Het was omstreeks twaalf uur in den nacht.
Raffles en Charly hadden voor dien nacht het plan gemaakt, goed vermomd, een bezoek te brengen aan een van de havenwijken, zooals zij menigmaal plachten te doen.
Het huis, hetwelk Raffles onder den naam van Lord Aberdeen bewoonde, en dat in de Regent-Street gelegen was, niet ver van de Mall, leende zich uitstekend voor dergelijke nachtelijke uitstapjes, want de tuin, die er zich achter uitstrekte, was door een muur gescheiden van een stille zijstraat, waar zich nooit een levende ziel bevond, en in dezen muur bevond zich een kleine tuindeur, dicht naast de garage, waarboven zich de woning van James Henderson, den trouwen chauffeur van Zijn Lordschap bevond.
Niets was dus gemakkelijker, dan het huis langs dezen kant te verlaten, zonder dat iemand het zag.
De beide mannen hadden zich eenvoudig gekleed en konden doorgaan voor goed betaalde arbeiders.
Wat hun uiterlijk betreft, niemand zou in hen Lord Aberdeen en zijn secretaris herkend hebben.
Raffles had de vermommingskunst weten te vervolmaken op een wijze, die iederen beroepsacteur met de grootste verbazing zou hebben vervuld.
Ook het scherpste, meest geoefende oog zou den bedriegelijken aard niet hebben kunnen onderscheiden van de valsche wenkbrauwen, de valsche knevels, baarden en pruiken, welke Raffles gebruikte.
De gewone schmink, zooals de tooneelspelers deze gebruiken, was door hem in den ban gedaan, en daarvoor in de plaats gebruikte hij verscheidene mengseltjes van zijn eigen vinding, die de huid verkleurden, zonder haar in het minst te beschadigen, en die bestand waren tegen zon en regen.
Toegerust met een verbazend aanpassingsvermogen mocht Raffles gerust het scherpste oog van een politiespeurder tarten.
Ook nu weder had Charly hem vol bewondering aangekeken, toen Raffles met de handen in zijn zakken, het bolhoedje achter op het hoofd, en een half afgekloven zwarte sigaar in den mondhoek, aan zijn zijde over de straat slenterde.
Men zegt weleens van een acteur, dat hij „in de huid is gekropen” van den persoon, dien hij op het tooneel heeft voor te stellen, maar bij Raffles leek dit inderdaad het geval te zijn.
Hij had thans niet alleen het uiterlijk van den gegoeden arbeider, hij had er den loop van, de gebaren, de wijze van kijken, en zelfs de manier, waarop hij met groote zekerheid in een sierlijken boog een straal tabakssap moest uitspuwen.
Zoodra Raffles de kleine tuindeur achter zich gesloten had, richtten de beide vrienden hun schreden naar de Regent-Street.
Zij liepen deze straat ten einde, tot zij de Pall-Mall bereikten.
Vijf minuten verder sprongen zij in Cockspur op een voorbij rijdende electrische tram, waarvan zij wisten, dat zij hen tot ver in de zuid-oostelijke wijken van de stad zou brengen.
Na een rit van ongeveer drie kwartier bevonden de beide vrienden zich niet ver van den New Kent Road, in de wijk van Wington.
Hier verlieten zij het voertuig weder, en namen nu een ander vervoermiddel te baat, een motorbus, die hen nog heel wat verder bracht, langs de zooeven genoemde straat.
Het was bijna elf uur in den avond, toen de beide vrienden voor de tweede maal afstapten op den hoek van de Grange Road.
Zij bevonden zich nu in het hartje van het industriëele Londen.
Op ongeveer drie kwartier gaans stroomde de Theems in noordelijke richting.
Het was hier nog zeer druk, en talrijke bioscopen [9]spuwden juist haar duizenden bezoekers als het ware weder op straat uit.
Ongeveer vijftig meter van de plaats waar Raffles en Charly van de bus waren gesprongen, schitterden de lichten van een niet Tang geleden gebouwde music hall.
Eigenlijk was het niet veel anders dan een verkapte danszaal, met een orkestje van zes man, waar de vertering niet al te duur was, en waar men een zeer eigenaardig publiek aantrof, dat voor een groot gedeelte bestond uit winkeljuffrouwen, klerken, telefoonjuffrouwen en hunne standgenooten.
Raffles en Charly slenterden de breede Grange Road in, en stonden een oogenblik besluiteloos stil voor dit paleis met zijn schelle lichten.
Eensklaps trok Raffles zijn metgezel aan de mouw, en zeide op gedempten toon:
„Kijk daar eens heen! Neen, daar bij die lantaarn!”
„Die vrouw, die daar juist met een heer uit een huurauto stapt?”
„Juist, herken je haar niet?”
Charly keek een weinig nauwkeurig toe, en antwoordde toen:
„Welzeker, dat is Sonja Paviac!”
„Ja, de steno-typiste van onzen vriend Pennock!”
„Wat komt zij hier uitvoeren?”
„Zich amuseeren, denk ik. Zij is jong en mooi,” antwoordde Raffles kalm.
„Waarom doet zij dat dan niet een weinig dichter in de buurt?”
„In welke buurt?”
„Natuurlijk in de buurt van haar huis!”
„Hoe weet je, dat zij hier niet ergens woont?”
„Maar daar ziet zij toch heelemaal niet naar uit!”
„Waarom niet?”
„Waarom niet? Wel om alles! Omdat zij mooi is, omdat zij een echte dame is! Zij hoort hier niet thuis.”
„Ik merk tot mijn verwondering, dat geestdrift je verleidt nonsens te zeggen, Charly!” hernam Raffles schouderophalend. „Dat zij mooi is ontken ik niet, en dat zij zich als een dame gedraagt, evenmin. Dit alles neemt echter niet weg, dat zij haar brood verdient als typiste, en daarom zou ik het volstrekt niet verwonderlijk vinden, als zij in deze volksbuurt woonde.”
„Nu, ik geloof er niets van,” kwam Charly. „Stel je voor, dat zij iederen dag een rit van vijf kwartier naar haar kantoor en weer terug zou maken!”
„Wat zou dat?” hernam Raffles verwonderd. „Er zijn heel wat klerken, die in de City van Londen hun brood verdienen en iederen dag van twee tot drie uur tusschen de wielen moeten zitten om van en naar hun kantoor te gaan!”
Charly antwoordde niet aanstonds, maar keek onafgewend naar de schoone Russin, die op dit oogenblik met haar begeleider het danspaleis binnen ging.
Toen hij weer sprak, had zijn stem een eenigszins schorren klank.
„Zij woont niet hier, zij woont in de Newman-Street!”
Raffles wendde met een ruk zijn hoofd naar Charly, en liet een zacht gefluit hooren.
„Dat weet je bijzonder nauwkeurig!” zeide hij op spottenden toon. „Hoe komt dat zoo?”
„Ik heb het toevallig.… vernomen.”
„Je stelde dus al vroeger eenig belang in die jonge dame?”
„Ik vond haar zeer schoon.”
„Goed en wel, je kende haar dus, vóór wij vanmorgen Pennock bezochten?”
„Ik heb eens een paar woorden met haar gewisseld, toen ik bij Pennock eenige malen achtereen als je secretaris een paar boodschappen heb gedaan.”
„Wel, wel, dat is.…” begon Raffles hoofdschuddend.
Hij nam Charly scherp op, haalde de schouders op, wendde zich af, en mompelde iets in zich zelf, dat Charly onmogelijk kon verstaan.
Het volgende oogenblik scheen hij het heele voorval vergeten te zijn.
Hij wendde zich opgewekt tot den jongen man, en zeide:
„Ik heb wel lust om dat danspaleis eens van binnen te bezichtigen.”
„Zooals je wilt,” zeide Charly.
De beide mannen staken de straat over, en gingen het schitterend verlichte gebouw binnen.
Na de breede vestibule te zijn overgestoken, bereikten zij aanstonds de danszaal, onmetelijk groot, en waar de bezoekers, die niet meer konden of wilden dansen gelegenheid vonden uit te rusten, [10]en een glas wijn te drinken, gezeten aan een van de tafeltjes, die in een breede rij rondom den dansvloer geschaard waren.
Op een soort podium had een klein orkest plaats genomen, dat om halfeen in den nacht zou worden afgelost door een andere ploeg, wat ook wel noodig was, want tegen dat tijdstip zouden de beklagenswaardigen onafgebroken van zeven uur af hebben gestreken.
Terwijl zij naar een tafeltje zochten, kregen de beide mannen Sonja Paviac opnieuw in het oog.
Zij had met haar begeleider plaats genomen aan een tafeltje, niet ver van de ingangsdeur, en zoog welbehagelijk aan een sigaret, terwijl zij half achterover leunde.
Een oogenblik vestigde zij haar blikken op de beide mannen, die juist voorbij gingen, maar het was duidelijk te zien, dat zij hen niet herkende.
Even verder stond Raffles stil, en vroeg op zachten toon:
„Ken je dien heer, die in haar gezelschap is?”
„Ik heb hem nooit gezien!”
„Dan schiet je geheugen te kort. Ik herinner mij zijn gezicht heel goed. Ik ken zelfs zijn naam.”
„Wie is hij dan?” vroeg Charly haastig.
„Philip Chesterfield, de onderdirecteur van de Engelsche Bank.”
Charly keek den heer nu eens nauwkeurig aan, en zeide toen, terwijl hij een weinig van kleur verschoot:
„Je hebt gelijk, hij is het! Maar hoe komt zij in gezelschap van dien man?”
„Wel, hij zal haar eenvoudig hebben uitgenoodigd,” antwoordde Raffles lakoniek. „De Engelsche Bank is niet ver verwijderd van de „Midland Credit”, en zij zullen elkander wel eens zijn tegen gekomen.”
„Maar die Chesterfield is zeer rijk,” hernam Charly.
„Wel, dat bewijst, dat onze Sonja Paviac een zeer practisch meisje is, met een goeden financiëelen kijk.”
„Edward, zeg dat niet! Ik.…,” Charly beet zich op de lippen en wendde zich af.
Raffles nam hem een oogenblik met gefronste wenkbrauwen op, en toen verscheen er een ironische, spottende glans in zijn oogen.
„Het klinkt bijna als een sprookje, maar ik zou bijna zeggen, dat de zwarte oogen van die Russische schoone het hart van Charly in vuur en vlam hebben gezet. Nu, als het een simpele amourette kan blijven, dan heb ik er vrede mee. Die jonge dame schijnt in ieder geval niet in de eerste plaats gesteld te zijn op uiterlijk schoon, want Chesterfield mag een rijk, en ook een zeer bekwaam man zijn, een Apollo is hij nu bepaald niet. Jonger dan vijftig jaar is hij in geen geval, en zijn geestigheid heb ik nooit in het bijzonder hooren roemen.”
Na nog eenigen tijd te hebben moeten zoeken, waren de twee vrienden zoo gelukkig een tafeltje te kunnen bemachtigen, waar juist twee bezoekers waren opgestaan, op slechts weinige meters afstand van dat, waaraan Sonja Paviac en Philip Chesterfield gezeten waren.
Raffles bestelde bij den kelner een halve flesch wijn, en verzonk toen schijnbaar in de aanschouwing van de dansende paren.
In werkelijkheid echter was zijn blik onophoudelijk op het ongelijke paar gericht.
„Ik zou wel eens willen weten, wat haar beweegt, om met Chesterfield juist dezen afgelegen tempel van vermaak te bezoeken, terwijl er in de City zooveel zijn, meer geschikt voor een man als Chesterfield, die op een paar duizend pond meer of minder niet behoeft te zien. Wat drommel, zij is hier bijna twee uren per motorbus van haar woning verwijderd.”
Terwijl hij hier nog over nadacht zag hij, dat de jonge Russin, gebruikmakend van het oogenblik, waarop haar begeleider met den kelner sprak, bliksemsnel een teeken gaf aan een man met een donker gelaat, die aan de overzijde van den dansvloer stond, en onafgebroken naar haar keek.
Het volgende oogenblik stond de jonge vrouw op en sprak eenige woorden met haar metgezel.
Vervolgens wendde zij zich naar de breede deur, die op de vestibule uitkwam.
Maar reeds was Raffles vliegensvlug opgestaan.
„Blijf hier op mij wachten!” zeide hij fluisterend tot Charly. „Ik kom aanstonds terug.”
En voor de jonge man iets had kunnen vragen, had Raffles zich haastig naar de deur gespoed, welke hij lang voor Sonja bereikte.
Hij stond nu in de vestibule, keek onderzoekend om zich heen, en ontdekte op een paar passen afstand [11]een deur, die door een portière kon worden afgesloten.
Snel als de gedachte verborg Raffles zich achter het gordijn en trok het vlug bijna geheel dicht, maar toch niet zoo ver, of hij kon de geheele vestibule overzien.
Hij behoefde niet lang te wachten, of Sonja Paviac betrad de vestibule, en een oogenblik later verscheen de man, dien zij gewenkt had.
Het toeval was Raffles gunstig.
Sonja had een paar passen in de richting van de deur gedaan, waar Raffles zich verscholen had, en hij kon eenige woorden opvangen van het korte gesprek, dat het tweetal voerde.
Het volgende oogenblik waren zij weder verdwenen, de vrouw het eerst.
Raffles verliet op zijn beurt de schuilplaats en ging zich weder bij Charly voegen, die verbaasd en ook eenigszins ongerust op hem wachtte.
„Waar ben je geweest?” vroeg de jonge man, zoodra Raffles weder had plaats genomen.
„In de vestibule.”
„Om wat te doen?”
„Om eens na te gaan wat onze vriendin Sonja daar kwam uitrichten. Heb je haar niet zien weggaan?”
„Een oogenblikje maar, zij zit nu weder bij.… dien kerel.”
„Komaan, het gaat goed,” bromde Raffles voor zich heen. „Hij noemt den onderdirecteur van de Engelsche bank al „die kerel”.”
Hij keek Charly strak aan, en vervolgde:
„Weet je wat zij er kwam doen?”
„Hoe kan ik dat nu weten?” vroeg Charly, terwijl hij met voorgewende onverschilligheid de schouders ophaalde.
„Zij had er een zeer kort gesprek met een landgenoot. Je kunt hem daarginds zien staan, aan de overzijde van den dansvloer, die man met zijn lang zwart haar, zijn slecht verzorgden baard en zijn gloeiende oogen.”
„Hoe weet je, dat hij een landgenoot van haar is?”
„Heel eenvoudig, zij spraken Russisch.”
„En heb je kunnen hooren wat zij spraken?”
„Voor een deel althans. En ik verzeker je, dat het vrij belangrijk was, wat zij elkander te vragen en te antwoorden hadden.”
„Waar liep het gesprek over?” vroeg Charly, die al dien tijd voortdurend naar de jonge Russin gekeken had, die nu met kleine teugjes van haar sorbet nipte.
„O, het duurde maar heel kort. Hij vroeg haar: „Voor wanneer kan het zijn?”
„Daarop antwoordde zij: „Nog een week. Is van jullie kant alles in orde?”
„Daarop antwoordde de man weer: „Stel je gerust, wij kunnen desnoods morgen handelen, zorg dat je morgenavond om tien uur op de bekende plek bent, dan zullen wij nader afspreken. Je moet op de seconde na weten, wanneer het zijn zal, want voor geen goud zouden wij zoo’n bekwame helpster willen missen!””
„En, was dat alles?” vroeg Charly langzaam.
„Zij antwoordde alleen nog maar, dat zij er zou zijn, en daarop scheidden zij weder van elkaar.”
Eenige oogenblikken zwegen de beide vrienden.
Charly speelde zenuwachtig met zijn leeggedronken wijnglas, en Raffles keek hem van onder zijn gefronste wenkbrauwen, met een half spottend, half medelijdend, lachje aan.
Toen schoof hij wat dichter bij Charly en hernam op gedempten toon:
„Ik geloof niet, dat ik mij vergis, als ik zeg, dat je groot belang stelt in die jonge vrouw, Charly. O, je behoeft je volstrekt niet te verdedigen, ik maak je er geen verwijt van. Integendeel, ik ben wel verplicht je smaak te bewonderen. Hoe het ook zij, ik wilde gaarne, dat je de korte kennismaking met haar voortzette.”
„Waarom?” vroeg Charly toonloos.
„Omdat ik gaarne iets naders omtrent die Sonja Paviac zou willen vernemen,” antwoordde Raffles, terwijl hij Charly met zijn staalgrijze oogen als het ware doorboorde. [12]