Steeds dicteerende, maakte Pennock, terwijl hij in zijn stoel in de richting van zijn bezoekers boog, een uitnoodigend gebaar naar een paar stoelen.
Lord Aberdeen en zijn secretaris namen er op plaats en de stoelen stonden zoo, dat zij nu het gelaat van de steno-typiste, die snel en accuraat het dicté opnam, goed konden waarnemen.
En zij zagen een vrouw van zeer groote schoonheid, met een buitenlandsch voorkomen.
Het dikke zwarte haar, eenvoudig opgemaakt, omlijstte een gelaat van het zuiverste ovaal.
De mond was bijzonder fraai geteekend, de kleine neus was licht gebogen, de wenkbrauwen zouden een schilder in verrukking hebben gebracht.
Zij was geheel in haar werk verdiept, en toen Pennock even zweeg om zijn gedachten te verzamelen, sloeg de typiste een oogenblik de oogen op.
Het waren zeer groote, eenigszins amandelvormige oogen, bijna zwart, en met een donkeren gloed er in.
Het volgende oogenblik echter waren die beide tweelingsterren weder achter de oogleden verborgen.
Nog eenige oogenblikken klonk de wat scherpe stem van Pennock. Toen zeide hij:
„Afgeloopen, juffrouw! Onmiddellijk uitwerken. [5]Dadelijk posten en breng mij de copie van den brief, zoodra gij hem getikt hebt.”
Het meisje knikte zwijgend, schroefde haar vulpen in, en verliet het vertrek, door dezelfde deur waardoor de bezoekers waren binnengetreden en zonder hen ook maar met een enkelen blik te hebben verwaardigd.
Pennock was opgestaan, en trad nu zijn bezoekers haastig tegemoet.
Er lag eerbied in zijn stem, toen hij zeide:
„Ik hoop, dat gij het mij niet ten kwade zult duiden, Mylord, indien ik U een oogenblik heb laten wachten. De zaak was van groot belang en duldde geen uitstel.”
„Verontschuldig U niet, mijn waarde Pennock!” zeide Lord Aberdeen glimlachend. „Ik weet uit eigen ondervinding hoe onaangenaam het is bij dergelijke werkzaamheden te worden gestoord, of ze midden in te moeten afbreken! Ik heb U reeds laten zeggen, dat wij U niet lang zouden ophouden!”
„Neem plaats, wat ik U verzoeken mag en zeg waarmede ik U van dienst kan zijn,” hernam de bankier.
De drie heeren gingen zitten en Lord Aberdeen begon:
„Waarde Pennock, wij kennen elkander reeds eenige jaren, en sedert de oprichting van Uw bank ben ik Uw klant geweest, en naar ik meen een vrij goede klant. Ik heb dadelijk vertrouwen gesteld in de soliditeit van Uwe onderneming en ik heb tot mijn genoegen gezien, dat gij niet behoort tot die bankiers, die iemand het vel over de ooren halen, of zich inlaten met gewaagde speculaties, waardoor ook het kapitaal van hun inleggers gevaar zou loopen.”
Pennock boog even, als iemand die zulk een compliment volkomen verdiend acht, en daarop vervolgde zijn bezoeker:
„Juist omdat Uw voorzichtigheid en Uw beleid boven iederen twijfel verheven zijn, wend ik mij tot U. Ik weet, dat gij zeer uitgebreide connecties hebt in Rusland, zoo uitgebreid als men ze op dit oogenblik maar kan hebben.”
Pennock haalde mistroostig de schouders op en zeide:
„Het heeft helaas niet veel om het lijf, Mylord; ik meen onze geldelijke transacties met de Russische Sovjet Republiek. Wat mij betreft, kunnen die heeren Bolsjewiki mij gestolen worden. Zij mogen het dan nog zoo goed met de arme menschheid meenen, van geldzaken hebben zij niet het flauwste begrip, en als werkelijk gebeurde, waarnaar zij zoo vurig verlangen, namelijk, dat de geld- en wisselhandel van den eenen dag op den anderen werd afgeschaft, dan zou er nog geen etmaal later een chaos heerschen, zóó ontzettend, dat hiertegen onmogelijk de zegeningen zouden kunnen opwegen, welke die heeren te Moskou ons beloven. De handel zou volkomen worden lamgelegd, er zouden geen levensmiddelen meer worden aangevoerd, noch steenkolen, noch ijzer, noch goud, niets. Want niemand zou zijn kostbare producten willen afstaan.”
„Dan zou degeen, die ze noodig heeft, ze misschien nemen,” hernam Lord Aberdeen glimlachend.
„Dat is zelfs zeer waarschijnlijk. En daardoor juist zou er een vreeselijke strijd ontstaan, de een zou den ander bestelen, en wij zouden getuigen zijn van een wanorde, zooals men zich eenvoudig niet kan indenken. Gij moogt zeggen, dat ik in mijn eigen zaak pleit, maar ik houd het er eerlijk en oprecht voor, dat de zaken, zooals ze thans geregeld zijn, nog het best marcheeren, al wil ik niet ontkennen, dat er aan den wereldruilhandel nog vele fouten kleven. Ik ontken echter ten stelligste, dat men dien plotseling, zonder eenigen overgang, zou kunnen opheffen. Maar wij dwalen af, gij spraakt over Rusland, nietwaar?”
„Zoo is het! Voor mij opent zich de gelegenheid, aandeel te nemen in een tamelijk uitgebreide onderneming daarginds. Het betreft een spoorwegaanleg. Namen mag ik echter nog niet noemen. Gij zijt zelf zakenman en gij zult begrijpen, dat geheimhouding verplicht is. Het eenige doel van mijn komst is, van U, die in Rusland nog zeer vele handelsvrienden hebt, en van den toestand daarginds uitstekend op de hoogte kan zijn, te vernemen of zulk een onderneming al of niet gewaagd is.”
Pennock antwoordde niet dadelijk, krabde zich toen met scheefgetrokken mond eenige malen achter het oor, en antwoordde toen:
„Het is niet zoo makkelijk, Mylord, op zulk een vraag te antwoorden als men geen bijzonderheden kent, en die kunt ge mij niet verschaffen, zooals ik zeer goed begrijp. Trouwens vrees ik, dat men U wel wat al te veel heeft gezegd over de waarde [6]van mijn connecties met het tegenwoordige Rusland. Het is mij bekend, dat er voor den oorlog in Rusland een spionnagestelsel bestond, van welks omvang wij Westerlingen ons nauwelijks eenig voorbeeld kunnen maken. Gij hebt natuurlijk gehoord van de „Ochrana”.
„Van de geheime Russische politie? Wie zou daar niet van gehoord hebben!” riep Lord Aberdeen uit.
„Zij beheerschte als het ware het geheele openbare leven in Rusland, tijdens het Tsaristische regime. Men zou wanen, dat deze instelling tegelijkertijd met dat veel gesmade regime zou zijn verdelgd, niet waar? Welnu, ik kan U verzekeren, dat de voormalige „Ochrana” met haar als kelners, koetsiers, hotelportiers en kruiers vermomde geheime agenten slechts kinderspel was, vergeleken bij den spionage-dienst, dien Lenin en Trotzky hebben ingesteld. Daar weet Sonja staaltjes van te verhalen, waarbij U de haren te berge zouden rijzen.”
„Pardon, welke Sonja bedoeldt gij?” vroeg Lord Aberdeen glimlachend.
„Dat is mijn Russische steno-typiste! Zij was zooeven hier, toen gij binnenkwaamt. Een zeer schrander meisje, dat verscheidene talen vloeiend spreekt, en dat mij juist voor mijn zaken met Rusland van groot nut is. Sonja Paviac heet zij.”
„Dan is zij zeker nog niet lang bij U in dienst, want ik kan mij niet herinneren, dat ik haar gezien heb, toen ik U drie maanden geleden kwam bezoeken.”
„Zij kwam omstreeks een halve maand daarna, Mylord. Ik heb nog geen oogenblik spijt gehad, dat ik haar in dienst heb genomen. Maar om op het onderwerp van ons gesprek terug te komen. Ik vrees, dat informaties, welke ik uit Rusland ontvang, slechts zeer onvolledig den werkelijken toestand weergeven. Men is nooit zeker, dat men ongeopende brieven ontvangt, en men kan er wel gerust op zweren, dat de meeste brieven, welke in Rusland binnenkomen, zorgvuldig worden nagezocht, of zij soms geestelijke contrabande bevatten. Niemand is daarginds zijn leven zeker, wanneer van hem bewezen kan worden, dat hij vijandig staat tegenover de Bolsjewistische beginselen. Wat onze financiëele betrekkingen met die lieden betreft? Ik zou er niet gaarne mijn hand voor in het vuur durven steken, dat de heeren in Moskou inderdaad, zooals zij reeds beloofd hebben, al hun geldelijke verplichtingen jegens het buitenland zullen nakomen. Of het in die omstandigheden geraden zou zijn, geld te steken in een spoorwegmaatschappij, die haar eerste meters spoorstaven nog moet leggen? Ik zou die vraag niet gaarne onvoorwaardelijk bevestigend beantwoorden. Gij moet mij goed verstaan. Ik zou er natuurlijk veel liever wel bevestigend op antwoorden. Rusland is het land der onbegrensde mogelijkheden, veel meer nog dan Amerika, voor welk land men het eerst die zegswijze heeft gebruikt, en wie weet wat er later nog gebeuren kan. Maar voor het oogenblik meen ik U bepaald te moeten ontraden, Mylord, geld te steken in zulk een gewaagde onderneming. Een nieuwe spoorwegmaatschappij daarginds kan zeer stellig groote winsten afwerpen, maar dan is het ook volstrekt noodzakelijk, dat men daar een legertje Engelsche controleurs op de been houdt, want er wordt nergens zoo gestolen als in Rusland, en dit nu is juist onder de huidige omstandigheden onmogelijk. Het spijt mij, dat ik U geen ander antwoord heb kunnen geven.”
„Verontschuldig U vooral niet, mijn waarde Pennock!” hernam Lord Aberdeen, die was opgestaan en zijn hoed had gegrepen. „Ik ben overtuigd, dat gij mij ten beste hebt geraden en ik dank U daarvoor. Kom mijnheer Brand, wij willen mijnheer Pennock niet langer ophouden. Wat wij hier nog te doen hebben, daarvoor hebben wij alleen den kassier noodig.”
De beide heeren namen afscheid, nadat zij door den bankier zelf naar de verbindingsdeur waren geleid.
Toen zij daar binnentraden zagen zij Sonja Paviac voor haar schrijfmachine zitten, druk bezig met het uitwerken van het stenogram, dat zij zooeven had opgenomen.
Zij keek slechts even op, toen de beide heeren passeerden, maar was het volgende oogenblik weder in haar arbeid verdiept.
Lord Aberdeen en zijn secretaris gingen het kantoorlokaal weder door, daalden de breede trap af, bereikten de vestibule, vereffenden eenige zaken met den kassier, en traden vervolgens weder naar buiten.
De chauffeur kwam aanstonds van zijn zetel en opende met de pet in de hand het portier van de limousine. [7]
„Waarheen, Mylord?” vroeg hij eerbiedig.
„Rijdt ons naar huis, Henderson!” antwoordde Lord Aberdeen.
De beide heeren stapten in, het portier klapte dicht en de chauffeur nam achter het stuurwiel plaats, waarop de auto zich in beweging zette.
Lord Aberdeen leunde glimlachend in de kussens achterover en zeide half spottend, half ernstig:
„Het is merkwaardig, die goede Henderson staat daar naast het portier met een onderdanigheid alsof hij met een waarachtigen Lord Aberdeen te doen had, en niet maar eenvoudig met John Raffles, den Gentleman-Inbreker. Hij doet alsof hij volstrekt niet weet, wie ik eigenlijk ben, en hij behandelt mij voor het oog van de wereld geheel als een echten Lord, ofschoon hij reeds verscheidene jaren deel neemt aan vele van mijn gevaarlijkste avonturen, waarbij de leer van het mijn en dijn nog al eens een enkele maal in het gedrang komt.”
De Gentleman-Inbreker haalde langzaam een sigaret uit zijn gouden koker, stak ze op, blies een rookwolk uit, en vervolgde droomerig:
„Ik heb den braven jongen reeds herhaalde malen in den mond gegeven, dat hij mij moest verlaten. Hij weigert, hij blijft steeds weigeren. Soms ook barst die reus, die mij en jou tezamen gemakkelijk met een hand van den vloer kan tillen, als een kind in tranen uit, wanneer ik hem voorstel zijn eigen weg te gaan, om dat ik niet wil dat hij zijn leven nog langer koppelt aan dat van een dief.…”
„Stil, Edward, niet zeggen,” zeide Charly Brand op zachten toon, terwijl hij zijn rechterhand op den arm van zijn eenigen, trouwen vriend legde. „Je doet er me pijn mee.”
„Soms doe ik er me zelf ook pijn mee, maar de waarheid is nu eenmaal vaak onaangenaam om te hooren,” zeide Raffles met een kort lachje. „Wat denk je wel, dat hoofdinspecteur Baxter zou doen, wanneer hij morgen als een volstrekte zekerheid te weten kwam, dat Lord Aberdeen dezelfde persoon is als Lord Edward Lister, alias John Raffles? Je zwijgt? Laat ik het je dan maar zeggen. Hij zou een oogenblik stom van verbazing terneder zitten, en dan zou hij geen seconde langer aarzelen om desnoods vijftig van zijn politieagenten op mij af te zenden en mij te laten arresteeren. Het is waar, dat ik de zaken in het groot drijf, maar dat zou vriend Baxter toch niet beletten, mij als een ordinairen dief te behandelen.”
„Ik smeek je, Edward, praat daar niet langer over,” riep Charly Brand uit. „Ik heb je vroeger al menigmaal geraden, het noodlottig beroep, dat je gekozen hebt te laten varen, je hebt altijd geweigerd en gezegd, dat je nooit genoeg geld kon bezitten, om het onrecht goed te maken, dat er op onzen aardbol wordt gepleegd. Maar praat er dan ook niet over, rijt geen wonden open, die zoo smartelijk zijn als deze.”
Raffles had de rechterhand over de oogen gelegd, en scheen in diepe gedachten verzonken.
Plotseling richtte hij zich weer op, wierp zijn half opgerookte sigaret uit het portier, en riep schouderophalend:
„Wat doet het er ook toe. Als het einde mocht komen, vroeg of laat, dan zal het mij recht opgericht vinden, trotsch en zonder berouw. Ik heb eenige jaren geleden mijn keuze gedaan, en ik zal voort blijven gaan op den ingeslagen weg, wat er ook gebeuren moge! De meesters der wereld mogen mij beoordeelen zooals zij willen, in ieder geval zal mijn naam als Lord Aberdeen nog wel eenigen tijd blijven voortleven in de harten van de menschen, die ik heb kunnen bijstaan in de ellende, en dat maakt veel goed.”
Charly had zijn hand op den schouder van zijn vriend gelegd en zeide nu, met een stem vol aandoening:
„Je naam zal eeuwig voortleven in de harten van duizenden, Edward.” [8]