had zich nu over zijn meesteres heen gebogen en likte, zachtjes jankend, het bleeke gelaat.

Hij scheen echter te beseffen, dat hij met vrienden te doen had, want hij liet het rustig toe, dat Raffles de slapen van de vrouw bevochtigde met een paar druppels van een opwekkend middel, dat hij meestal bij zich droeg en welke hij op zijn zakdoek had uitgestort.

„Blijf jij hier zoo lang bij de ongelukkige vrouw wachten, Charly,” zeide Raffles, „dan ga ik nog eens in dat vreeselijke hol terug om te zien, of ik er nog iets naders kan ontdekken.”

„Blijf in hemelsnaam niet te lang weg,” riep Charly verschrikt uit. „Men zou daar binnen bedwelmen. Het lijkt wel of men een grafkelder inkomt.”

„Dat is het dan ook, Charly, in de ware beteekenis van het woord,” zeide Raffles op vasten toon. „Je behoeft er niet aan te twijfelen, of wij zijn zooeven in den kelder van den molen geweest, die door een van de beide strijdende partijen tot onderaardsche [15]schuilplaats was ingericht. Hoogstwaarschijnlijk heeft de ontploffing van een reusachtige granaat den molen boven den kelder doen instorten en tevens den eenigen uitgang versperd door de loopgraaf over een afstand van tientallen meters met aarde te vullen.”

„Wat moet ik doen als de vrouw wellicht uit haar bewusteloosheid ontwaakt?”

„Dan kom je mij onmiddellijk waarschuwen, maar ik vrees dat dat niet noodig zal zijn.”

„En de hond?”

„Wel, die zal wel niet wegloopen. Tracht hem wat aan je te wennen. Hier, zie eens, of hij wat van die worst lust.”

En met deze woorden verdween Raffles, na het lekkere hapje aan Charly te hebben overhandigd, weder in de nauwe, duistere gang, met zijn lantaarn gewapend.

Hij liep nu zoo snel hij kon voort tot hij den kelder bereikte en begon daar aanstonds zijn onderzoek.

Dit onderaardsche hol leverde een afschuwelijken aanblik op met zijn twintigtal geraamten, die in allerlei houdingen in het rond lagen, of nog steeds tegen den muur geleund waren.

Geweren, verroeste bajonetten, patroontasschen, kistjes met geweerpatronen lagen overal verspreid.

Raffles opende een van deze kistjes, nam er een van de pakjes patronen uit, en bekeek het opschrift.

„Duitsche patronen,” riep Raffles met een zachten kreet van verrassing. „Deze kelder heeft dus het laatst aan de Duitschers behoord, toen hij door een granaatontploffing werd vernield en de ingang voor goed werd afgesloten voor deze ongelukkigen. Maar laat ons eens verder zien.”

Raffles nam zijn lantaarn weder ter hand en begon vlug den kelder te doorzoeken, want reeds benam hem de benauwde lucht bijna den adem.

Hij vond tal van uniformknoopen liggen, koperen haken, verschillende uitrustingsstukken en die bewezen hem, dat in dezen kelder op zijn minst zestien Duitschers geweest moesten zijn, toen de granaatontploffing plaats vond.

Maar toen hij het geraamte eens nauwkeurig onderzocht, waarnaast de ongelukkige vrouw in bewusteloozen toestand was bevonden, vond hij daar een zestal knoopen met een R en een F door elkaar gestrengeld, en die knoopen waren zonder eenigen twijfel van een Engelsch uniform.

Engelsch was ook de lederen koppel en Engelsch waren de sporen, die nog aan de hooge kaplaarzen zaten.

Ter hoogte van den schouder vond hij geel koperen nummers, ongetwijfeld het regimentsnummer.

„Waarschijnlijk luitenant, misschien kapitein van de Royal Fuseliers,” mompelde Raffles voor zich heen. „Denkelijk is hij met nog een paar andere Engelschen in handen van de Duitschers geraakt, ter gelegenheid van een overval, en hier heeft de dood vriend en vijand verrast. Wat die arme krankzinnige betreft, zij schijnt aan het einddoel van haar reis te zijn gekomen in dezen vreeselijken kelder, waar de dood een waar festijn heeft gevierd, schijnt zij eindelijk te hebben gevonden wat zij zocht, en misschien heeft dat haar den dood gebracht.”

Nog eenmaal wierp Raffles een blik om zich heen.

Toen deed hij alles in zijn zak, wat hij bij het geraamte van den Engelschen officier had gevonden, nam de rijwiellantaarn op en verliet zoo snel hij kon dit oord van verschrikking.

Bij den uitgang struikelde hij bijna over vier geraamten, welke hier op den grond lagen.

Waarschijnlijk waren het de overblijfselen van vier ongelukkigen, die met den moed der wanhoop getracht hadden, zich hier een uitweg te banen door den velen tientallen meters dikken aarden wal.

Raffles stond een oogenblik naar lucht te snakken, half bedwelmd door de vergiftige walm daar binnen, met de hand op de borst gedrukt en de oogen gesloten.

Charly was opgestaan en snelde naar hem toe.

„Wat is het, Edward? Je ziet zoo bleek als de dood,” riep de jonge man ontsteld uit.

„Laat maar. Over vijf minuten zal het weer over zijn,” zeide Raffles op zwakken toon. „Hoe is het met de vrouw?”

„Nog altijd bewusteloos.”

„En de hond?”

„Hij went al een weinig aan mij. De worst heeft hij tenminste opgegeten.”

„Wij zullen nog even wachten en dan zullen wij den ingang van den vreeselijken grafkelder weder dicht werpen.”

„Waarom?”

„Omdat het voorloopig niet noodig is, dat iemand dat onderaardsche hol ontdekt.” [16]

„Je wilt het dus niet wereldkundig maken, wat ons hier is overkomen?”

„Ik denk er niet aan. Dat doe ik niet, voor wij hier nauwkeurig weten wat de portefeuille bevat, en waarom die vrouw jarenlang gezocht heeft om die te vinden. Al was het dan ook onbewust.”

Raffles had de schop reeds gegrepen en begon de opening weder met aarde dicht te werpen.

Charly hielp zoo goed hij kon met een stuk van een plank, dat hij in de omgeving gevonden had en binnen een kwartier was de opening voldoende verborgen om geen vrees voor ontdekking te koesteren.

Zoodra dit geschied was hielden zij zich bezig met de ongelukkige waanzinnige, die zij zorgvuldig op den bodem van de vrijgemaakte loopgraaf hadden gelegd.

Raffles was naast haar neergeknield en liet het licht van zijn lantaarn op haar gelaat schijnen.

Een oogenblik kon het schijnen alsof het leven uit haar gevlogen was, zoo doodelijk bleek was haar gelaat, maar nu en dan schenen er snelle, zenuwachtige rillingen over te loopen.

Na eenige oogenblikken zeide Raffles:

„Zij kan hier natuurlijk niet blijven. Wij zullen haar zoo spoedig mogelijk naar het dorp, naar ons logement dragen. Het is maar een kwartier loopen hier vandaan. Zie je daar kans toe?”

„Ze lijkt mij niet zwaar toe, en we moeten het in ieder geval probeeren, want er kan ieder oogenblik een plasregen neerdalen en we kunnen haar hier onmogelijk laten.”

De beide vrienden namen de bewustelooze vrouw op.

Zij was inderdaad niet zwaar.

De terriër scheen zich in het eerst te willen verzetten, maar toen scheen zijn instinct hem te zeggen, dat hij met vrienden te doen had.

En zoo volgde het schrandere dier zachtjes steunend den kleinen stoet.

Raffles had zijn zaklantaarn met behulp van een kleinen haak aan zijn jasknoop vastgehaakt en bij het licht behoefden zij niet te vreezen dat zij zouden verdwalen, of met hun last een misstap zouden doen.

Twintig minuten later bereikten zij het logement de Roode Haan, juist op het oogenblik dat de herbergier de luiken op de ramen wilde doen, en zijn deur op het nachtslot, in de overtuiging dat zijn gasten dien nacht wel niet meer zouden terugkeeren. [17]