Het was den volgenden dag omstreeks negen uur in den ochtend, toen Raffles en Charly gezeten waren in de bibliotheekzaal van het fraaie huis.
De kleine terriër zat bij hen, buitengewoon nieuwsgierig en vol belangstelling voor de vreemde dingen, die hij hier reeds had ontdekt.
Hij had al vriendschap gesloten met den ruwharigen foxterriër van Raffles, Busto geheeten, en een goede behandeling en goed eten zou van den mageren en hier en daar geheel onthaarden hond weder een fraai dier maken.
Raffles had een groot werk uit een van de boekenkasten genomen en bladerde daar ijverig in, terwijl Charly zich voorzien had van een in het Engelsch zeer bekend werk „Who’s who”, een boek, waarin men in het kort alles kon vinden van personen van eenige bekendheid in Groot Brittannië en Ierland.
Na eenigen tijd te hebben gebladerd en aanteekeningen te hebben gemaakt, riep Raffles plotseling uit:
„Ik vind in dit werk over onzen Engelschen Adel een Allan Collingwood, die ongetwijfeld de man is, dien wij moeten hebben, wiens geraamte wij in den kelder van den molen gevonden hebben.”
„Wie is hij dan?” vroeg Charly, van zijn boek opziende.
Raffles wierp een blik in het boek, dat op de tafel voor hem lag en las toen voor:
„Allan William John Collingwood, eenige zoon van graaf Andrew, Douglas, Henry Collingwood, dertiende Hertog van Norfolk, studeerde aan de Universiteit van Oxford in de rechten, was eenigen tijd gezantschaps-attaché te Weenen, Constantinopel en Boedapest, reserve-officier bij het veertiende Regiment Royal Fuseliers.”
„Van een huwelijk lees je niets?”
„Niets, maar vergeet niet, dat dit werk reeds van het jaar 1913 dateert. Zie eens of je een deel kunt vinden van een later jaar.”
Charly stond op, ging naar de kast, opende die, zocht eenigen tijd en nam er toen een dik boek uit, waarmede hij weer naar de tafel terug keerde.
„Dit is van het jaar 1918,” riep hij.
„Ik wist niet, dat wij dat reeds in onze boekerij hadden. Zoek eens snel op, wat daarin van Collingwood gezegd wordt.”
Charly begon haastig te bladeren en riep na eenigen tijd uit:
„Hier heb ik het al. Allan William John Collingwood enz … enz.… nam bij het uitbreken van den oorlog onmiddellijk dienst, gesneuveld 22 Aug. 1917, bij den aanval op de Duitsche stelling van Béthincourt.”
„En niets van zijn huwelijk?” vroeg Raffles verwonderd. [22]
„Niets.”
„Dat is zonderling,” hernam Raffles. „Die papieren liegen toch niet? Wat kan de oorzaak zijn, dat dit niet in dat boek vermeld staat, dat er altijd prat op gaat, alles omtrent onzen adel mede te deelen.”
„Misschien heeft Collingwood zijn huwelijk wel om de een of andere reden verborgen willen houden, of is hij plotseling door den dood achterhaald, voor hij gelegenheid had gevonden, algemeene bekendheid te geven aan zijn huwelijk,” gaf Charly te kennen.
„Daarop zou de omstandigheid wijzen, dat de ongelukkige Collingwood die papieren bij zich droeg, inplaats van ze veilig in zijn huis te hebben opgeborgen.”
„In ieder geval staat het vast, dat hij slechts weinige dagen voor zijn dood gehuwd is,” hernam Raffles peinzend. „Ik geloof, dat de Collingwoods altijd zeer rijk zijn geweest.”
„Ja, ze hebben groote bezittingen in het zuiden van Schotland en ook in Londen bezitten zij bouwterrein, hetwelk in den loop der eeuwen honderdvoud in waarde is gestegen.”
„Wanneer de kleine Andrew niet wordt terug gevonden, of dood mocht zijn, dan sterft de linie waarschijnlijk uit.”
„De rechte linie zeker.”
„Maar iemand moet dat groote fortuin dan toch erven?”
„O, er zullen verwanten genoeg zijn, die zich aanstonds zullen komen aanmelden, zoodra het vaststaat, dat kapitein Collingwood gesneuveld is, zonder erfgenamen achter te laten. Dat is waar ook, leeft de vader van dien kapitein nog?”
Charly sloeg het boek weder op, zocht even en antwoordde toen:
„In 1918 leefde de oude man in ieder geval nog.”
„Hoe oud is hij nu?”
„Twee en zeventig jaar.”
„Nu, Charly, voorloopig weten wij genoeg. Deze boeken kunnen ons niets meer leeren. Alleen zul je er nog wel in kunnen vinden, waar de oude graaf Andrew gewoonlijk verblijf houdt.”
Na opnieuw een blik in het register te hebben geworpen, antwoordde Charly:
„De oude graaf woont gedurende het grootste gedeelte van het jaar tot ver in den herfst op zijn landgoed „Margrete Hall” in de buurt van Edinburg.”
„Ik meen mij den naam te herinneren,” hernam Raffles. „Het is geloof ik gelegen temidden van de schoone Lammermuir Hills, ten zuiden van de stad.”
Raffles sprong haastig op en ging voort:
„Wij zullen niet veel tijd verliezen met praten, mijn waarde. Laten wij maar aanstonds op reis gaan en die zaak eens onderzoeken.”
„Ik denk, dat wij den kleinen Andrew bij zijn grootvader zullen vinden, en dat daarmede de zaak geëindigd is,” ze de Charly schouderophalend.
„Bijna, wij hebben dan niets anders te doen, dan die ongelukkige vrouw, die wij in Frankrijk hebben achtergelaten, in de armen van haar schoonvader te voeren, die zeer waarschijnlijk volstrekt niet weet, waar zij ergens vertoeft.”
„En die misschien zelfs niet eens weet dat zij wettelijk met zijn zoon getrouwd is,” voegde Charly er aan toe.
Raffles bleef op zijn weg naar de deur stil staan, wendde zich naar den jongen man om en riep toen:
„Dat is volstrekt niet zoo onmogelijk. Het klinkt zelfs waarschijnlijk. Het is zeer wel aan te nemen, dat kapitein Collingwood niet eens den tijd heeft gevonden, aan zijn vader mededeeling te doen van zijn huwelijk. Maar nu genoeg gepraat. Wij kunnen omtrent dit alles zekerheid erlangen, wanneer wij ons naar „Margrete Hall” begeven.”
„Wanneer wil je op reis gaan?”
„Wel, er lijkt mij niet veel tegen te zijn, wanneer wij nog voor de lunch vertrekken.”
„Per trein?”
„Waarom zouden wij van dat omslachtige en langzame vervoermiddel gebruik maken, wanneer wij maar behoeven te kiezen uit een vijftal auto’s. Wij kunnen den weg van Londen naar Edinburg, in rechte lijn ongeveer zeshonderd kilometer, en waarover de trein met veel omwegen bijna twaalf uur doet, gemakkelijk in zeven uur afleggen. Als wij over een uur vertrekken kunnen wij tegen den tijd van het diner in de Schotsche hoofdstad zijn.”
De beide vrienden lieten nu geen tijd meer verloren gaan, maar maakten dadelijk toebereidselen voor de reis.
Gaston, de grijze kamerbediende van Lord William Aberdeen, pakte de valiezen bijgestaan door Henderson, die zich zeer verheugde over dit uitstapje.
Toen alles om bij elven gereed was, vroeg Charly:
„Zouden wij Olim—dien naam hadden de beide [23]vrienden aan den bulterriër gegeven—niet meenemen?”
„Dat kan volstrekt geen kwaad,” riep Raffles uit.
„En hoe staat het met onze namen?”
Raffles dacht een oogenblik na en antwoordde toen:
„Het is misschien het verstandigst, wanneer wij voorloopig onzen naam maar verzwijgen. Wij weten immers niet vooruit, welke toestanden wij daar aantreffen. Ik zal dus maar weer mijn naam van graaf Palmhurst aannemen en jij bent mijn trouwe secretaris Charles Gray. Niemand kan ons die verandering van naam kwalijk nemen, want wij komen met het goede doel, de belangen te behartigen van die ongelukkige vrouw.”
Alles was nu reisvaardig, de groote tourwagen, een prachtige, zestigpaards Sunbeam, stond voor de deur. De valiezen waren er achterop bevestigd met sterke riemen en Henderson, de reusachtige chauffeur, zat achter zijn stuurwiel.
Wat Olim betreft, het brave dier, dat zich al goed thuis scheen te gevoelen bij zijn meesters, had een plaatsje tusschen de beide vrienden gekregen en scheen zeer in zijn schik te zijn met dit onverwachte reisje.
Henderson had zijn orders reeds gekregen en niet zoodra was de wagen buiten Londen, of hij schakelde de hoogste versnelling in en de wagen reed met een negentig kilometer vaart den breeden straatweg op, die in noordelijke richting voert. De weg ging over Hardfort, en de beroemde universiteitsstad Cambridge, waar geluncht werd.
Dadelijk daarna werd de reis voortgezet en in snelle vaart stoof de auto door de graafschappen van Huntingdon, Rutland en Lincoln.
Het was omstreeks vier uren in den middag, toen de auto met een der geweldige stoomponten over de breede Humber gezet moest worden en een oogenblik later liep zij Hull binnen. Daar werd de benzinevoorraad aangevuld en de reis werd voortgezet door het graafschap van York, door Durham en Northumberland.
Om zes uur werd de grens van Schotland overschreden, en temidden van de prachtige heuvels van Cheviot, langs de onvergelijkelijk schoone meren van Selkirk ging het verder.
Reeds lang had men de lantaarns moeten opsteken, die den weg bijna een halve kilometer ver daghelder verlichtten.
Het was omstreeks zeven uur, toen de auto eindelijk Edinburg binnenreed om stil te houden voor het groote hotel, hetwelk Raffles Henderson had aangewezen.
De reis was tamelijk vermoeiend geweest en daarom begaf het drietal zich, na in het hotel te hebben gedineerd, vroegtijdig ter ruste, na een korte wandeling in de oude nijverheidsstad.
Den volgenden morgen maakten zij zich reeds vroeg klaar, teneinde gevolg te geven aan hun plan, een bezoek te brengen aan het buiten van den graaf Andrew Collingwood.
De auto moest eerst weder op haar weg terug keeren over een afstand van een vijf en twintig-tal kilometer. Bij Oxton sloeg zij een zijweg in, nadat Raffles den weg had gevraagd aan een paar boerenarbeiders, en na ongeveer een half uur te hebben gereden temidden van een verrukkelijk landschap stond de auto eensklaps halverwege op een tamelijk hoogen heuvel voor het hek van een prachtige buitenplaats.
Te midden van een groot park verhief zich een fraai, zeer oud landhuis, dat echter uitstekend onderhouden was.
Vette koeien graasden op de uitgestrekte weide, tusschen de boomstammen van het park zag men herten bewegen en op eenigen afstand van het heerenhuis verhief zich een groot bijgebouw, waarschijnlijk de paardenstallen.
Alles wees er op, dat de eigenaar van dit landgoed wel zeer rijk moest zijn.
Dicht bij het hek, dat wagenwijd open stond, en toegang gaf tot de breede oprijlaan, was een oude tuinman aan het werk.
Hij was bezig de dorre bladeren bijeen te harken, die door den laatsten storm van de boomen waren gerukt.
Raffles was uit de auto gestapt en sprak den ouden man vriendelijk aan.
„Kun je mij ook zeggen, goede vriend, of graaf Andrew op dit oogenblik reeds te spreken is?”
De tuinman richtte zich op, naam zijn stompje pijp uit den mond, keek Raffles met de grootste verbazing aan en zeide toen op eenigszins schorren toon:
„Als gij den ouden graaf wilt spreken, mijnheer, dan zult gij naar het kerkhof moeten gaan. Hij is zeker twee jaar dood.”
Raffles en Charly wisselden een snellen blik met elkander. [24]
En toch was het zeer goed mogelijk, want de oude graaf kon eenige dagen nadat het boek ter perse was gegaan, hetwelk Charly geraadpleegd had, gestorven zijn.
Niettemin waren de beide vrienden niet op deze mededeeling verdacht en zij schrokken dan ook meer dan zij wilden bekennen.
Raffles had zich echter spoedig hersteld en zeide nu:
„Dat was ons geheel en al onbekend, vriend. Ben je hier al lang in dienst, als ik vragen mag.”
„Al bijna zoolang als ik terug kan denken, mijnheer,” antwoordde de oude tuinman. „Het moet langer dan een halve eeuw zijn. Ik heb den ouden graaf, die twee jaar gelegen stierf, nog als student gekend. Ja, mijnheer, toen was alles heel anders, dan het nu is.”
„Dat kan ik mij voorstellen,” hernam Raffles, „gij hebt dus ook kapitein Allan goed gekend?”
„Heel goed, mijnheer. Hij was een vriendelijk man, en ik heb er altijd zwaar onder geleden, dat.… maar ik zie wel dat ik oud word, ik praat mijn mond voorbij. Dat zijn dingen, die een vreemdeling niet raken.”
„Ik denk er niet aan, om onbescheiden te zijn, mijn vriend,” hernam Raffles, „maar je wilt mij zeker toch wel zeggen, wie nu de eigenaar van het goed is? En wie het groote fortuin van den graaf geërfd heeft, benevens den titel?”
De oude tuinman scheen even te aarzelen, wierp een schuwen blik om zich heen en antwoordde toen:
„Onze nieuwe meester is de neef van graaf Andrew—Arthur Millford.”
„Zeker nog een jonge man?” vroeg Raffles vol belangstelling.
„Een jaar of veertig.”
„Gehuwd?”
„Neen, mijnheer,” antwoordde de tuinman kortaf met een stuursch gezicht alsof hij een eind aan het gesprek wilde maken.
„Ik weet wel dat je mij er van verdenkt, dat ik mijn neus in andermans zaken steek, maar ik verzeker je, dat ik dit alles alleen gevraagd heb, omdat ik groot belang stel in de lotgevallen van.… den zoon van den jongen graaf, Andrew, of liever in zijn naaste bloedverwanten.”
De tuinman, die alweder aan zijn werk was gegaan, had verrast opgekeken bij deze laatste woorden en liet nu zijn hand weder rusten.
„Zijn naaste bloedverwanten, mijnheer,” herhaalde hij langzaam, „die had hij niet, toen hij sneuvelde. Tenminste geen wettige, gij zult het vreemd vinden dat een ondergeschikte dat zegt, maar de oude graaf was nog van den ouden stempel en beschouwde mij een weinig tot de familie te behooren. Graaf Andrew is nooit getrouwd geweest.”
„Dat is hij wel, vriend,” zeide Raffles op zachten toon.
De oude tuinman werd zeer bleek, en begon zoo te beven, dat hij tegen een boom moest leunen.
Hij keek Raffles met groote verschrikte oogen aan en vroeg toen stamelend:
„Hoe kunt gij dat weten, mijnheer, gij moet u vergissen.”
„Ik vergis mij niet. Je jonge meester trad een paar dagen voor hij bij Béthincourt sneuvelde, in het huwelijk met een jonge vrouw, die hem reeds een paar jaar tevoren een zoon had geschonken.” [25]