Raffles liet aanstonds een kamer gereed maken voor die ongelukkige vrouw, die door den herbergier en zijn vrouw dadelijk herkend werd.
Zij werd behoedzaam op een bed gelegd en daarop ging Raffles er nog op uit, teneinde een apotheker op te sporen, den eenige dien het dorp op dat oogenblik rijk was, en wiens voorraad nog niet al te goed voorzien was.
De terriër had zich aanstonds op het kleedje geworpen, dat voor het bed lag, waarop men zijn meesteres had neergelegd en scheen niet van zins te zijn, zich te bewegen.
Na eenigen tijd keerde Raffles terug met wat hij noodig had.
Het had hem tamelijk veel moeite gekost en ook vrij wat geld, om den plattelands apotheker, die eigenlijk niet veel meer was dan een drogist, te bewegen uit zijn bed te komen en gereed te maken, wat hij noodig had.
Charly had geduldig op zijn terugkomst gewacht, en de kastelein en diens vrouw weggezonden, die de grootste nieuwsgierigheid aan den dag hadden gelegd.
En nu zaten de beide vrienden voor het bed, teneinde de uitwerking gade te slaan van het middel, hetwelk Raffles zooeven niet zonder moeite tusschen de vast opeengeklemde tanden van de bewustelooze vrouw had weten te gieten.
Nu en dan voelde Raffles haar pols en streek over haar slapen, die klam waren van het zweet.
„Zij heeft hooge koorts,” zeide hij zacht. „Ik vrees dat dit avontuur haar sterk heeft aangegrepen, Charly.”
„Zou zij nu eindelijk gevonden hebben wat zij zocht?”
„Dat kan dunkt mij niet twijfelachtig zijn. Natuurlijk is het louter toeval, dat zij in dezen nacht gevonden heeft, waar zij reeds jarenlang naar zocht. Zij schijnt evenwel nog zooveel besef te hebben gehad, dat zij wist in deze streek te moeten zijn.”
„Ik denk dat een blik in de portefeuille ons het raadsel wel kan onthullen.”
„Wij zullen die dan ook aanstonds onderzoeken, maar niet nadat wij er zeker van zijn, dat de vrouw rustig slaapt, en dat het slaapmiddel, dat ik haar heb toegediend, zijn uitwerking gedaan heeft.”
De beide vrienden behoefden niet lang te wachten, want een half uur later bewees de gelijkmatige ademhaling van de vrouw, dat zij zonder tot het bewustzijn te zijn geraakt in een tamelijk rustigen slaap was verzonken.
Het was toen bijna half twee in den nacht.
Raffles en Charly stonden zachtjes op, wierpen nog eens een blik op de ongelukkige vrouw, verlieten het vertrek en deden de deur dicht.
Zij behoefden nu slechts een paar stappen in de gang te doen, want hun eigen logeervertrek grensde aan de kamer, waar de krankzinnige thans rustte.
Raffles ontstak weder zijn electrische lantaarn, die hem wel zoo practisch toescheen als het kleine petroleumlampje, plaatste het op de tafel en haalde de portefeuille en den ring uit zijn zak. Het eerst beschouwde hij het sieraad, terwijl Charly zich vol belangstelling over hem heen boog.
De ring was van zwaar goud, en versierd met een fraaien jaspissteen, waarin twee letters gegraveerd waren, een A en een C, waarboven een klein vijfknoppig kroontje.
Raffles draaide den ring in zijn hand om en om, woog hem op de hand en zeide toen:
„De ring schijnt mij erg licht toe, naar zijn omvang te oordeelen.” [18]
„Misschien is hij wel hol.”
„Wij zullen het eens onderzoeken.”
Raffles haalde zijn vergrootglas uit zijn zak, dat hem slechts hoogst zelden verliet en onderwierp den ring aan een nauwkeurig onderzoek.
Het duurde niet lang of hij had een fijn haakje gevonden dicht bij den steen.
Hij duwde dit haakje met behulp van zijn pennemes terug en trok op deze wijze een soort schuifje terug, dat een holte in den ring afsloot.
„Wat zit er in?” vroeg Charly nieuwsgierig.
„Niets anders dan een dun vlokje haar, Charly,” antwoordde Raffles op gedempten toon. „Haar van een eigenaardige goudkleur, goudblond noemt men dat, geloof ik.”
Hij bekeek het vlokje haar nog even, deed zorgvuldig het schuifje dicht en legde den ring terzijde.
Daarop kwam de portefeuille aan de beurt.
Het voorwerp had in dit onderaardsche hol slechts weinig geleden en scheen nog zoo goed als nieuw te zijn.
Raffles nam er eerst alle papieren uit, draaide toen de portefeuille om en om en begon toen:
„Een portefeuille van echt Marokkijnleder, die zelfs voor den oorlog vrij duur zal zijn geweest, gekocht bij J. Drummer, aan het Strand, Hofleverancier, de naam van den man staat er in met kleine vergulde lettertjes. De portefeuille is met grijs gemoireerde zijde gevoerd en blijkbaar nog niet lang geleden gekocht. Men zou zoo zeggen, dat het een afscheidsgeschenk was van een vrouw, wier man ten oorlog trok. En nu de papieren.”
Raffles begon de papieren te rangschikken.
Hij vond allereerst een paar brieven, met een fijne vrouwenhand geschreven, en die onderteekend waren met „Je innig liefhebbende Grace”. Een portret van een kleinen knaap, nauwelijks drie jaren oud en met hetzelfde goudblonde haar, dat hij in den ring had gevonden. Een tweede portret van een zeer schoone vrouw, waarin hij niet dan met eenige moeite de krankzinnige herkende, die nu rustig sluimerde in de aangrenzende kamer, en tenslotte eenige gedrukte documenten.
Raffles las deze stukken het eerst met aandacht door, terwijl Charly nieuwsgierig toekeek en zeide toen, terwijl hij op een van de papieren wees:
„Dit is een trouwbewijs, Charly, een bewijs, waarop volstrekt niets valt aan te merken. Het staat ten naam van Allan Collingwood en het dateert van het jaar 1914, 28 Augustus. Diezelfde datum staat achter op het portretje van den kleinen jongen, die was toen reeds drie jaar oud, dus het is nu wel eenigszins na te gaan, wat er geschied is. De man wiens ring hier ligt, je herinnert je, dat daar de letters A en C op staan, had Grace Norton reeds bijna vier jaar voor den oorlog tot zijn vrouw gemaakt, maar zijn echt niet gewettigd om een reden, die ons tot dusverre niet bekend is. Maar niet zoodra was de oorlog uitgebarsten, of hij haastte zich, dien band ook voor de wet te bekrachtigen.”
„Ja, zoo zal het wel gegaan zijn,” zeide Charly nadenkend. „Hoe oud is de vrouw?”
Raffles wierp een blik op het officieele stuk en antwoordde toen:
„Zij is op dit oogenblik vijf en dertig jaar.”
„Zoo jong nog en nu al dat spierwitte haar?” riep Charly met eenig medelijden uit. „Wat moet de vrouw dan geleden hebben.”
„Ja, dat is zeker,” bevestigde Raffles op ernstigen toon.
„Maar met dat al weten wij nog niet door welke oorzaak zij waanzinnig is geworden.”
„Neen, dat weten wij nog niet. Het meest voor de hand liggend is, dat de vrouw waanzinnig is geworden, toen zij plotseling een van de nuchtere officieele brieven kreeg, waarin haar werd medegedeeld, dat haar echtgenoot daar en daar gesneuveld was.”
„Wat zou er van het mooie ventje met zijn goudblond haar terecht zijn gekomen?”
„Dat mag de hemel weten. Zijn vader dood, zijn moeder krankzinnig, heel goed zal het wel niet met den armen knaap gegaan zijn.”
Hij nam het portretje van den jongen nog eens in zijn handen en zag nu, dat naast den stoel, waarin de knaap was gefotografeerd, een fraaie bulterriër zat, blijkbaar zelf nog zeer jong, die hoogstwaarschijnlijk dezelfde was, die nu in het aangrenzende vertrek zoo trouw zijn meesteres bewaakte.
„Als die hond kon spreken,” begon hij met een glimlach, „dan zouden wij heel wat verder zijn, want hij heeft den knaap gekend.”
„Het is me eigenlijk een raadsel, hoe de arme krankzinnige van Engeland hierheen is gekomen,” merkte Charly op, na op zijn beurt een blik op het portret der vrouw te hebben geworpen. [19]
„Dat is zeker vreemd genoeg, maar wij zouden ons bijvoorbeeld kunnen indenken, dat zij toevallig in Frankrijk was, toen haar het bericht van het sneuvelen van haar man bereikte.”
„Ik zou nog wel iets willen vragen. Hoe wist men nauwkeurig, dat Collingwood gesneuveld was, daar de dood hem immers overviel, toen hij nog met een ander Engelsch officier in Duitsche krijgsgevangenschap was geraakt,” kwam Charly na eenigen tijd.
„Ook daarop moet ik je het antwoord schuldig blijven, Charly. Ik vermoed echter, dat een paar Engelsche soldaten aan de ramp ontsnapt zijn en het bericht van de noodlottige ontploffing hebben overgebracht.”
De beide vrienden bleven nu geruimen tijd zwijgend tegenover elkander zitten, ieder in zijn eigen gedachten verzonken.
Plotseling gaf Raffles een zachten klap op de tafel en zeide:
„Deze zaak boezemt mij het grootste belang in, Charly. Wanneer je het goed vindt, dan zullen wij een onderzoek instellen naar den knaap, die van adel is, misschien wel de erfgenaam van een groot fortuin, zonder dat hij het zelf weet. Wie kan zeggen, wat er van het arme ventje geworden is, toen zijn moeder zoo eensklaps het verstand verloor?”
„Je kunt op mijn hulp rekenen,” riep Charly opgewonden uit. „Wie weet wat wij nog ontdekken.”
„Dan zullen wij eerst afwachten, of de toestand van de vrouw het veroorlooft, dat zij Frankrijk verlaat. Acht je het ook mogelijk, dat die jongen zich hier bevindt?”
„Onmogelijk is het natuurlijk niet, maar in ieder geval moeten wij eerst in Engeland onderzoek gaan doen naar de levensomstandigheden van Allan Collingwood. De naam heeft een voortreffelijken klank. Collingwood is een oud adellijke naam en wij zullen dus niet al te veel moeite hebben, de dragers daarvan op te sporen. Natuurlijk voor zoover zij nog in leven zijn, maar voor het oogenblik acht ik het de verstandigste daad om ons bed te gaan opzoeken, want om de waarheid te zeggen heeft die lange wandeling, die bijna den geheelen dag heeft geduurd, ons wel wat vermoeid gemaakt.”
De beide vrienden gebruikten thans een eenvoudig souper, dat hen reeds wachtte en begaven zich vervolgens ter ruste.
Tweemaal echter moest Raffles dien nacht opstaan omdat hij gewekt werd door een zacht gekreun in de kamer, waar Grace Collingwood, zooals zij nu voortaan wel genoemd mocht worden, sliep.
Beide keeren ging hij naar haar omzien, gaf haar een geneesmiddel in, en dekte haar zorgvuldig weder toe.
En de terriër likte hem telkenmale de handen, met een aandoenlijken blik van dankbaarheid in zijn oogen. Het schrandere dier scheen duidelijk te beseffen, dat Raffles een goede vriend was geworden van zijn ongelukkige meesteres.
Toen hij den volgenden morgen omstreeks half negen, na met Charly het ontbijt te hebben gebruikt, naar de patiënt ging omzien, bevond hij haar wakker.
Zij zat overeind in bed en onmiddellijk zag Raffles aan de uitdrukking van haar oogen, dat er in de verstandelijke vermogens van de vrouw een groote verandering had plaats gegrepen.
Wel dwaalden die oogen nog zoekend en verwilderd rond, maar er viel niet aan te twijfelen, de waanzinnige gloed, die er den vorigen dag in gelegen had, was er uit verdwenen.
Zij keek Raffles met de grootste verbazing aan, streek zich met de hand over het voorhoofd, scheen iets te willen vragen, maar bedacht zich en begon zachtjes voor zich heen te lachen, een vreemd, schril lachje.
Aanstonds begreep Raffles, dat de schok van den vorigen nacht een uitwerking ten goede had gehad op de hersens van Grace Collingwood, maar tevens, dat zij nog verre van normaal was.
Hij trad op het bed toe, waar de hond nu vroolijk tegen hem opsprong, nam de hand van de vrouw in de zijne, keek haar doordringend aan en vroeg toen:
„Wilt ge mij uw naam zeggen?”
Dat was een vraag, waar alles van af hing en het antwoord was teleurstellend.
De vrouw scheen met inspanning na te denken en een oogenblik vreesde Raffles dat zij weder ten prooi van den waanzin zou vallen.
Zij liet hetzelfde korte lachje hooren en antwoordde:
„Dat weet ik niet, mijnheer.”
Raffles keek haar aandachtig aan.
En toen begreep hij het. De vrouw had haar geheugen verloren.
Wel was zij niet meer in den greep van den waanzin, maar zij scheen ieder begrip te hebben verloren, omtrent hetgeen er vroeger gebeurd was. [20]
In ieder geval zou hij dus niet op haar mogen rekenen, om hem behulpzaam te zijn bij het nasporen van de verblijfplaats van den kleinen Andrew, zoo heette de knaap.
Dat was zeker een tegenslag, maar hij zou zich er in moeten schikken.
Het was in ieder geval al zeer veel gewonnen, dat de vrouw van dit oogenblik af althans vrij geregeld zou kunnen nadenken en misschien zou zij, bij een zorgvuldige verpleging door een kundig psychiater, later wel weer haar geheugen terug krijgen.
De vrouw was op dit oogenblik echter zeer zwak, en zij zou in ieder geval weken lang rust moeten hebben.
Nogmaals besloot Raffles een voorzichtige poging te wagen en begon nu weder:
„Zijt gij hier geheel alleen?”
„Geheel alleen, mijnheer.”
„Weet gij, dat gij in Frankrijk zijt?”
„In Frankrijk?” riep de vrouw met de grootste verbazing uit. „Ben ik hier in Frankrijk? Mijn God, hoe is dat mogelijk. Ik ben toch een Engelsche.”
„Tracht vooral niet daarover na te denken, mevrouw,” zeide Raffles haastig. „Alles zal zich wel schikken. Vertel mij eens, zijt gij altijd alleen geweest?”
Dat was een gevaarlijke vraag, dat wist Raffles, maar toch stelde hij die.
De vrouw keek een oogenblik wezenloos voor zich uit en antwoordde toen met hetzelfde vreemde lachje:
„Ik weet het niet, mijnheer. Ik weet het werkelijk niet. Maar wilt ge mij eens zeggen, wie ge zijt?”
„Ik ben een landgenoot van u, mijn naam is Brown. Ik ben een goed vriend van u, gij zijt zeer ziek geweest.”
„Dat kan wel zijn, ik heb grooten honger. Kunt ge mij niets te eten geven?”
„Men zal dadelijk voor u zorgen, mevrouw,” antwoordde Raffles haastig. „Zeg eens, kent ge dien hond, die u de hand likt, welke over het bed hangt?”
Grace Collingwood scheen niets ervan gemerkt te hebben en keek nu over den rand van het bed naar den terriër, die een zachten kreet van blijdschap liet hooren.
„Het lijkt me wel.… ik heb het gevoel, alsof ik heel zwaar gedroomd heb en in dien droom zag ik een hond, die heel veel gelijkt op deze. Wie behoort hij toe?”
„Het is uw hond, mevrouw.”
„Mijn hond? Wel, dat is zonderling,” zeide de vrouw, terwijl zij zachtjes den kop van het dier streelde.
Zij scheen weder groote moeite te doen, ergens over na te denken, maar Raffles belette haar dit, door aanstonds weder van onderwerp te veranderen.
„Luister eens, mevrouw, ge zijt op dit oogenblik nog zwaar ziek. Gij wilt toch gaarne genezen?”
„Als ik werkelijk ziek ben, natuurlijk mijnheer,” antwoordde de vrouw en op haar gelaat verscheen een uitdrukking van verbazing en angst.
„Ik ben geneesheer. Wij hebben u gisteren bewusteloos gevonden. Ik zal u laten overbrengen naar een uitstekende inrichting, die beheerd wordt door een van mijn vrienden. Nog een paar weken geduld en gij zult de inrichting kunnen verlaten als een sterke, gezonde vrouw. Stemt gij er in toe?”
„Ik weet het niet, mijnheer. Ik heb zoo’n zonderling leeg gevoel in mijn hoofd,” antwoordde de vrouw op klagenden toon. „Maar ik wil gaarne doen, wat ge zegt, als mij dat genezen kan. Zijt gij een vriend?”
„Dat zeide ik u reeds, mevrouw. Ik ben een groot vriend van u.”
Raffles wierp een blik op zijn horloge, gaf de vrouw nogmaals haar geneesmiddel in en verliet toen het vertrek, om er voor te zorgen, dat Grace Collingwood een stevig ontbijt kreeg, terwijl ook de trouwe terriër niet vergeten werd.
Het dier had zich reeds zeer aan de beide mannen gehecht en Charly was er eindelijk in geslaagd, den hond een paar malen van het bed van zijn meesteres weg te lokken.
De viervoetige verschoppeling, die maar al te vaak met stokslagen en steenworpen verjaagd werd van het erf, waar hij wat voedsel trachtte te veroveren, had aanstonds groote genegenheid opgevat voor de mannen, die hem met liefde en zachtheid behandelden en hem volop te eten gaven.
Dienzelfden morgen nog werd Grace Collingwood vervoerd naar de psychiatrische inrichting van Dr. James Dujardin te Metz, wien Raffles alles mededeelde, wat hij van de ongelukkige vrouw wist, zonder echter namen te noemen of in bijzonderheden te treden.
En zoodra hij de vrouw daar veilig wist, vertrok hij met Charly en met den terriër nog dienzelfden [21]middag naar Verdun, waar de trouwe chauffeur Henderson hen wachtte.
Het had niet weinig moeite gekost den terriër mede te krijgen, maar eindelijk had het dier zich toch in zijn lot geschikt, dat zich aan hem voordeed in den vorm van een stevigen halsband en een sterke lederen lijn.
Dienzelfden avond nog werden de toebereidselen voor het vertrek gemaakt en den volgenden dag reisde het kleine gezelschap met de groote tourauto naar Calais, teneinde zich daar in te schepen naar Dover.
Het was omstreeks negen uur in den avond, toen de auto stil hield voor een fraai huis in de Regentstreet te Londen, hetwelk Raffles reeds eenige jaren bewoonde onder den naam van Lord William Aberdeen.