[Inhoud]

HOOFDSTUK VIII.

In de val.

Er waren een paar dagen verloopen, sedert Raffles voor de eerste maal met zijn auto voor het hek van het prachtige landgoed had stilgehouden.

Het was omstreeks tien uur in den morgen, toen Raffles op de kamerdeur tikte, waarachter hij Charly bezig wist met het schrijven van een paar brieven en vervolgens binnentrad.

„Heb je het druk?” vroeg hij, met een blik op de papieren die op tafel lagen.

„Ik ben over vijf minuten gereed.”

„Heb je lust om deel te nemen aan de jacht op Millford?”

„De jacht? Verlaat hij dan het landgoed?”

„Ja, nog heden.”

„Hoe weet je dat zoo precies?”

„Hij heeft een dringend telegram uit Parijs gekregen!”

„Maar hoe ben je daar achter gekomen?”

„Heel eenvoudig—ik heb hem het telegram zelf gestuurd!”

„Wat is dat nu? Je kon hem toch onmogelijk een telegram uit Parijs zenden?”

„Ik zelf natuurlijk niet—dat heeft een van mijn trouwste vrienden daarginds gedaan.”

„En wat behelst het telegram dan wel?”

„O, slechts een paar woorden: „Er dreigt gevaar met den jongen. De vrouw is dezer dagen in Nogent gezien. De waanzin neemt af. Overkomst dringend gewenscht”

„Wat beteekent dat?” riep Charly verbaasd uit. „Hoe kon je dat juist uit Parijs laten seinen? Wist je dan iets af van de zaak?”

„Niet het minste!” antwoordde Raffles bedaard. „Maar het is bijna zeker, dat de jongen zich op het oogenblik in Frankrijk bevindt. Ik heb het telegram zelf nagemaakt met behulp van een blanco-formulier, en ik heb er wel voor gezorgd, dat het stempel onduidelijk was. Het is een Fransch telegram en dat is de hoofdzaak.”

„Maar de besteller, die het moest bezorgen, Edward— hoe kwam je daaraan?”

„Het is in het geheel niet door een telegrambesteller bezorgd. Ik heb Russell in den arm genomen en die was aanstonds bereid, mij de behulpzame hand te bieden. Hij heeft het telegram van mij aangenomen en hij zou het op het juiste oogenblik overhandigen.”

„Maar je hebt Nogent genoemd, dat dicht bij Parijs ligt. Nogent is een voorstad en het woord zal toch wel niet onduidelijk zijn.”

Raffles haalde de schouders op en hernam:

„Ik noemde nu Nogent, dat dicht bij Parijs ligt, maar ik had evengoed Lyon, Nizza, Bordeaux of Nancy kunnen noemen. De hoofdzaak is, dat Millford door ongerustheid gedreven, zich aanstonds op weg begeeft, om te zien wat er geschiedt.”

„Maar laten wij nu eens aannemen, dat hij den jongen naar Duitschland gebracht heeft.”

„Mocht dat overhoopt het geval zijn, dat zal Millford, wanneer hij tenminste geen ezel is, dadelijk inzien, dat er een kink in de kabel gekomen is. En hij zal zijn maatregelen nemen. Maar ik heb contra-mijnen gelegd. Men is op het kleine postkantoor van Oxton reeds op de hoogte gebracht, en men zal daar zeer nauwkeurig acht slaan, wanneer Millford daar komt, om er een telegram te presenteeren. Ik heb mij voorgedaan als particulier detective, en men heeft mij beloofd, mij aanstonds op de hoogte te zullen stellen.”

„Nu nog een enkele opmerking. Geloof je, dat Millford zoo onverstandig en onvoorzichtig zou zijn, derden in zijn geheim te betrekken? Hij moet toch vreezen, dat zijn medeplichtige hem vroeg of laat zal verraden?

„Als Millford daar werkelijk voor vreest, dan zou dat alleen bewijzen, dat hij onhandiger is, dan waarvoor [29]ik hem aanzie. Om te beginnen zal hij zijn medeplichtige wel geen bijzonderheden hebben mede gedeeld en ten tweede betaalt hij hem waarschijnlijk een aanzienlijk jaargeld uit. Welnu, zoodra de man, die den jongen Andrew tot zich heeft genomen, de zaak verraadt, slacht hij eigenhandig de kip met de gouden eieren, werpt hij een bron dicht die tot dusverre rijkelijk vloeide. Verraad kan hem niets opbrengen. Stilzwijgendheid daarentegen verzekert hem een levenslang goed leventje.”

„Maar je doet het in je gefingeerde telegram voorkomen, alsof de medeplichtige iets af weet van de zaak.”

„Dat beteekent niet veel. Millford moest hem toch in ieder geval hebben medegedeeld, waarom het ging. Voor het overige heb ik mijn netten goed uitgezet, en zelfs al ruikt Millford lont, dan zal hij ons toch niet zoo makkelijk meer ontkomen. Ik hoop natuurlijk dat hij ons zelf op het spoor van den jongen zal brengen.”

„Neem je den hond mee?”

„Ongetwijfeld.”

„Maar zou Olim den knaap na al die jaren nog herkennen?”

„Het zou minder verwonderlijk zijn, dan je denkt. Het is menigmaal opgemerkt, dat dieren een verbazingwekkend geheugen hebben. Het staat onwrikbaar vast, en is door getuigen geboekstaafd, dat olifanten in dierentuinen en circussen zich zelfs na tien jaren een of andere slechte behandeling van hun oppasser herinneren en zich daarover ter elfder ure op vreeselijke wijze wreken. Honden, die hun meester in jaren niet gezien hebben, herkennen hem, tenminste wanneer zij niet al te jong waren, toen hun baas hen verliet.”

„Heb je Millford zelf al eens gezien?”

„Ja, gisteren. Ik had mij verborgen opgesteld bij het groote hek en ik heb hem zien uitrijden. Het is een zeer karakteristiek gezicht. Hij heeft iets van een menschelijken havik. Het is het gezicht van een man, dien ik zeer goed in staat acht tot zulke gemeene streken en nog tot heel wat anders ook.”

„Wanneer gaan wij op reis?”

„Wel, dat zal heelemaal van Millford afhangen. Het telegram wordt hem om elf uur overhandigd. Henderson staat met de auto gereed en wij zullen zorgen, dat wij tegen elf uur daar in de buurt zijn, om hem onmiddellijk te kunnen volgen.”

„Zou de man geen achterdocht krijgen, als wij hem volgen?”

„Waarom zou hij? Hij heeft ons nooit gezien.”

„Maar neem nu eens aan, dat hij zich naar den medeplichtige begeeft, in Frankrijk, zullen wij zeggen; daar verneemt hij natuurlijk aanstonds, dat men nooit een telegram gezonden heeft. Wat zal er dan geschieden?”

„Daar ben ik ook nieuwsgierig naar,” antwoordde Raffles laconiek. „Als wij in de buurt blijven, zullen wij het wel zien. Vermoedelijk zal hij dadelijk begrijpen, dat men hem in de kaart heeft gekeken en, daar ik hem voor een schrander man houd, zal hij zeker wel inzien, dat het telegram is afgezonden met het doel, hem als het ware als lokvink te gebruiken en hem te volgen. Als wij echter een weinig oplettend zijn, zal de schurk er niet in slagen, den jongen opnieuw te verdonkeremanen. Van elf uur af, daarvoor sta ik in, zal hij geen stap meer doen, of hij wordt bespied.”

Raffles had, zijn horloge geraadpleegd en vervolgde nu:

„Kom aan, het is tijd. Wij zullen maar aanstonds op weg gaan. De rekening is vereffend, nietwaar? We hebben niets anders te doen, dan in te pakken.”

Diezelfde opmerking kon Charly een oogenblik later maken, want toen hij naar buiten trad, zag hij daar den grijzen toerwagen gereed staan, terwijl Henderson achter het stuurwiel zat.

De rit naar „Margrete Hall” duurde slechts twintig minuten en het was pas tien minuten voor elven, toen de auto stil stond in een lommerrijke dwarslaan, waar zij door dicht struikgewas verborgen van den weg af onzichtbaar waren.

Met het horloge in de hand wachtte Raffles.

Na eenige minuten zeide hij:

„Elf uur. Nu geeft Russell hem het telegram.”

Van dat oogenblik af werd er niet of weinig meer gesproken.

Raffles had achter een dikken boom post gevat, vanwaar hij het breede bordes van het perceel in het oog kon houden.

Er was nog geen kwartier verstreken, of de breede deur, die op dit terras uitkwam, werd door een bediende open geworpen, juist toen er een kleine auto kwam voorrijden. [30]

Een tweede bediende, die een valies droeg, snelde haastig de treden van het bordes af, en legde het valies ia de auto, waarop hij direct weder in het huis terug keerde.

Daarop verscheen Millford, in reiscostuum gekleed, met een reispet op, een gummi regenjas aan, bezig met zijn handschoenen deze dicht te knoopen.

Hij kwam haastig het bordes af, raadpleegde zijn polshorloge, zeide iets tot den chauffeur en stapte in.

„Ik geloof dat de muis aan het spek heeft gebeten en dat aanstonds de val zal dichtklappen,” zeide Raffles op zachten toon, terwijl hij zich tot Charly wendde. „Laten wij maar vast in de auto plaats nemen, want aanstonds zal de jacht wel een aanvang nemen.”

Nauwelijks waren de beide vrienden goed en wel gezeten, of de kleine auto kwam snel langs het oprijpad aanrijden, en zwenkte den breeden straatweg op, die rechtstreeks naar Edinburg voerde.

„Hem na, Henderson”, beval Raffles. „En zorg er voor, dat je die kleine auto nooit uit het oog verliest, al rijdt die nog zoo hard.”

Dit was juist een kolfje naar de hand van Henderson, die dadelijk zijn eigen wagen weder op den grooten weg bracht.

„Ik zou wel eens willen weten, waar hij nu heen gaat,” riep Charly uit, nadat de achtervolging bijna een half uur geduurd had.

„Mijn waarde Charly, die vraag lijkt mij tamelijk overbodig. Natuurlijk gaat Millford naar Edinburg.”

„Waarom eerst daarheen?”

„Omdat er vandaar een rechtstreeksche verbinding is met Duinkerken.”

„Dat is waar ook. Hoe kon ik zoo dom zijn, om dat te vergeten.”

„Hij had zich natuurlijk ook kunnen inschepen te New Castle, vanwaar de schepen gaan naar Londen, Rotterdam en Hamburg, te Scarborough, vanwaar men eveneens Londen kan bereiken, te Hull, vanwaar wel tien lijnen naar verschillende plaatsen loopen, of ook had hij rechtstreeks naar Londen of naar Dover kunnen rijden met zijn auto. Nu hij echter den weg naar Edinburg heeft ingeslagen, behoef je er niet aan te twijfelen, of Duinkerken is de eerste pleisterplaats.”

De naaste toekomst zou Raffles in het gelijk stellen.

Want zoodra de kleine auto, nog altijd door den grooten toerwagen gevolgd, Edinburg was binnen gereden, begaf Millford zich naar het passagebureau van de maatschappij, welke den dienst naar Duinkerken onderhoudt.

Zoodra hij het kantoor weder verlaten had, trad Raffles de deur binnen, en wist een paar seconden later dat Millford een passagebiljet had gekocht voor de Fransche havenstad.

Aanstonds kocht hij zelf drie plaatsen aan boord van het schip, dat reeds over drie kwartier het anker zou lichten.

Millford bleek zich dadelijk aan boord te begeven, waarschijnlijk omdat de tijd te kort was, en dat was Raffles een pak van het hart, want een oogenblik vreesde hij, dat de schelm naar zijn medeplichtige in Frankrijk zou telegrafeeren, misschien wel met betaald antwoord.

Daar Raffles van oordeel was, dat de auto hem in Frankrijk te pas kon komen, liet hij het vaartuig onmiddellijk aan boord brengen en dat kostte hem een paar pond aan fooien, want eigenlijk was het daarvoor reeds te laat.

De overtocht had zonder eenig ongeval plaats en om acht uur in den avond meerde het schip aan een der groote aanlegplaatsen in het schilderachtige Duinkerken.

De douaneformaliteiten namen ongeveer een uur in beslag en het was toen te laat om met den trein naar Parijs te gaan, verondersteld natuurlijk, dat de Fransche hoofdstad inderdaad het doel van de reis van Millford was.

Millford bleek echter groote haast te hebben.

Hij scheen tot iederen prijs zoo spoedig mogelijk en ten koste van wat dan ook, nog dienzelfden nacht zijn doel te willen bereiken.

Want de drie mannen zagen hem achtereenvolgens een viertal garages bezoeken totdat hij tenslotte gekregen scheen te hebben, wat hij zocht, een kleine, maar blijkbaar zeer snelle auto.

„Ei, ei, het wordt nachtwerk,” bromde Raffles in zichzelf. „Nu, wij zullen het wel zien, als het zoover is. Ingestapt, vrienden.”

Het bleek, dat Millford de reis alleen zou doen, want hij had zich niet voorzien van een chauffeur.

Hij scheen den weg in dit gedeelte van Frankrijk dus goed te kennen.

De lantaarns werden opgestoken en de beide auto’s reden Duinkerken uit, onderling gescheiden [31]door een afstand van bijna twee honderd meter, en terwijl Henderson zijn eigen lantaarns zooveel mogelijk gedempt had.

Op den voortreffelijken weg vorderden de beide auto’s zeer snel.

„Waar gaat de reis nu eigenlijk heen?” vroeg Charly, door een zonderlinge opgewondenheid aangegrepen.

„Dit is de straatweg naar Parijs, mijn waarde,” antwoordde Raffles. „Als hij daar moet zijn en hij blijft met deze vaart door rijden, dan hebben wij een rit van ongeveer twee en een half uur voor den boeg.”

Al weer bleek Raffles goed te hebben gezien, want zonder zich ergens op te houden snelde de kleine auto over den straatweg, die naar de Fransche hoofdstad voert.

Het was bijna drie uur in den nacht, toen de auto door Millford bestuurd Courbevois bereikte, een voorstad van Parijs; niet ver van de kazerne aan de Place Charras gelegen, sloeg de auto de Rue de Belford in.

Zij had haar vaart aanzienlijk gematigd en Raffles beval Henderson onmiddellijk de auto te laten stil staan.

„Volg ons langzaam en zie toe, waar we blijven,” zeide Raffles op zachten toon tot den reus. „Wacht in ieder geval, tot onze terugkomst. Kom mede, Charly.”

De beide vrienden waren uit de auto gesprongen en snelden bijna onhoorbaar en zich zoo dicht mogelijk tegen de huizen drukkend, de auto achterna, die steeds langzamer reed en eindelijk stil hield voor een klein huis, dat door een voortuin van den weg was gescheiden.

Zonder zich schijnbaar om zijn auto te bekommeren, sprong Millford van het voertuig, opende het kleine hekje, dat slechts met een touw was dicht gemaakt, volgde het voetpad, en belde aan.

Het was hier zoo stil in deze buurt, waar alles reeds sliep, dat Raffles en Charly duidelijk het kraken van het ijzerdraad van de ouderwetsche trekbel hoorden.

Onzichtbaar als schimmen, vlug als hazen, slopen zij naderbij.

Millford moest nog een paar keeren bellen, voor men hem de deur opende.

Niet zoodra was hij eindelijk binnen getreden nadat er op de eerste verdieping van het huis een paar vensters verlicht waren, of Raffles en Charly snelden op hun beurt langs het tuinpad, en liepen om het huis heen.

Binnen enkele oogenblikken hadden zij een venster gelijkvloers gevonden, dat slechts weinig weerstand kon bieden aan de vaardige hand van den Gentleman-Inbreker.

De twee mannen klommen geruischloos naar binnen, overtuigden zich dat zij hun revolvers bij zich hadden en openden daarop voorzichtig de deur van de tuinkamer, waarin zij zich bleken te bevinden.

Zij stonden nu in de gang, en nauwelijks waren zij daar, of zij hoorden boven hun hoofd het gerucht van slechts half gedempte, opgewonden mannenstemmen.

Blijkbaar bewoonden de medeplichtige van Millford en zijn gezin het huis alleen, en hij behoefde dus niet te vreezen dat men hem zou hooren.

Sluipend als katten en zeker niet meer gerucht dan deze viervoeters maken als zij hun prooi gaan bespringen, beklommen de beide mannen de trap, en bereikten een portaal, juist toen er een deur geopend werd, en er een man verscheen, die een knaap bij de hand had van omstreeks tien jaar, die het prachtigste haar had dat men zich kon voorstellen en die blijkbaar in allerijl in zijn zeer eenvoudige kleeding was gestoken, de veters van zijn schoenen waren zelfs niet dicht gebonden.

Millford, want hij was het, richtte zich haastig naar de trap en wilde juist zijn voet op de eerste trede zetten, toen hij bijna gestruikeld was over iemand anders, niemand dan.… Raffles.

Met een vloek deinsde hij achteruit en keek een halve seconde later in den glinsterenden loop van een revolver.

„Neem ons niet kwalijk, mijnheer Millford, dat wij uw reisje een oogenblik komen verstoren,” begon Raffles op minzamen toon. „Ik heb eenige woorden met u te spreken. Wees zoo goed mij weder naar het vertrek te volgen, hetwelk gij zooeven verlaten hebt.”

Wijkend voor de steeds dreigende revolver, opende Millford, wit van drift, en den knaap nog steeds aan de hand houdend, de deur van een helder verlicht vertrek, waar Raffles en Charly zich nu bevonden in gezelschap van een man van omstreeks zestig [32]jaren, met een volkomen kaal hoofd en die thans op zijn beenen stond te trillen.

„Laat om te beginnen onmiddellijk dien knaap los,” beval Raffles. „Zoo is het goed. Kom hier, mijn jongen, je bent bij mij veiliger dan bij dien schurk, die je je fortuin ontstolen heeft.”

Hij wendde zich met een verachtelijken blik tot Millford, die hem doodsbleek aanstaarde en vervolgde:

„Wij zullen kort zijn, Millford, ik ben de man, die het telegram gezonden heeft, daarmede heeft dat kaalhoofdige heerschap niets te maken. Ik had je plannen doorzien, van het oogenblik af dat ik de moeder van dezen knaap leerde kennen, gravin Grace Collingwood. Gij hebt die ongelukkige vrouw ontvoerd en haar aan haar lot overgelaten op gevaar af, dat zij van honger en ellende zou omkomen, en gij hebt den knaap bij dezen schavuit gebracht, om van hem af te zijn, en om zelf de erfenis van graaf Andrew te kunnen aanvaarden. Durft gij het soms loochenen?”

„Ik weet niet wie ge zijt, maar ge praat wartaal,” riep Millford met krijschende stem. „Ik weet niet wat ge bedoelt, er heeft nooit een gravin Grace Collingwood bestaan. Mijn neef was niet met haar getrouwd, hij is nooit met haar getrouwd geweest. Zijn kind was een bastaard.”

„Dat zegt gij, omdat gij denkt dat de bewijzen vernietigd zijn, waaruit zijn wettig huwelijk bleek. Hier zijn ze, schurk. En hier is de zegelring, die hem toebehoorde, en wat Grace zelf betreft, zij is op den weg der beterschap, en zij zal kunnen getuigen, dat deze jongen haar kind is. Ik zal u een goeden raad geven, Millford, ik geef u een vollen dag tijd, om over de Zwitsersche grens te gaan, en ik handel ridderlijker jegens u, dan gij verdient. Ik keer nu aanstonds met dezen knaap terug om hem in zijn rechten te herstellen, en wanneer gij het waagt, nog ooit een voet in de omgeving van Oxton te zetten, dan zal ik geen medelijden met u hebben, maar u aanstonds aan de politie overleveren. Gij weet zeker wel, welke straf u dan boven het hoofd hangt.”

Raffles had zijn arm om den schouder van den verbaasden knaap heen geslagen en met Charly verliet hij nu het vertrek, waarin twee mannen achterbleven, die in tien minuten meer vloeken uitbraakten, dan zij onder normale omstandigheden in een jaar tijd zouden hebben gedaan.…

Nog geen volle week later was graaf Collingwood in het volle bezit van zijn fortuin en zijn titel hersteld.