[Inhoud]

HOOFDSTUK IV.

Als het hart spreekt.…

Het was omstreeks tien uur in den morgen van den volgenden dag.

Raffles was alleen in zijn werkkamer.

Reeds van half negen af had hij bijna niets anders gedaan, dan in verschillende richtingen getelefoneerd.

Het voorval, waarvan hij den avond te voren in het danspaleis getuige was geweest, had een dieperen indruk op hem gemaakt, dan hijzelf wilde toegeven, en reeds had hij verschillende bureaux opgebeld, teneinde eenige nadere berichten in te winnen betreffende Sonja Paviac.

Pennock zelf had hem medegedeeld, dat zijn Russische typiste zich aan hem had voorgesteld, voorzien van voortreffelijke getuigschriften.

Het behoeft geen nader betoog, dat Raffles er zich wel voor gewacht had om mede te deelen op welke gronden bij zijn argwaan vestigde.

Hij had voor zichzelf trouwens nog niet kunnen uitmaken van welken aard het misdrijf was, hetwelk de beide Russen blijkbaar beraamden, en dat niet alleen maar in vereeniging met medeplichtigen.

Raffles had juist weder den hoorn van zijn telefoon opgehangen, toen de deur geopend werd en Charly binnentrad.

De jonge man was bleeker dan gewoonlijk, en zijn blauwe oogen hadden een onrustige uitdrukking; het was hem duidelijk aan te zien, dat hij een gedeelte van den nacht wakend had doorgebracht.

Raffles wendde zich half op zijn stoel om, teneinde te zien, wie hem kwam storen, liet zich toen achterover tegen de hooge rugleuning van zijn schrijfstoel vallen, vouwde de armen over de borst en keek Charly aan als zag hij een natuurwonder.

Toen begon hij, zonder van houding te veranderen:

„Je weigert het dus te doen?”

Charly deed een paar stappen achteruit, keek Raffles verschrikt aan en stamelde:

„Het is dus wel waar, dat je in de harten van de menschen kunt lezen? Edward, ik smeek je.…”

Maar Raffles viel hem ruw in de rede met een bevelend:

„Ga daar zitten, en laten wij eens praten.”

Charly Brand liet zich op een stoel neervallen en hield de oogen strak op het tapijt gevestigd.

Raffles keek hem een oogenblik hoofdschuddend aan, met denzelfden spottenden, kouden blik in zijn oogen en begon toen:

„Het is dus meer geweest dan een oppervlakkige kennismaking?”

„Neen, Edward, dat was het niet! Ik zweer het je! Ik heb haar in het geheel maar drie maal gesproken.”

„Wist zij al dien tijd, wie je was?

„Ik had volstrekt geen reden om dat te verzwijgen. Ik kwam immers als jouw secretaris zaken doen!”

„Kort en goed, je hebt die vrouw lief?”

In plaats van te antwoorden, bedekte Charly zijn oogen met de hand en zuchtte diep.

Raffles draaide zich met een ruk in zijn stoel om, nam een sigaret uit de zilveren doos, die op zijn schrijfbureau stond, tikte er bedaard de losse stukjes tabak af, ontstak haar, blies een dikke rookwolk uit en hernam toen op denzelfden toon:

„Ik kan mij in deze zaak moeilijk partij stellen, om je de waarheid te zeggen ben ik niet voldoende op de hoogte van dergelijke gevoelens. Ik kan echter niet nalaten, je er opmerkzaam op te maken, dat het voor mij een lastig geval wordt, wanneer mijn helpers behept zijn met verliefdheid.” [13]

„Spot er niet mee, wat ik je bidden mag, Edward,” zeide Charly steunend.

„Je vergist je, mijn waarde, als je denkt, dat ik spot,” hernam Raffles koeltjes. „Ik beschouw verliefdheden van dien aard als een ernstige ongesteldheid, die ongeveer het midden houdt tusschen Spaansche griep en galsteenen. Het is mij een raadsel, hoe een man met gezonde hersens zoo plotseling en schijnbaar zoo ongeneeselijk onder den invloed kan komen van twee groote, zwarte oogen.”

„Ik heb er tegen gevochten, het is sterker dan ik, Edward. Zij was geen seconde uit mijn gedachten. Het verbaast mij zelfs, dat je dat niet aan mij gemerkt hebt.”

„Mijn gedachten waren bij mijn zaken,” antwoordde Raffles kortaf.

„Maar denk je dan aan niets anders?” riep Charly op hartstochtelijken toon. „Ben je dan van steen? Ben ik je vriend niet? Deert het je niet, of ik lijd of vroolijk ben? Is je niets gelegen aan mijn geluk?”

„O, stil toch!” riep Raffles met harde stem. „Je geluk? Je praat nonsens, man! Ik geloof niet aan liefde op het eerste gezicht, ik geloof echter wel aan passie. Wat jij voor die vrouw voelt, dat kan onmogelijk echte, trouwe liefde zijn, die tegen alles bestand is.”

„Edward, je beleedigt mij en haar,” zeide Charly op doffen toon.

„Om kort te gaan, je weigert om te doen wat ik je vraag? Om die vrouw na te gaan?”

„Ik kan het niet doen, Edward! Ik kan niet!” riep Charly wanhopig. „Ik heb je tot dusver trouw gediend, ik heb de grootste gevaren met je gedeeld, nooit heb ik geaarzeld om alles te doen wat je mij opdroeg, maar dit gaat boven mijn krachten. Ik zou haar moeten bespioneeren, haar, die alles in mij heeft wakker gemaakt, wat ik gestorven waande?”

„Een stroovuur, mijn waarde. Niets dan een stroovuur,” riep Raffles minachtend uit. „Besef je dan niet, dat die vrouw niet is waarvoor zij zich uitgeeft? Heeft je hartstocht je dan heelemaal verblindt? Is het je dan niet duidelijk, dat die vrouw een gevaarlijke misdadigster moet zijn?”

„Dat geloof ik niet!” riep Charly terwijl hij opstond. „Je hebt volstrekt geen bewijzen voor wat je zegt, Edward! Je beticht haar zonder een schijn van recht.”

„Welzoo? En het gesprek in de vestibule van het danspaleis?”

„Wat had dat te beteekenen? De verklaring kan wel heel onschuldig zijn.”

„Dat zullen wij hedenavond zien,” antwoordde Raffles kortaf. „Ik zal dus tot mijn spijt genoodzaakt zijn, deze zaak alleen te onderzoeken.”

„Edward.…!” stamelde Charly, terwijl hij smeekend de handen naar Raffles ophief.

„Zeg niets meer,” hernam deze koud. „Over dergelijke zaken kunnen wij niet redetwisten. Ik acht die vrouw zeer gevaarlijk, en de toekomst zal wel uitwijzen, dat ik daarin goed gezien heb. Er zal je een smartelijke ontgoocheling wachten, Charly. Maar vergeet niet, dat ik bijtijds getracht heb, je te genezen. In ieder geval zul je me zeker wel den dienst willen doen, mijn plannen niet te dwarsboomen, en die vrouw niet te waarschuwen.”

Charly was doodsbleek geworden, en keek Raffles met groote, verschrikte oogen aan. Toen stamelde hij op heeschen toon:

„Heb ik dat aan je verdiend, Edward?”

„Menschen met zulk een krankzinnige passie, die hun hersens vergiftigt, en hen het nadenken belet, zijn gevaarlijk, ook voor hun beste vrienden,” riep Raffles op denzelfden, kouden, harden toon. „Natuurlijk kan ik je onmogelijk verbieden, die vrouw verder nog te zien of te spreken, je bent geen schooljongen meer. Maar als je aan mijn vriendschap iets gelegen is, Charly, dan toon je je een man, en tracht uit alle macht deze hartstocht uit je ziel te rukken. Ik zeg nu, dat hij in je ziel zetelt, maar ik ben overtuigd, dat ik hem daarmee te veel eer bewijs. Ik kan mij zeer goed voorstellen, welke gevoelens jegens mij je nu bezielen, Charly, maar er zal nog geen week verloopen zijn, of je zult moeten toestemmen, dat je mij onrecht aangedaan hebt. Zeker, er zal wel een moeilijke tijd voor je aanbreken, want het doet pijn, een afgodsbeeld van zijn voetstuk te zien vallen, maar ook dat zal voorbij gaan, en je zult hierop terug zien als op een zonderlinge afdwaling.”

De Gentleman-Inbreker was op Charly toegetreden en legde hem de hand op den schouder.

Zijn stem klonk veel zachter, toen hij vervolgde:

„Mannen als wij moeten eigenlijk nimmer een vrouw met teedere gevoelens in de oogen zien. Ik althans heb mij een weg gekozen, die mij dat onmogelijk [14]maakt. Maar dit zeg ik je eerlijk: Ontmoet je ooit een meisje, dat niet alleen uiterlijke bekoorlijkheden bezit, maar in de waarachtige beteekenis van het woord een edele ziel heeft, dan laat ik je aanstonds vrij, en dan zal ik mij zelf innig gelukkig achten, als je op deze wijze je leven besluit. Maar dit, neen, dit is geen liefde, dit kan geen liefde zijn. En ga nu, ik moet nadenken.”

Met deze woorden nam Raffles weder voor zijn schrijftafel plaats en verzonk in diepe gedachten.

Van de aanwezigheid van Charly scheen hij volstrekt niets meer te bemerken.

De jonge man zelf was opgestaan, deed nu besluiteloos een paar stappen, naar Raffles toe, bedacht zich, en snelde eensklaps het vertrek uit.

Ten prooi aan de meest tegenstrijdige gevoelens ijlde hij naar zijn eigen kamer, en liet zich op de rustbank neervallen, terwijl hij zijn gelaat in de zachte kussens begroef.…

Maar Raffles werkte door, met onverdroten ijver, als een uurwerk, koud en door niets te ontroeren.

Hij had zich in het hoofd gezet, dat die schoone Russin een zeer gevaarlijke vrouw was, en nu hij dit nader wilde onderzoeken, zou hij zich zeker niet laten weerhouden door „sentimenteele” overwegingen.

Hij zou het mes diep in de wonde zetten, zoo nam hij zich voor, en Charly van zijn noodlottigen hartstocht bevrijden.

Omstreeks een uur nadat het gesprek had plaats gevonden, hetwelk Charly zoo zeer had aangegrepen, begaf Raffles zich naar de bank van de heeren Rosenthal en Pennock, en werd aanstonds bij den laatsten toegelaten, nadat hij zijn kaartje had afgegeven, en verklaard had, dat hij wegens een belangrijke zaak kwam.

Hij werd dadelijk bij Pennock toegelaten, die hem met uitgestoken hand tegemoet trad, en eenigszins verbaasd opmerkte:

„Gij herhaalt uw bezoek vroeger, Mylord, dan ik had durven hopen. Kan ik U met een en ander van dienst zijn? Gaat het over de spoorwegexploitatie in Rusland?”

„Dat niet, mijn waarde Pennock, al kom ik wel in een zaak, die in de verte iets met Rusland uitstaande heeft. Maar voor ik verder ga, kan men ons hier naast onmogelijk hooren spreken?”

„Is de zaak van zulk een gewicht, Mylord?” vroeg Pennock verwonderd, terwijl zijn wenkbrauwen de hoogte ingingen.

„Van groot gewicht!”

„Nu, dan zullen wij ons liever in mijn particulier kabinet terugtrekken, daar zijn wij volkomen beschut tegen luisteraars.”

Onder het spreken had hij een deur geopend en liet Raffles nu binnentreden in een klein vertrek, waar slechts een rooktafel en eenige gemakkelijke fauteuils stonden.

Hij liet de tusschendeur openstaan en hernam nu:

„Nu kunt gij gerust vrijuit spreken, Mylord, men zal ons in de kamer van mijn secretaris onmogelijk kunnen hooren. Ik moet U zeggen, dat U mijn nieuwsgierigheid wel wat geprikkeld Hebt.”

„Dan spijt het mij U te moeten zeggen, dat ik betwijfel, of ik haar wel in alle opzichten zal kunnen bevredigen.”

Raffles trok zijn stoel zoo dicht mogelijk bij dien van Pennock en vroeg toen op gedempten toon:

„Hoe lang hebt gij Uw steno-typiste reeds?”

„Wie meent gij? Sonja Paviac?”

„Ja.”

„Zij is bijna drie maanden in mijn dienst.”

„Zijt gij over haar werk tevreden?”

„Volkomen.”

„Heeft zij nooit verzuimd?”

„Slechts enkele malen, wegens ziekte. Zij haalde echter den achterstand gemakkelijk weder in. Het is een doortastend, ijverig en bekwaam meisje.”

„Waar was zij het laatst geweest?”

„Bij een firma in Leeds.”

„Hoe lang was zij daar?”

„Ruim zeven jaar.”

Een trek van teleurstelling en ook van verbazing vloog over het gelaat van John Raffles.

Hij beet zich op de lippen, dacht een oogenblik na en begon toen weder:

„Had zij goede getuigschriften?”

„Voortreffelijke.”

„Gij hebt natuurlijk naar haar andere papieren gevraagd?”

„Ik heb haar paspoort gezien en haar toestemming om in ons land te vertoeven.”

„Hebt gij die getuigschriften soms bij de hand?”

„Ik heb ze haar natuurlijk weder terug gegeven.”

„Herinnert gij U den naam van de firma dan niet?”

„Ja zeker. Preston & Co., machinebouwers. Maar [15]waarom vraagt gij mij dat allemaal? Gij hebt toch niets op het meisje aan te merken?”

„Ik vrees integendeel dat ik heel wat op haar zal moeten aanmerken, waarde Pennock. Zouden wij die firma dan niet. telefonisch kunnen bereiken?”

„Welzeker, niets is gemakkelijker.”

„Maar zonder dat men het hier in de bank bemerkt?” hernam Raffles.

„Ook dat kan zeer goed geschieden. Zie maar daarginds, het telefoontoestel. Ik kan zelf intercommunaal opschellen, zonder dat iemand zich ermede hoeft te bemoeien.”

„Wees dan zoo goed, de firma te Leeds even op te bellen, en haar te vragen hoe Sonja Paviac er uitzag. Ik zou het gaarne in bijzonderheden weten,”

„Als gij er op staat, Mylord, dan zal ik het doen, maar ik kan mij volstrekt niet voorstellen, waarop dit alles moet uitloopen,” kwam Pennock verwonderd,

Hij trad op het telefoontoestel toe, zocht even in den reusachtigen gids, verzette een paar contactknoppen, en werd een oogenblik later in verbinding gesteld met het gevraagde nummer te Leeds.

Terwijl hij sprak, zag Raffles, dat zijn gelaat een zeer verbaasde en eenigszins verschrikte uitdrukking aannam.

Eindelijk legde hij den hoorn weder neer, kwam langzaam op Raffles toe, en zeide op zachten toon:

„Daar begrijp ik niets van, Mylord. Preston deelt mij zelf mede, dat hij inderdaad een steno-typiste zeven jaar in dienst heeft gehad, die Sonja Paviac heette. Maar die was klein van stuk, rossig en zoo leelijk als de nacht.”

„Ik begrijp het daarentegen zeer goed, mijn waarde Pennock,” kwam Raffles met een flauwen glimlach. „Uw particuliere typiste heeft met de echte Sonja eenvoudig van papieren geruild, getuigschriften incluis.… of die papieren zijn haar ontroofd!” [16]