Reeds om zeven uur in den avond, na vroeg te hebben gedineerd, bevond Raffles zich, door Henderson, den reusachtigen chauffeur vergezeld, voor het huis waar Sonja Paviac kamers bewoonde.
Hij had zich goed vermomd, en ook Henderson was zoo goed mogelijk onkenbaar gemaakt, ofschoon het een zeer moeilijke taak was, zijn geweldige schouders en zijn breede borst te verbergen.
Raffles had hem een jockeypet met een breede klep laten opzetten, hem een halsdoek laten omdoen en een afgedragen colbertcostuum laten aantrekken.
Zijn gelaat, dat van natuur een blozende kleur vertoonde, was bedekt met een soort kleurmiddel, dat hem een vaal, ziekelijk voorkomen gaf.
Om de waarheid te zeggen zag de reus er, met zijn pet diep in de oogen getrokken, zijn kraag opgezet, zijn rooden halsdoek en zijn stompje sigaret tusschen de tanden, alles behalve vertrouwen inboezemend uit.
Wie hem in een weinig bezochte buurt des avonds tegen kwam, zou denkelijk maar het liefst een grooten omweg hebben gemaakt, teneinde hem te ontloopen.
Het costuum van Raffles verschilde weinig van dat van Henderson, maar zijn gelaat was volkomen onherkenbaar, het was het gezicht van een dronkaard, een zakkenroller, alles wat men wil, maar zeker niet dat van den vice-president van de Windsor-Club, waarvan alleen zeer rijke en adellijke heeren deel uitmaakten.
De beide mannen waren elkaar schijnbaar op straat tegengekomen en stonden nu met elkander te praten, op eenigen afstand van het huis, hetwelk zij goed in het oog hielden.
Vijftig passen verder bevond zich een groote auto-verhuurinrichting en daar hadden de beide mannen den wagen gestald, die hen hier had gebracht.
Het was een zeer snelle auto, waarvan zij konden verwachten, dat zij elken anderen wagen gemakkelijk zou kunnen bijhouden en als het moest inhalen.
Daar het wachten wat lang begon te vallen, besloot Raffles, een klein wijnhuis op te zoeken, dat zich schuin tegenover de huurkazerne bevond, waar Sonja woonde, maar nauwelijks waren de beide mannen daar binnen getreden, of Raffles trok Henderson haastig weder met zich mede naar buiten en fluisterde hem toe:
„Daar komt zij juist aan! Vlug wat.”
Inderdaad Sonja Paviac stond voor de deur van het huis en rookte bedaard een sigaret, terwijl zij blijkbaar uitzag naar een huurauto.
„Zij zoekt een auto!” hernam Raffles fluisterend. „Wij hebben juist een wagen bij ons, die veel op een taxi lijkt ofschoon de motor tienmaal sterker is. Ga dien wagen spoedig halen en rijdt langzaam langs haar heen, misschien neemt zij je wel. Dat bespaart ons dan de moeite misschien door heel Londen een anderen wagen te moeten volgen.”
„En gij, Mylord?”
„Ik rijd natuurlijk mede op de achterveeren.”
De beide mannen staken snel de straat over en Henderson ging de auto uit de garage halen, terwijl Raffles de Russin in het oog hield uit vrees, dat zij wellicht in dien tijd een andere huurauto zou vinden.
Maar Henderson was er vlug bij geweest. Hij had den kraag van zijn jas behoorlijk neergeslagen, zijn halsdoek in zijn zak gestoken, zijn pet wat terug geschoven, en kon na wel doorgaan voor een van de snorders, die er een eigen auto op nahouden, waarmede zij hun kostje ophalen. [22]
Niet zoodra had Sonja de langzaam rijdende auto in het oog gekregen, of zij wenkte den gewaanden chauffeur van den huurwagen.
Henderson remde, en de wagen stond vlak voor de Russin stil.
Sonja nam den chauffeur even op en vroeg toen:
„Kun je mij naar Wellington Row brengen, chauffeur?”
Henderson deed of hij even aarzelde, daar hij maar al te goed wist, dat de tegenwoordige huurchauffeurs zich liever niet al te zeer vermoeien en lange afstanden slechts voor zeer hooge fooien afleggen, waarop Sonja haastig vervolgde:
„Ik zal je wel een goede fooi geven.”
„Nu, dan zullen wij eens zien, hoe ver wij komen, dame,” zei Henderson met een grijnslach. „Stapt U dan maar in. Welk nummer?”
De Russin scheen iets te willen antwoorden, misschien het nummer te willen noemen, maar zij bedacht zich, en zeide:
„Rijdt maar naar het begin van Wellington Row, daar stap ik wel uit.”
„Zooals U wilt, dame.”
Sonja opende het portier en stapte in.
Op hetzelfde oogenblik, dat de auto zich in beweging stelde, wierp Raffles zich met een snellen sprong achter op de veeren.
Het was een tamelijk vermoeiende lichaamsbeweging, die rit van bijna een uur.
Maar eindelijk stond de auto toch stil aan het begin van Wellington Row, een tamelijk breede straat in de wijk van Betnal Green gelegen, eveneens een echte volksbuurt, maar waar men toch ook verscheidene fraaie straten vindt, door den middenstand bewoond.
Raffles was aanstonds van de auto gesprongen en stond nu schijnbaar het menu te lezen, hetwelk was opgehangen achter de spiegelruit van een volksrestaurant. Inderdaad echter hield hij in het spiegelend oppervlak de Russin in het oog.
Hij zag hoe zij Henderson betaalde, die nogal tevreden scheen te zijn over zijn fooi, en daarop met snelle schreden de straat inging.
Een oogenblik stond Raffles besluiteloos.
Van een garage viel niets te bespeuren en hij kon toch de auto onmogelijk onbeheerd laten staan.
Maar spoedig was zijn besluit genomen.
Hij was met een paar stappen bij Henderson en voegde hem fluisterend toe:
„Ik moet die vrouw nagaan, Henderson! Je weet wat het doel is. Ik vermoed, of liever ik weet bijna zeker, dat die vrouw deel uitmaakt van een zeer gevaarlijke bende nihilisten.”
„Maar laat mij toch met U meegaan, Mylord,” zei Henderson. „Gij zult groot gevaar loopen, want ik heb mij wel eens laten zeggen, dat die menschen voor niets terugdeinzen. De buurt is hier ook allesbehalve veilig!”
Maar Raffles schudde het hoofd en hernam:
„Ik zal wel oppassen, Henderson. Men zal mij alleen minder gemakkelijk opmerken, dan wanneer wij met ons beiden zijn. Wij kunnen de auto niet onbewaakt laten. Wacht dus op mij, totdat ik terug zal zijn gekeerd!”
„Neem mij niet kwalijk, dat ik aandring, Mylord, maar die schurken zullen U toch niet binnen laten komen.”
„Dat acht ik ook ondenkbaar, Henderson,” antwoordde Raffles glimlachend. „Natuurlijk zal ik hen daartoe ook geen verlof vragen. Het moet met list geschieden, anders konden wij de onderneming wel dadelijk laten varen.”
Hij knikte Henderson nog eens toe, maar deze trad haastig op hem toe en vroeg:
„Hoe lang kunt gij hoogstens wegblijven, Mylord?”
„Dat zal van de omstandigheden afhangen, Henderson, maar ik denk toch zeker niet langer dan een uur. En laat mij nu gaan, anders verlies ik haar nog uit het oog.”
Raffles knikte den trouwen metgezel nog eens vriendelijk toe en het volgende oogenblik was hij op zijn beurt Wellington Row ingegaan.
De Russin liep ongeveer vijftig passen voor hem uit.
Zij liep tamelijk snel, maar Raffles had toch geen moeite om haar bij te houden.
Op den hoek van Barnet Grove stond zij even stil, wierp een snellen blik om zich heen en sloeg toen de laatstgenoemde straat in.
De huizen waren hier zeer oud en vervallen, en sommige dateerden uit het begin van de zestiende eeuw.
De verlichting liet hier vrij veel te wenschen over en Raffles moest tamelijk dicht bijkomen om het wild niet uit het oog te verliezen.
Eindelijk stond Sonja Paviac stil voor een hoog [23]smal huis, hetwelk zoover voorover helde, dat men ieder oogenblik moest vreezen, het te zien instorten.
Weer keek zij even om zich heen en daarop verdween zij snel in een duistere koetspoort.
Nog juist bijtijds had Raffles zich in een portiek verborgen op het oogenblik dat de vrouw omkeek.
Hij begaf zich nu op zijn beurt onder de koetspoort en ging af op het geluid van de wegstervende schreden.
Achter in den gewelfden doorgang, die toegang gaf tot een binnenplein, waarop ondanks het late uur nog een aantal kinderen schreeuwden en speelden, bevond zich een deur, die aanstond.
Raffles duwde haar wat verder open en luisterde.
Duidelijk hoorde hij de schreden van de vrouw op de krakende treden.
Raffles overtuigde zich, dat zijn revolver op de goede plaats zat, en daarop begon hij zonder aarzelen de smalle trap te beklimmen.
En het was merkwaardig, hoe de treden, die gekraakt hadden onder de lichte voetstappen der schoone vrouw, thans hoegenaamd geen geluid gaven.
Een muis zou zeker meer leven hebben gemaakt, dan de Gentleman-Inbreker.
In het oude, donkere huis schenen alle bewoners wel ter ruste te zijn, want het was er zeer stil en slechts nu en dan hoorde Raffles eenig teeken van leven, het dichtslaan van een deur, kindergeschreeuw, een kijvende vrouwenstem.
Maar wat hij ook steeds bleef hooren, dat was het kraken van de oude traptreden onder de voeten van Sonja Paviac.…
Steeds hooger steeg zij, en Raffles had reeds vier portalen geteld.
Maar eensklaps hield het geluid op.
Juist toen hij niets meer hoorde stond Raffles aan het begin van een smalle trap, een wenteltrap, die klaarblijkelijk naar de zolderverdieping voerde.
Hij luisterde aandachtig.
Boven werd op een deur geklopt, daarna was het even stil, toen sprak een vrouwenstem eenige woorden in het Russisch op gedempten toon.
Er piepte een deur, een diepe mannenstem zeide iets op heeschen toon, eveneens in een vreemde taal, toen klonk het piepen van de deur opnieuw, gemengd met het geluid van schreden en ten slotte werd een roestige sleutel in een slot omgedraaid.
Maar in dien tijd was Raffles onhoorbaar naar boven gesloopen, en juist toen de deur achter Sonja Paviac gestoten werd, hief Raffles het hoofd boven den vloer van het portaal op.
Aanvankelijk zag hij niets dan een rossige lichtstreep, ongeveer twee meter van hem verwijderd; dat was hoogstwaarschijnlijk het licht in de kamer, waar de Russin zooeven was binnengetreden, dat onder de deurreet doorscheen.
Voorzichtig hief Raffles zich op, beklom de laatste treden en stond op het duistere portaal.
Toen zijn oogen wat beter aan de duisternis gewend waren, ontwaarde hij, dat hij zich op een soort zolder bevond, welke een modern en practisch huisheer betimmerd had met eenige kleine vertrekjes.
Raffles zag vier deuren naast elkaar, maar slechts onder een daarvan scheen licht naar buiten.
Raffles stak het portaal over bukte zich, en bracht zijn oog voor het sleutelgat van de deur, waardoor Sonja Paviac was binnengegaan.
Hij kon echter volstrekt niets zien, blijkbaar had men een doek of een ander voorwerp voor het sleutelgat gehangen.
Teleurgesteld richtte Raffles zich weer op.
Maar plotseling scheen hem iets in te vallen.
Hij ging naar de volgende deur, op de teenen loopend, en draaide aan de kruk.
Tot zijn blijdschap gaf de deur aanstonds mede.
Hij trad een schaarsch gemeubeld vertrek binnen, dat zijn licht ontving door een klein zijraam, waardoor op dit oogenblik de maan naar binnen scheen.
Dadelijk sloot Raffles de deur weder, hetgeen hij echter niet met een sleutel kon doen, daar deze ontbrak, en ontstak zijn electrische zaklantaarn.
Hij trad op den wand toe, die de kamer van het aangrenzende vertrek scheidde en betastte deze.
„Hout, zooals ik wel dacht,” mompelde Raffles voor zich heen. „Zoo veel te beter, dat bespaart heel wat werk.”
Hij ging op zijn knieën liggen, haalde een klein, eigenaardig gevormd instrument uit zijn zak, een boor van zijn eigen vinding, zette die tegen den zijwand, dicht bij een der hoeken van het vertrek en omstreeks een voet van den vloer en begon aan den kleinen zwengel van het toestel te draaien, dat wel eenigszins geleek op een eierklutser.
Zonder het minste geruisch te maken, terwijl de kleine houtsplinters in een fijnen regen op den vloer vielen, drong het gereedschap door den dunnen [24]wand en in een paar tellen had Raffles een zuiver rond gat geboord van ongeveer een duim in doorsnede.
Hij trok de boor terug, ging languit op den vloer liggen en bracht zijn oog voor de opening.
Hij kon een groot gedeelte van het aangrenzende vertrek overzien.
In het midden stond een wrakke tafel, waaraan een zestal mannen gezeten waren.
Zelfs een leek op het gebied van volkenkunde zou in deze mannen aanstonds Russen herkend hebben.
Zij hadden allen glanzend zwart haar, in den nek uitgeknipt, een paar hunner hadden lange, verwarde baarden en de snorren van de anderen hingen op Russische wijze omlaag.
Slechts een hunner was baardeloos, maar zijn scheefstaande oogen, uitspringende jukbeenderen, wreede kaken en platte, breede neus, wezen hem aanstonds aan als een Moskoviet, met veel Mongoolsch bloed in de aderen, waarschijnlijk een bewoner van den Oeral of van de streken van het onmetelijke Russische rijk, die het dichtst aan China grenzen.
Aan het smalle einde van de tafel zat Sonja Paviac.
Zij had haar hoed afgelegd en ook haar mantel uitgedaan.
Haar gelaat was bleek en haar oogen hadden een somberen gloed, terwijl zij keek naar een voorwerp, dat in het midden van de tafel stond.
Het was een kleine, langwerpige withouten kist, ongeveer twee decimeter lang, een decimeter hoog en acht centimeter breed.
De deksel was opengeklapt, maar wegens het lage standpunt, hetwelk Raffles zich Voorzichtigheidshalve gekozen had, kon hij onmogelijk zien, wat zich in de kist bevond.
Wel herkende hij dadelijk een van de mannen, die aan de tafel aanzat, het was dezelfde, dien hij des avonds in het danspaleis in Grange Road gezien had en vervolgens nog eens in de loketzaal van de bank der heeren Rosenthal en Pennock.
Op dit oogenblik begon Sonja te spreken.
Haar stem had een eenigszins schellen klank, toen zij begon:
„Dat is dus het stukje speelgoed met behulp waarvan wij de Engelsche bank in de lucht kunnen laten vliegen, Paul Miljakoff, mijn hulde! Maar kun je mij nu ook verzekeren, dat de uitwerking inderdaad zoo vreeselijk zal zijn, als je er van verwacht?”
De aangesprokene, het was juist de man dien Raffles reeds kende, knikte eenige malen veel beteekenend en antwoordde toen:
„Het is een vinding van onzen wederzijdschen vriend Pavloff, Sonja! Ik ben er bij geweest, terwijl hij proeven nam met een zeer kleine hoeveelheid van dit mengsel, niet het honderdste gedeelte van wat zich in deze kleine kist bevind, nauwelijks zooveel als er op de punt van een zakmes kan liggen. Het zag er uit als gemalen koffie. Pavloff verbond deze kleine korrels met een soort stopverf tot een vast deeg, hetzelfde deeg, dat gij in deze kist ziet en bracht het door middel van een slaghoedje op verren afstand tot ontploffing. Welnu, met dat snuifje gemalen koffie slaagde hij erin een zwaar blok graniet, dat zeker een ton woog, letterlijk tot stof uiteen te doen slaan. Geloof mij, zooiets vreeselijks bestaat er niet meer op aarde en wanneer Pavloff zijn titaniet, zooals hij liet noemt, aan een vreemde mogendheid zou willen verkoopen, dan zou hij er millioenen voor krijgen. Maar Pavloff is een goede broeder, hij weet, dat wij allereerst tegen de vervloekte kapitalisten moeten strijden en daarom heeft hij zijn ontploffingsmiddel in onzen dienst gesteld.”
„En kan dit vreeselijke goed niet anders ontploffen dan door middel van een slaghoedje?” vroeg Sonja, die even gehuiverd had.
„Toch wel!” antwoordde Miljakoff met een wrangen glimlach. „Als gij bijvoorbeeld deze kist eenvoudig uit het raam laat vallen, dan is er een paar seconden later geen spoor meer van ons zevenen terug te vinden, maar waarschijnlijk evenmin van heel Betnal Green!”
„En voor wanneer zal het zijn?”
„Alles is gereed aan onzen kant, het kan morgen geschieden!” [25]