[Inhoud]

HOOFDSTUK VII.

Een lage streek.

De oude tuinman bleef nog eenigen tijd in dezelfde houding staan en eensklaps barstte hij in snikken uit.

„O, als mijn goede meester dat maar had geweten, misschien had hij hem dan wel alles vergeven.”

„Hij leefde dus in onmin met zijn zoon?” vroeg Raffles.

„Dat deed hij al sedert een paar jaren. Hij kon het mijnheer Allan niet vergeven, dat hij zich een andere vrouw had uitverkoren dan de oude graaf voor hem bestemd had.”

„Ja, ja, iets dergelijks vermoedde ik wel,” zeide Raffles half voor zich heen. „Hoe is uw naam, vriend.”

„Ik heet Russell, mijnheer.”

„Laat ik je dan zeggen, Russell, dat ik in staat ben hier mede te deelen, hoe kapitein Allan den dood heeft gevonden, maar zeg mij eens, hield je veel van den ouden graaf en van zijn zoon?”

„Ik zou voor hen beiden door het vuur zijn gegaan, mijnheer,” antwoordde Russell, terwijl de tranen hem in de oogen kwamen. „Een oud man als ik mag niet alles zeggen, maar ik had het liefst met den ouden graaf willen sterven. Het is daarna nooit meer goed geworden hier.”

„Ja, dat gebeurt helaas maar al te vaak, wanneer een landgoed van meester verandert,” hernam Raffles ernstig. „Je schijnt veel met verschillende dingen op de hoogte te zijn, Russell. „Zeg mij eens, wist je, dat graaf Allan een zoon had?”

„Ja, mijnheer, dat wist ik, maar de oude graaf wilde hem niet erkennen.”

„Graaf Allan is hier zeker nooit geweest?”

„Nooit, nadat hij met de jonge vrouw vertrok, behalve een enkele maal, toen de oorlogsverklaring was afgekondigd.”

„Stierf de oude graaf kort daarna?”

„Een paar maanden later.”

„Maar weet niemand hier dan wat er van gravin Collingwood en haar zoon, den jongen Andrew terecht is gekomen?”

„Dat weet niemand, mijnheer.”

„Dan zal ik het je zeggen, Russell. Ga daar op die boomstronk zitten. Je bent oud en wat ik je heb mede te deelen, zal je zeer schokken. Maar zweer mij, dat je over alles, wat ik je zal zeggen, met niemand zal spreken, voor ik je daartoe verlof geef.”

„Dat zweer ik, mijnheer.”

„Luister dan goed toe.”

En nu begon Raffles op zijn gewone zakelijke, duidelijke wijze het verhaal te doen van zijn wonderlijke ontmoeting met de waanzinnige van Béthincourt.

Met gebogen hoofd, zonder dat er een spier aan hem bewoog, had Russell naar het verhaal geluisterd.

Toen hij eindelijk het gelaat weder ophief, nadat Raffles had uitgesproken, was het nat van tranen.

Zijn stem beefde van aandoening, toen hij stamelde:

„Dat is vreeselijk om aan te denken, mijnheer. Hier heerscht dus een vreemdeling, die ons het leven zuur maakt, want dat doet hij. Ik wil het niet langer verzwijgen, terwijl de jonge graaf Andrew zonder eenigen twijfel recht heeft op den titel, het fortuin en het landgoed. Die jongen moet nu tien jaar zijn. God weet waar hij is, of hij nog wel leeft.”

„Dat zullen wij onderzoeken, Russell,” zeide Raffles eenvoudig.

„Wat? Wilt gij trachten graaf Andrew op te sporen?”

„Dat wil ik en ik zal niet rusten voor wij hem gevonden hebben. Maar zeg mij eens, Russell, is het je soms bekend, of graaf Andrew een testament heeft gemaakt ten gunste van zijn neef Arthur Millford.”

„Dat was volstrekt niet noodzakelijk, mijnheer. De titel en het fortuin gingen automatisch op den ander over, van het oogenblik af, dat graaf Allan zonder mannelijke nakomelingen stierf.”

„Kun je mij zeggen, waar de vrouw van graaf Allan woonde, toen haar man ten oorlog trok?”

„Ik meen mij zeker te herinneren, mijnheer, dat graaf Allan adviseur was van een groote levensverzekering-maatschappij [26]in New Castle. Daar woonde hij tot kort voor den oorlog.”

„Is het je bekend dat zijn vrouw hem naar Frankrijk is gevolgd?”

„Daar weet ik niets van, mijnheer.”

Raffles stond een oogenblik in gepeins en vroeg toen verder:

„Kan hij in New Castle een anderen naam hebben aangenomen.”

„Ik weet zeker van niet, mijnheer. Ik heb nog een paar maal een brief van zijn zuster voor hem op de post moeten doen.”

„Had graaf Allan een zuster?” riep Raffles levendig uit.

„Ja, mijnheer.”

„Waar woont zij?”

„Zij woont op het huis, daar wordt zij ook maar zoowat geduld,” voegde hij er op schamperen toon aan toe. „Zij denkt er dan ook al over om heen te gaan en te trachten ergens haar brood te verdienen als gouvernante.”

„Graaf Millford schijnt geen erg aangenaam mensch te zijn.”

„Ik mag geen kwaad spreken van mijn meester, mijnheer,” antwoordde Russell een weinig stroef.

„Dat pleit voor je. Ik zal je niet langer ophouden. Wij gaan aanstonds naar New Castle. Maar dan komen wij terug, want ik zou zeer gaarne de zuster van graaf Allan eens gesproken hebben. Aan haar mag je voorzichtig mededeelen, wat ik je zooeven vertelde, maar aan niemand anders, goed begrepen?”

„Ik heb het gezworen, mijnheer,” antwoordde Russell eenvoudig. „Mag ik uw naam weten?”

„Ik ben graaf Palmhurst.”

Raffles knikte den ouden tuinman nog eens vriendelijk toe, stapte toen weder in de auto, na Henderson op gedempten toon een paar bevelen te hebben gegeven en liet zich toen achterover in de kussens vallen, om de oogen te sluiten en in diep nadenken te verzinken.

Zonder zich ergens op te houden reed de auto naar de groote havenstad van New Castle, welke zij twee uren later bereikten.

In een café liet Raffles zich het adresboek van de stad geven, zocht daarin de namen der grootste verzekeringsmaatschappijen op, vond er een twaalftal van en begon ze met groot geduld op te bellen.

Bij de vijfde reeds slaagde hij.

Het was een groote maatschappij, en de klerk die hem te woord stond, deelde hem mede, dat inderdaad door deze instelling eenige jaren graaf Allan Collingwood als rechtskundig adviseur was verbonden tot op het tijdstip, waarop de oorlog uitbrak.

De klerk wist hem zelfs, na zich even van het toestel te hebben verwijderd, het adres van den jongen graaf op te geven.

Na haastig te hebben geluncht begaven de drie mannen zich naar het opgegeven adres.

Het was een tamelijk groot huis in een der nieuwe buurten van de stad.

Een portier was er niet, maar na eenige navraag kwam Raffles te land bij een bejaarde dame, die recht tegenover het huis woonde en met een nieuwsgierigheid aan vele oude menschen eigen, vele bijzonderheden van het leven van het jonge paar had doorvorscht.

Ze was in de gelegenheid geweest de jonge vrouw, met wie graaf Allan het huis was komen betrekken, een van die kleine diensten te bewijzen, welke men niet zoo spoedig vergeet, en nu en dan hadden de beide vrouwen elkander een kort bezoek gebracht, zonder dat er een bepaalde vriendschapsband was ontstaan.

Deze dame nu wist Raffles mede te deelen, dat er op een Augustusdag in het jaar 1917, de bladen begonnen reeds van de boomen te vallen, zooals de oude vrouw er aan toevoegde, een groote brief, met vijf roode zegels toegelakt aan het huis van graaf Allan werd afgegeven.

Die brief had zeker de doodstijding van den kapitein bevat, want van dat oogenblik af had zij zijn ongelukkige vrouw slechts als een onnoozel zwakzinnige gekend.

Maar ook dit duurde slechts heel kort, want nauwelijks eenige dagen later, toen medelijdende buren zich reeds gereed maakten, zich over den kleinen Andrew te ontfermen, en ook over de arme vrouw, die anders misschien den hongerdood zou zijn gestorven, kwam er een huurauto voorrijden, waaruit een heer stapte, die het huis binnenging, en er een half uur later weder uit te voorschijn kwam, thans in gezelschap van de krankzinnige en den knaap.

De man kon een jaar of veertig zijn, met glimmend zwart haar, een opvallenden grooten haviksneus, een klein zwart snorretje en die een weinig gebogen liep als gevolg misschien van zijn groote lengte. [27]

Van dit oogenblik af had de oude dame nooit meer iets van de jonge vrouw noch van het kind gehoord.

Toegerust met deze wetenschap keerde Raffles met zijn beide metgezellen nog dienzelfden dag naar het kleine plaatsje Oxton terug—en een uur later wist hij, dat de persoonlijke beschrijving door de oude dame te New-Castle van den geheimzinnigen bezoeker gegeven, die met Grace Collingwood en haar kind was vertrokken, tot in de minste bijzonderheden toepasselijk was op graaf Arthur Millford, den tegenwoordigen eigenaar van den titel en het fortuin en het landgoed der Collingwoods.…

Toen Raffles des avonds tegenover Charly gezeten was, in de kleine, gezellige gelagkamer, met zijn groot houtvuur, van het landelijk hotel, waar zij hun intrek hadden genomen, begon hij, na dikke rookwolken naar de lage zoldering te hebben gezonden:

„Het is nu dunkt mij zoo helder als glas, dat die Millford hier de hand in het spel heeft gehad—ik bedoel in de verdwijning van dien knaap! Daaraan kan dunkt mij niet getwijfeld worden.”

„Dan moet hij ook geweten hebben, dat graaf Allan wettig met Grace getrouwd was, anders behoefde hij volstrekt geen vrees te koesteren, dat het groote fortuin hem zou ontgaan. Een onechte zoon zou daarop nooit rechten kunnen doen gelden.”

„Nu, dan heeft hij het geweten— —” hernam Raffles kalm. „Niemand belet ons om dat aan te nemen, hij kan er door een toeval zijn achtergekomen, hij kan het misschien alleen maar vermoed hebben!”

„Maar zou hij geweten hebben, dat hij daar een krankzinnige zou aantreffen?”

„Het is mogelijk, dat men hem dienaangaande reeds had ingelicht—maar het is even goed aan te nemen, dat dit een onverhoopt buitenkansje voor hem geweest is! Misschien kwam hij wel naar New Castle om die arme vrouw bang te maken en haar wijs te maken, dat haar huwelijk maar voor schijn was gesloten, en haar met een zoet lijntje en een flink geldbedrag heel ver uit de buurt te krijgen, naar Amerika bijvoorbeeld! Die krankzinnigheid heeft natuurlijk zijn taak buitengewoon vergemakkelijkt!”

„Maar mijn God—dan heeft hij den kleinen knaap misschien vermoord!” riep Charly ontzet uit.

„Het was voor hem volstrekt niet noodig zijn handen met bloed te bezoedelen,” hernam Raffles rustig. „De jongen was toen pas een jaar of vijf, zes oud, en natuurlijk kon de schavuit er wel op rekenen, dat de knaap vroeg of laat alle herinnering aan het gebeurde zou vergeten. Hij zal hem alles hebben afgenomen wat aan zijn afkomst kon herinneren—en misschien heeft hij hem toen ergens bij een boer in den kost gedaan of bij een kruidenier, een turfhandelaar, een kattenmepper, wat weet ik het. Om de krankzinnige behoefde hij zich natuurlijk in het geheel niet meer te bekommeren, want die zou hem geen last meer veroorzaken.”

„Maar hoe kun je dit alles den schurk bewijzen?”

„Dat is juist het lastigste! Maar maak je niet ongerust—ik zal wel een middel weten te vinden, om hem uit zijn tent te lokken! Natuurlijk moeten wij goede getuigen hebben, want het is niet voldoende met den eersten den besten knaap met goudblond haar aan te komen en dan te zeggen, dat hij en niemand anders de wettige erfgenaam is van het fortuin van graaf Andrew Collingwood. Wij hebben echter een grooten voorsprong—wij zijn in het bezit van de trouwpapieren en den zegelring van graaf Allan en van de beide portretjes—en daarmee gewapend zullen wij eens van leer trekken tegen dien schobbejak, die zich nu als heer en meester gedraagt op „Margrete Hall.” [28]