[Inhoud]

HOOFDSTUK V.

Op onderzoek uit.

Pennock keek Raffles geruimen tijd zwijgend aan, terwijl hij zenuwachtig met zijn zilveren sigaretten-pijpje speelde en zeide toen met een verschrikten klank in zijn stem:

„Dat is mij volkomen onbegrijpelijk, Mylord. Waarom deed zij dat?”

„Natuurlijk om aanstonds bij U te kunnen worden geplaatst!”

„Maar ik zeg U dat zij zeer bekwaam is. Zij verricht haar werk op uitstekende wijze!”

„Dat neem ik aanstonds aan, mijn waarde Pennock. Maar zeg mij eens op den man af, zoudt gij haar hebben genomen als zij zonder papieren en zonder getuigschriften bij U was gekomen?”

De bankier krabde zich achter het oor met het gebaar dat hem eigen was en antwoordde toen na eenige aarzeling:

„Als gij de waarheid wilt weten, Mylord, ik geloof niet dat ik dat gedaan zou hebben. Van een particuliere typiste wordt heel wat gevergd en men neemt daarvoor niet de eerste de beste.”

„Dat wist ik wel,” hernam Raffles glimlachend. „Die vrouw heeft het zekere voor het onzekere willen nemen, en zich bijtijds voorzien van papieren, die haar de poorten van deze bank zouden openen.”

„Maar wat kan zij dan in den zin hebben?” riep Pennock verschrikt uit. „Een bankberooving?”

„Misschien is het nog wel iets ernstigers, vriend Pennock!” antwoordde Raffles op ernstigen toon. „Ik weet nog niet zeker, maar ik koester zware verdenkingen. Zeg mij eens, is het U bekend, op welke wijze Sonja Paviac, zooals wij haar voor het gemak maar zullen blijven noemen, omdat wij haar waren naam niet kennen, haar avonden doorbrengt?”

„Ik meen dat zij mij eens gezegd heeft, dat zij hier en daar boeken bijhoudt en les geeft in de Russische taal.”

„Zoo? Dan bevindt waarschijnlijk de onderdirecteur van de Engelsche Bank Philip Chesterfield, zich onder haar leerlingen, en dan geeft zij hem les in een danslokaal twee uren hier vandaan, onder het genot van een glas champagne.”

„Wat zegt gij daar! Heeft zij dat werkelijk gedaan? Hebt gij haar in het gezelschap van Chesterfield gezien, in zoo’n gelegenheid?”

„Niet ik, één van mijn intiemste vrienden,” antwoordde Raffles kalm. „Ik frequenteer dergelijke inrichtingen niet.”

„Neem mij niet kwalijk, Mylord, dat had ik aanstonds moeten begrijpen,” hernam Pennock haastig.

„Mijn vriend zag haar bij diezelfde gelegenheid tevens in gezelschap van een Rus met een tamelijk gemeen uiterlijk, met wien zij haastig eenige woorden wisselde, welke hij tot zijn spijt niet kon verstaan, tenminste niet geheel en al, maar waarbij de woorden „bank” en „op tijd gereed zijn” herhaaldelijk gebruikt werden.”

Pennock was doodsbleek opgesprongen.

Een vreeselijke gedachte was hem door het hoofd gegaan.

Hij herinnerde zich eensklaps de moorddadige aanslagen op de New-Yorksche beurs en op de beurs te Genua.

Zou het mogelijk zijn, dat anarchisten een soortgelijken aanslag beraamd hadden tegen zijn eigen bank, misschien wel tegen de beurs of de Bank van Engeland?

Hij deed driftig een paar stappen heen en weer door het kleine vertrek, stond toen voor Raffles stil en zeide op heeschen toon:

„Wij moeten onmiddellijk de politie waarschuwen, [17]Mylord. Sonja Paviac, of hoe zij dan ook heeten mag, moet dadelijk achter slot en grendel worden gezet.”

„Als gij een raad van mij wilt aannemen, waarde Pennock, dan zou ik U in overweging willen geven, niet overijld te handelen,” hernam Raffles bedaard.

„Maar moet ik dan werkeloos toezien, Mylord, dat men een aanslag voorbereid op mijn bank?”

„Natuurlijk niet. Trouwens, ik geloof niet dat het in de eerste plaats op Uw bank voorzien is. Die vrouw heeft U slechts uitgekozen, omdat Uw kantoor in de onmiddellijke nabijheid van Cornhill gelegen is, van de beurs en van de Engelsche bank. Laten wie echter de vrouw arresteeren, op de weinige bewijzen, welke wij thans nog bezitten, dan komen wij niet veel verder. Wees er maar verzekerd van, dat zij zal zwijgen als een pot, en zich liever in stukken zal laten hakken, dan haar medeplichtigen te verraden. Vrouwen vooral zijn in dat opzicht menigmaal bewonderingswaardig van standvastigheid. Ik denk er echter niet aan, U aan te raden, werkeloos te blijven toezien, met de armen over elkaar geslagen. Integendeel, ik zou U willen voorstellen, die Russin van zeer nabij te laten nagaan, niet echter door de officiëele politie, die in dergelijke zaken meestal niet met voldoende tact en voorzichtigheid weet op te treden, maar door een particulieren, of liever gezegd door een amateur-detective.”

„Maar hoe vind ik er een, Mylord, die in staat is dit moeilijke werk te verrichten?” riep Pennock eenigszins ongeduldig uit.

„Gij hoeft slechts weinig moeite te doen, de man is al gevonden: Hij zit voor U.”

„Gij, Mylord?” riep Pennock verwonderd uit.

Toen gaf hij zichzelf een harden klap voor het voorhoofd en vervolgde:

„Dat is waar ook. Hoe kon ik zoo dom zijn het te vergeten, Scotland-Yard heeft meermalen met het grootste succes van Uw hulp gebruik gemaakt, en men noemt U daarginds in Downing-Street nooit anders dan „Sherlock Holmes de tweede”, maar dan een verbeterde uitgave.”

„De heeren doen mij wel een beetje te veel eer aan,” zeide Raffles glimlachend.

„Neen; Mylord, integendeel, ik ben zeker dat zij U nog onderschatten. Gij wilt dus persoonlijk deze zaak verder onderzoeken?”

„Dat wilde ik U juist voorstellen. Ik meen, dat Sonja hedenavond een samenkomst heeft met haar medeplichtigen, en daaromtrent wil ik zekerheid hebben. Wordt er inderdaad beraamd, waarvoor wij beiden vreezen, dan moeten wij niet alleen haar, maar ook haar bondgenooten kunnen grijpen, anders zal het zijn alsof wij slechts één kop afsloegen van een draak, die er honderd heeft. Gij hebt natuurlijk het adres van de Russin?”

„Ik zal het U aanstonds geven.”

„Dan heb ik U verder niets meer te vragen en kan ik aan het werk gaan.”

„Gij wilt haar zeker nagaan?”

„Dat wil ik.”

„Maar weet gij wel, Mylord, dat gij U aan groot gevaar gaat blootstellen?”

„Zonder valsche bescheidenheid, dat weet ik, waarde Pennock. Lieden, die de Engelsche bank in de lucht willen laten vliegen, waarbij honderden, misschien duizenden om het leven kunnen komen, bekommeren zich natuurlijk niet om het leven van een enkel man, die hun plannen wil dwarsboomen.”

„Maar gelooft gij nu werkelijk, Mylord, dat dit het plan is van die schurken?”

„Ik hoop van harte, dat ik mij schromelijk vergis, maar het is beter, op het ergste te rekenen. Er kan geen oogenblik aan getwijfeld worden, of de aanslagen te New-York en Genua waren eveneens het werk van Russische nihilisten. Maar zelfs al was de aanslag alleen beraamd op Uw eigen bank, dan nog vindt gij het zeker wel de moeite waard, hier een stokje voor te steken.”

„Dat spreekt vanzelf, Mylord, en ik ben U hartelijk dankbaar voor Uw tusschenkomst. Ik kan er zeker op rekenen, dat gij mij zoo spoedig mogelijk op de hoogte stelt van den uitslag Uwer nasporingen?”

„Ik zal morgen aanstonds iemand met bericht zenden.”

„Ik dank U, Mylord. Maar ik zeg het hartgrondig: God geve dat gij U vergist hebt, dat Uw zegsman U verkeerd heeft ingelicht, of zich door vrees heeft laten verblinden.”

De beide heeren waren opgestaan, en verlieten nu het kleine kabinet.

In zijn eigen werkkamer aangekomen, nam Pennock een klein register uit een lade van zijn schrijftafel, zocht er even in en schreef toen het adres [18]van Sonja Paviac op een stukje papier over, hetwelk hij Raffles toereikte.

Deze wierp er even een blik op, vouwde het op en stak het bij zich.

Hij reikte den bankier de hand en zeide op zacht-gefluisterden toon:

„Tot morgen dus.”

Raffles bracht zijn mond, aan het oor van den bankier en vervolgde:

„Ik behoef U zeker niet op het hart te drukken, dat gij door geen woord, geen stembuiging, geen blik moogt verraden, dat gij Sonja Paviac verdenkt. Een enkel woord, een weinig scherp uitgesproken, zou misschien voldoende zijn, om die schoone duivelin achterdochtig te maken en daardoor zouden wij wel eens niet achter hun plannen kunnen komen, hetgeen toch volstrekt noodzakelijk is om ze te kunnen verijdelen en de heele bende te vangen.”

„Ik beloof U, dat ik mijzelf zal weten te beheerschen, Mylord. Zij zal niets aan mij zien,” antwoordde Pennock fluisterend.

Nog een handdruk en de beide heeren namen afscheid van elkander.

Raffles ging door het voorvertrek en het kantoorlokaal, daalde de trap af, en bereikte zoo de voorste vestibule.

Toen hij toevallig een blik wierp door de groote glazen deuren, die toegang gaven tot de loketzaal, was het alsof hij een schok kreeg—op ongeveer tien meters afstand stond de man met het duistere gelaat, dien hij den vorigen avond in het danspaleis had gezien, voor een der loketten te wachten, waarboven het woord „Cheques” in koperen letters geschreven stond.

De man keek langzaam om zich heen als iemand die zich de plek waar hij zich bevindt goed in het geheugen wil prenten.

Hij had juist zijn cheque afgegeven, kreeg een reçu met een volgnummer en nam, zonder zich te overhaasten, op een van de rustbanken plaats, teneinde zijn beurt aftewachten.

En onophoudelijk gingen zijn donkere oogen onder de ruige wenkbrauwen door de groote zaal.

„Men zou mij kunnen verwijten,” bromde Raffles in zich zelf, „dat ik een weinig al te zwartgallig ben en mijn gevolgtrekkingen wel wat al te voorbarig maak, afgaande op een kort gesprek tusschen twee Russen. Nu, als ik al te fantastisch mocht zijn geweest, dan mag men mij vrijelijk bespotten. Voor het oogenblik echter blijf ik het er voor houden, dat de geheimzinnige Russen, waarvan er zich althans een valschelijk voor een ander uitgeeft, weinig goeds in den zin hebben.”

Hij wilde zich reeds weder verwijderen, toen hem iets scheen in te vallen.

Hij opende de breede glazen deur, trad de loketzaal binnen, hield zich zoo veel mogelijk op den achtergrond en wist het zoo te schikken, dat hij juist naast den man met het donkere uiterlijk kwam te staan, toen deze het geld op zijn cheque, slechts weinige ponden sterling, in ontvangst nam.

De Rus droeg een lange bouffante, waarvan een slip terzijde afhing.

Raffles had een nagelschaartje uit zijn zak gehaald en knipte met een vlugge beweging een stukje van dezen omslagdoek af, dat hij snel in zijn zak liet glijden.

„Dat kan wel eens te pas komen,” zeide hij binnensmonds, terwijl hij zich rustig weder verwijderde.

Voor het groote bankgebouw wachtte de blauwe limousine.

Raffles wilde reeds instappen, toen hij weder een nieuwen inval kreeg:

„Wat belet mij, om dien Rus eens nategaan en te zien waar hij blijft?” mompelde hij voor zich heen. „Het is alweer zooveel gewonnen, als wij weten, waar de kerel ergens verblijf houdt. Als die dwaas van een Charly zijn hoofd niet op hol had laten brengen, door die mooie Russin, dan had hij mij nu van groot nut kunnen zijn. Thans zal ik wel genoodzaakt zijn, de zaak geheel alleen tot een goed einde te brengen, tenminste, wanneer hij nog blijft weigeren, wanneer ik hem zal hebben verteld, dat Sonja Paviac op zijn best genomen een bedriegster is.”

Raffles zond Henderson met de auto naar huis en bleef nu geduldig wachten, tot de Rus uit het bankgebouw zou terug keeren.

In gepeins verzonken, zat hij op een der rustbanken in de vestibule.

„Wat zou de reden zijn, dat die vrouw de vriendschap heeft gezocht van Chesterfield?” vroeg hij zich zelf af. „Dat zij zijn minnares is zonder meer, kan ik niet aannemen. Een vrouw zoo sluw als zij, beoogt met alles een doel. Ik vermoed, dat zij den [19]onderdirecteur van de Engelsche bank wil uithooren, betreffende de inrichting van het reusachtige bankgebouw en allerlei bijzonderheden aangaande den dienst, die haar en haar medeplichtigen van nut kunnen zijn. Ook is het denkbaar, dat zij zich op het juiste oogenblik van Chesterfield willen meester maken, om hem de sleutels te ontnemen. Nog altijd hoop ik, dat het hier een gewone bankdiefstal betreft, maar ik vrees iets ergers.”

Op dit oogenblik gingen de breede glazen deuren open, en de Rus trad naar buiten zonder op Raffles te letten.

Deze stond onmiddellijk op en volgde den man met het duistere gezicht op eenigen afstand.

Het duurde niet lang, of de Rus nam een autobus, die hij een half uur later weer verliet, om vervolgens van lijn te veranderen en nogmaals een half uur later dit tweede voertuig te verlaten op een plek, nauwelijks een kwartier gaans verwijderd van het danspaleis, waar hij den avond te voren het korte gesprek had gevoerd met Sonja Paviac.

Het werd nu wel wat lastig voor Raffles om onopgemerkt te blijven, want zijn goed gesneden kleeren, door een der eerste kleermakers gemaakt, moesten opvallen in deze volksbuurt.

Toch slaagde hij er in, den Rus onopgemerkt te volgen, tot aan een der groote huurkazernes in de Willow-Walk.

Aanstonds maakte Raffles rechtsomkeert, want hij zag zeer goed in, dat het geen doel had in deze kleederen het huis te betreden en onderzoek te doen naar den Rus die zooeven was binnen gegaan.

Natuurlijk zou dit in een ommezien bekend zijn en het moest tot iederen prijs vermeden worden, dat de Rus achterdocht kreeg.

Het was reeds tamelijk laat en ver over het lunchuur, toen Raffles eindelijk weder het fraaie huis in de Regent-Street betrad.

Hij vond Charly in de bibliotheekzaal.

De jonge man zat met het hoofd tusschen de handen over een groot boek gebogen.

Toen hij het gelaat ophief, zag Raffles dat het bleek was en dat zijn oogen een doffen glans hadden.

Een groot medelijden greep hem aan bij het zien van de verwoestingen, welke een felle hartstocht had aangericht in het gemoed van den eertijds zoo vroolijken, opgewekten Charly.

Raffles trad langzaam op den jongen man toe die hem toonloos goedenmiddag had gewenscht, legde hem de hand op den schouder, keek hem een oogenblik doordringend aan, en ging toen tegenover hem zitten.

„Luister eens, Charly,” begon hij op een toon van warme vriendschap, „dit kan niet lang zoo voort duren. Al zou ik je pijn moeten doen, ik moet die passie uit je hart rukken, voordat zij al te groote verwoestingen heeft aangericht. Die vrouw is een bedriegster!”

Charly streek eenige malen met zijn hand over zijn blonde haren, keek Raffles met afwezigen blik aan en zeide:

„Dat geloof ik niet.”

Raffles stond langzaam op en zijn wenkbrauwen waren gefronst, zijn oogen hadden weder denzelfden staalglans gekregen, toen hij op harden toon zeide:

„Dat geloof je niet? Je ziet mij voor een leugenaar aan? Ik zeg je, dat die vrouw zich voor een ander heeft uitgegeven, dat zij niet Sonja Paviac heet, dat zij zich heeft meester gemaakt van de papieren van een andere Russin, om zich bij Pennock intedringen!”

Met een ruk was Charly overeind.

Zijn gelaat had een smartelijke uitdrukking gekregen.

„Edward, wat pijnig je mij!”

„Dat moet ik,” hernam Raffles met vaste stem. „Je zoudt toch geen vrouw kunnen liefhebben, die een verworpene blijkt te zijn?”

„Wat ben ik zelf dan anders?” riep Charly op woesten toon. „Heb ik soms het recht te eischen dat de vrouw die ik liefheb het hoofd vrij kan opheffen?”

Raffles deinsde achteruit alsof hij een slag in het gelaat had gekregen.

Hij was vaalbleek geworden en zijn neusvleugels trilden, terwijl zijn adem stootend uit zijn mond kwam.

Hij scheen iets te willen zeggen, maar bracht alleen een rochelend geluid voort.

Toen zakte zijn hoofd op zijn borst, hij wendde zich af en schreed langzaam naar de deur.

Maar nog had hij deze niet bereikt, of Charly vloog naar hem toe, greep met bevende handen zijn arm en schreeuwde met een stem, die trilde van ontroering: [20]

„Edward, vergeef het mij. Ik weet niet wat ik zeg. Ik ben een ellendeling. Mijn hersens gloeien.…”

„Verontschuldig je niet, Charly,” zeide Raffles op doffen toon. „Je had gelijk. Ik heb je gemaakt wat je bent, ik zal niets meer over deze zaak zeggen. Alleen nog dit, wij stelen voor een doel, dat je bekend is, wij stelen niet voor ons zelven.… maar wat die vrouw en haar medeplichtigen willen, dat is nuttelooze vernieling, dat is moord op groote schaal. Zegt je dat dan niets? Keur je dat goed? Is het mogelijk dat een man van jouw inborst een vrouw liefhebt, die het met tijgerachtigen wellust kan aanzien, dat honderden ongelukkige, onschuldige slachtoffers uiteen worden gereten, om een waandenkbeeld, om een krankzinnige utopie?”

Charly had Raffles losgelaten en stond nu een oogenblik met gebogen hoofd en krampachtig gevouwen handen voor zich uit te staren.

Toen hief hij met een ruk het hoofd op en begon:

„Luister, Edward! Van het eerste oogenblik dat ik Sonja zag, geraakte ik onder haar betoovering. Ik kan jou dat moeilijk uitleggen, die zelf een schoone vrouw niet hooger schat dan een fraaien rashond en nauwelijks zoo hoog als een renpaard. Ik had haar nauwelijks gezien of ik kreeg haar lief. Jij noemt het hartstocht en dat is het misschien wel. Maar dit zeg ik je: kun je mij bewijzen, dat je goed gezien hebt, is die vrouw werkelijk de duivel in een menschengedaante, waarvoor jij haar aanziet, dan ruk ik dit gevoel uit mijn hart, en ik zweer je dat ik zelfs nooit haar naam meer noemen zal.”

Terwijl hij dit zeide, liepen Charly de tranen langs de wangen en hij deed zelfs geen poging ze te weerhouden.

Raffles, die zijn trouwen vriend nog nimmer in zulk een toestand had gezien, legde zijn arm om zijn hals en zeide met een stem, die beefde van ontroering:

„Later zal je aan dit korte tijdperk in je leven terugdenken met een bittere vreugde, Charly. De bitterheid zal zijn om het ineenstorten van je ideaal, de vreugde echter zal zijn, omdat ik je bijtijds heb losgescheurd van deze schoone Russin, die wel spoedig zal blijken niets anders te zijn dan een sluwe tooneelspeelster zonder hart en bloeddorstiger dan Nero was, dan Agrippina, dan Messalina zelfs!”

Geruimen tijd bleven de beide vrienden zwijgen.

Toen vatte Charly de hand van Raffles, drukte ze, alsof hij haar wilde verbrijzelen en wendde zich toen weder af om weer aan de tafel plaats te nemen. Hij ging weer zitten, trok zijn boek naar zich toe en zeide met zachte stem:

„Laat mij nu aan mijn lot over en spreek niet meer over haar. Zeg het mij pas, als.… je vermoedens bewaarheid worden. Ik kan het nu nog niet dragen.” [21]