Een oogenblik bleef het stil in het vertrek.
Toen hernam Miljakoff, terwijl hij den kring van zwijgende mannen in het rond zag:
„Wij hebben een maand lang allen hard gewerkt! Onze Sonja heeft van haar positie bij de bank van Rosenthal en Pennock handig gebruik weten te maken om zich op de hoogte te stellen van de reglementen en de voorschriften die daar gelden en ook aan de Engelsche bank en op de beurs. Zij heeft kennis aangeknoopt met Chesterfield, den onderdirecteur van de bank en langzamerhand heeft hij haar alles meegedeeld, wat voor ons van nut kan zijn. Wij weten nu wat de minst drukke uren zijn, waarop de aanslag het meeste kans van slagen heeft, wij weten hoe de safe is ingericht, wij kennen de geheele inrichting van de bank. Chesterfield is een galant man, hij heeft haar aan onze vriendin getoond. Morgen dus gaan twee van de anderen, die in hun uiterlijk nog het meest gelijken op twee van die vervloekte rijke bourgeois, naar de bank en geven daar voor dat zij geld in deposito komen brengen. Zij zullen natuurlijk zelf de safe willen zien, waarin hun geld bewaard wordt.
„Een hunner neemt deze kist, die niet al te zwaar is, in een sterke, lederen citybag met zich mede, na het uurwerk geregeld te hebben in de auto, onze twee vrienden hebben mijn instructies reeds. Hij die de tasch draagt met haar verrassenden inhoud zal haar achterlaten, zoogenaamd bij vergissing. Het doet er niet toe of men haar al of niet dadelijk ontdekt, want zij zal toch goed op slot zijn. Het beste is natuurlijk, als zij goed verborgen wordt achtergelaten, bijvoorbeeld in het loket van de safe, dat zij zullen huren.”
„En wanneer heeft dan de ontploffing plaats?” vroeg Sonja, met een wilden gloed in haar oogen.
„Een half uur nadat zij het gebouw weder zullen hebben verlaten,” antwoordde Miljakoff.
Sonja verbleekte opnieuw en riep uit:
„Een half uur slechts! Mijn God, als zij dan maar niet te lang blijven.”
„Maak je niet ongerust, mijn duifje,” hernam Miljakoff schouder ophalend, „je minnaar zal wel bijtijds het hazenpad weten te kiezen.”
„Wat is dat?” riep Sonja ontzet uit. „Moet Alex dat werk doen?”
„Wat is er tegen?” hernam Miljakoff koeltjes. „Is hij beter dan een onzer? Moet hij worden vrijgesteld, omdat jij toevallig zijn minnares bent?”
De schoone Russin antwoordde niet maar keek strak naar de kist met haar vreeselijken inhoud.
Zij huiverde.
En toch wist zij van zich zelf, dat zij ieder oogenblik bereid zou zijn om, wanneer het moest, zelf die gevaarlijke taak op zich te nemen.
Ja, zij zou geen oogenblik aarzelen.
Haar stem had een schorren klank, toen zij eindelijk hernam:
„Ik zal er mij niet tegen verzetten, Paul Miljakoff. Je weet dat ik onze zaak met hart en ziel ben toegedaan en dus.… Wat was dat?”
De nihilisten keken elkander vragend aan.
In het aangrenzend vertrek had het geluid geklonken van een vallend voorwerp.
In een oogwenk was Miljakoff opgevlogen en had hij de deur van het portaal open gerukt, met de revolver in de vuist.
Juist op hetzelfde oogenblik verscheen Raffles op den drempel van de deur van het aangrenzende vertrek.
Hij had een zijner beenen gestrekt, stijf geworden door zijn lastige houding en had tegen de tafel gestooten, waarop hij zijn electrische lamp had neergezet, die met een doffen slag op den houten vloer was gevallen.
Dadelijk had hij begrepen, dat hij zijn aanwezigheid [26]wel verraden zou hebben en was dus slechts op een snelle vlucht bedacht.
Maar reeds was de terugtocht hem afgesneden.
„Verraad mannen!” brulde Miljakoff. „Luistervinken!”
In een oogwenk waren de andere Russen op het duistere portaal.
Reeds kon Raffles de trap niet meer bereiken, want Miljakoff had hem vastgegrepen.
Wel rukte hij zich los en tastte zijn hand reeds naar de revolver, maar het was te laat.
Vier krachtige mannen wierpen zich op hem en sleurden hem haastig het vertrek binnen.
Raffles was een gespierd man en buitengewoon geoefend in alle takken van sport, maar die overmacht van zes gespierde mannen, waarvan er drie reeds met revolvers gewapend waren, was al te groot.
En Raffles begreep spoedig, dat hij zich slechts vruchteloos zou afmatten, wanneer hij zich trachtte te verzetten.
Hij gaf het dan ook op, toen hij twee der Russen had kunnen neervellen en hem door twee anderen beide armen op den rug werden gewrongen.
Sonja had zwijgend bij den korten strijd toegezien, met den rug tegen de deur leunend en een glans in haar oogen als van een wild dier.
Zoodra Raffles geboeid was met een paar sterke touwen en op een stoel was neergezet, begon Sonja met de handen in de zijde en een uitdrukking van koude wreedheid op het gelaat:
„Welzoo, dat is dus de indringer. Maar, ik herken de man! Dat is die man, dien ik zooeven bij mijn auto zag staan en dien ik nog eens terug zag, toen ik mij op den hoek van deze straat nog eens omdraaide! Doorzoek zijn zakken eens!”
Miljakoff trad op Raffles toe, opende zijn jas, stak zijn hand in den binnenzak en haalde er eenige papieren uit.
Het waren zorgvuldig nagemaakte legitimatiebewijzen van een detective van Scotland-Yard.
Miljakoff liep ze zwijgend en snel door en overhandigde ze toen aan de Russin.
Toen deze ze op haar beurt gelezen had, wierp zij Raffles een doorborenden blik toe, trad vlak voor hem en vroeg:
„Waart gij allang hier naast? Maar wat vraag ik. Gij zijt mij natuurlijk onmiddellijk gevolgd. Gij hebt dus gehoord wat wij hier bespraken?”
„Van A tot Z, schoone dame,” antwoordde Raffles bedaard.
„Toch waar?” kwam de schoone Russin, tergend langzaam, terwijl zij Raffles nogmaals onderzoekend en met een blik vol haat aankeek. „Gij weet zeker wel, dat gij met die weinige woorden Uw eigen doodvonnis teekent?”
„Ik heb er geen oogenblik aan getwijfeld, of gij zoudt niet aarzelen, mij ter dood te brengen, omdat ik U lastig ben,” antwoordde Raffles rustig. „Denk niet dat ik den dood vrees. Ik heb hem te menigwerf onder tal van gedaanten onder het oog moeten zien, dan dat ik hem thans zou vreezen. Bedenk echter wel wat gij doet, men weet op Scotland-Yard dat ik hier ben!”
„Weet men dat werkelijk?” hernam Sonja Paviac op spottenden toon. „Neem mij niet kwalijk als ik het betwijfel. Maar hoe het ook zij, gij zult reeds lang niet meer tot de levende behooren, in geval de politie hier een inval mocht komen doen.”
Miljakoff, die Raffles met een duisteren blik had aangestaard, sprak nu op gedempten toon:
„De politiebeambten zijn onze doodsvijanden. Waar wij hen in handen krijgen, daar maken wij hen onverbiddelijk dood. Wij weten waaraan wij ons zelven blootstellen, wanneer wij gevat worden en daarom kennen wij ook geen medelijden in het tegenovergestelde geval.”
„Verbeuzel niet zooveel tijd, Paul!” riep Sonja uit. „Er is natuurlijk geen sprake van, dat deze man hier levend vandaan mag gaan. Hij zou aanstonds ons plan verraden, het plan waaraan wij maanden lang gewerkt hebben en waarvan de tenuitvoerlegging dit vervloekte land in het hart moet treffen. Ter dood met hem! Weet gij geen goed en afdoend middel, Paul?”
„O ja!” antwoordde deze met een duivelsch lachje. „Hij kan ons als proefkonijn dienen. Ik heb hier een klein instrument in mijn zak, iets dergelijks als deze kist hier op de tafel, maar een kleiner formaat. Het bevat hoogstens een theelepeltje van dit donkerbruine goedje, gij weet wel wat.”
Hij had zijn hand in zijn zak gestoken en haalde er voorzichtig een voorwerp uit, dat er uitzag als een van die ronde blikken doozen, waarin schoensmeer of iets dergelijks verkocht wordt.
Hij deed het voorzichtig open en wendde zich toen weder tot Sonja, terwijl hij vervolgde: [27]
„Zooals gij ziet bevat het een klein, goedkoop horloge-uurwerk. Ik heb het zoo geregeld, dat het een minuut later kan ontploffen, maar ook pas na twee uur. Wat dunkt je van tien minuten?”
„Dat is ruimschoots voldoende om ons in veiligheid te brengen, nietwaar?”
„Ruimschoots! Ik zal het uurwerk opwinden, wanneer wij gereed zijn de kamer te verlaten. Maar wij zullen niet te gelijkertijd vertrekken. Het is beter, dat wij twee aan twee heengaan.”
„Bindt hem dan stevig vast en knevel hem!” beval de Russin.
Reeds trad er een der Russen met een halsdoek op Raffles toe, toen deze zeide:
„Een oogenblik! Ik wilde nog wel even mijn meening te kennen geven over madame Sonja Paviac.”
Hij keek de Russin recht in de zwarte oogen en vervolgde:
„Ik heb in mijn avontuurlijk leven al heel wat tegenstellingen onder de oogen gehad, madame. Maar nooit had ik kunnen gelooven, dat een zoo duivelsche ziel kon wonen in zulk een schoon omhulsel. En daaraan heb ik nog slechts dit eene toe te voegen:
„De beul, die U den strik om den hals legt, doet een goed en menschlievend werk. En nu ben ik tot Uw dienst.”
Sonja had met een giftigen blik in haar donkere oogen toegeluisterd, het hoofd een weinig gebogen en met gebalde vuisten.
Toen tastte zij driftig in haar boezem en haar hand omvatte een kleinen, vlijmscherpen dolk.
Een oogenblik leek het alsof zij zich als een furie op Raffles wilde werpen, die machteloos op zijn stoel was vastgebonden.
Zij wist zich echter te beheerschen, haalde de schouders op en zeide op kouden toon:
„Gij kunt over mij oordeelen zooals gij verkiest, het raakt mij niet.”
Vervolgens wendde zij zich tot Miljakoff en vroeg:
„Heeft de ontploffing ernstige gevolgen, behalve natuurlijk voor dezen spion?”
„De heele bovenverdieping gaat er aan. En ik denk dat wel de aangrenzende huizen ook heel wat te lijden gullen hebben, maar het zijn maar bourgeois,” voegde hij er op minachtenden toon aan toe.
„Aan hen is niets verbeurd!” riep Sonja met fonkelende oogen. „Hoe eerder dat ras is uitgeroeid hoe beter het voor ons en voor de geheele wereld is. En laten wij nu maar spoedig vertrekken en dezen spion aan zijn noodlot overlaten.”
Raffles werd gekneveld, zoodat men zijn schreeuwen niet zou kunnen hooren, en de touwen, waarmede hij op den zwaren stoel, was vastgebonden, werden nog eens duchtig geïnspecteerd.
Twee van de nihilisten hadden de kist met haar vreeselijken inhoud reeds zorgvuldig gesloten en verlieten, na op zachten toon eenige woorden met Miljakoff te hebben gewisseld, de dakkamer.
Nadat zij een paar minuten weg waren, plaatste Sonja zich voor Raffles en kruiste de armen over de borst.
Haar oogen, die zij zoo kwijnend kon laten glanzen, hadden thans een boosaardige uitdrukking en er gloeide een wilde haat in, toen zij tusschen de tanden siste:
„Over een kwartier zult gij in kleine stukjes uiteen spatten, mijnheer de spion. Gij hebt Uw lot verdiend. Zoo moge het alle agenten vergaan, dienaren van de kapitalistische maatschappij.”
Zij spuwde Raffles voor de voeten, die zelfs niet met de oogen geknipt had en ging met een van de andere bandieten heen.
Miljakoff had de helsche machine in de hand genomen en begon voorzichtig het uurwerk op te winden.
Toen verzette hij met de grootste zorgvuldigheid de wijzers en plaatste de blikken bus, nadat hij er een lang, sterk bindtouw aan bevestigd had, zoodanig op het blad van de tafel, dat zij er voor bijna de helft overheen stak en het minste rukje aan het touw haar op den grond moest doen vallen. Hij maakte vervolgens het andere uiteinde van het touwtje zoodanig aan den pols van Raffles vast, dat het strak was getrokken en richtte zich nu met een glans van voldoening in zijn zwarte oogen weer op.
Hij keek Raffles een oogenblik spottend aan met een blik van helsch leedvermaak en zeide toen:
„Gij zult het doel van deze kleine inrichting wel begrijpen, nietwaar? Gij zijt een man, die in levensgevaar verkeert en gij zult dus al het mogelijke doen om U te bevrijden. De minste beweging kan U echter den dood kosten, want deze bom zal eveneens ontploffen, wanneer zij van de tafel op den [28]vloer valt. Wij zullen het licht hier laten branden, vlak tegenover U staat een kleine wekker en gij zult dus het voorrecht hebben op de minuut af te weten, wanneer gij met het geheele bovenste gedeelte van dit huis de lucht zult ingaan.”
Miljakoff boog zich over het uurwerk in de open doos heen en vervolgde:
„Van dit oogenblik af is het nog juist zeven minuten, wij zullen ons dus wat moeten haasten om heen te gaan en onze makkers in te halen. Vaarwel, wij moeten U thans tot onze spijt verlaten.”
Miljakoff en zijn trawanten maakten een ironische buiging voor den weerlooze en het volgende oogenblik hadden zij het vertrek verlaten.
Raffles hoorde hoe zij den sleutel in het slot omdraaiden en hun schreden zich snel verwijderden.
Toen werd het stil, op het eentonig tikken na van den goedkoopen bazarwekker op den smallen schoorsteen.
Het was juist half elf, nog zeven minuten, dan zou alles gedaan zijn.
Raffles boog voorzichtig het hoofd en bekeek de touwen, die hem gebonden hielden, zij waren vingerdik en van het beste vlas vervaardigd.
Ja, als de helsche machine er niet was geweest, misschien had hij dan een poging kunnen doen, om zich met stoel en al te laten vallen en zoo de aandacht van de benedenburen te trekken, thans echter zou die beweging zijn onmiddellijke dood beteekenen.
Toen poogde Raffles zeer voorzichtig, of hij den stoel wellicht kon laten wiebelen.
Waren de pooten niet geheel gelijk, dan zou het misschien mogelijk zijn, de tafel te naderen, de helsche machine te grijpen en het uurwerk te laten stilstaan.
Maar ook deze hoop moest hij laten varen, want men had zijn voeten op een sport vastgebonden en de stoel was zeer zwaar, ten overvloede zou de minste onvoorzichtige beweging de helsche machine doen vallen.…
Toen Raffles weder opkeek waren er drie minuten verstreken.…
Hij trachtte nu in den doek te bijten, die men hem voor den mond had gebonden, hij slaagde er slechts in, een paar vezels stuk te trekken, de doek was te breed en te stijf dichtgebonden.
Hij trachtte zijn pols een weinig te bewegen en hij voelde het klamme zweet zijn gelaat bedekken, toen hij bemerkte dat hij hierdoor de helsche machine een weinig had doen verschuiven, zoodat de minste of geringste beweging, ja misschien zelfs de zwaarte van het touwtje of het dreunen van het huis, als er een zware auto voorbij reed, het vreeselijke ding op de tafel moest doen vallen.…
Raffles zat doodstil en durfde nauwelijks ademhalen.
Met starenden blik keken, zijn oogen nu eens naar den wekker, dan weder naar de helsche machine.
Nog twee minuten.…
Maar plotseling ving zijn geoefend oor, toen hij zich reeds verloren waande en zich moedig in het onvermijdelijke schikte, een luid geraas op, dat beneden in het huis klonk, het was het gerucht van een woedenden strijd.
Slechts weinige seconden later naderden er zware voetstappen, toen werden haastig de deuren van de kamers op de vliering opengeworpen.
Een luide, welbekende stem vloekte dat het een aard had.…
Het was de stem van Henderson!
Het volgende oogenblik beukte zijn zware vuist op de deur.
Met een gevoel van vreeselijke ontzetting zag Raffles dat de helsche machine wankelde.
En steeds luider en steeds harder daverden de zware vuisten van den reus op de deur.
Nog een minuut.…!
Henderson had blijkbaar een aanloop genomen, want met een luid gekraak vloog het bovenste paneel van de deur aan splinters.
Op hetzelfde oogenblik viel de helsche machine!
Raffles sloot de oogen.…
Maar hij voelde zich niet opnemen in een wervelstorm en zijn ooren werden niet verscheurd door de helsche losbarsting van de ontploffing, die hem den dood moest brengen.
Hij opende de oogen weder en een gevoel van innige vreugde doorstroomde hem, het touwtje was een weinig te kort geweest.… De helsche machine had den vloer niet kunnen bereiken, maar schommelde nu ter zijde van den stoel aan het strak gespannen touwtje heen en weer.
Het scheelde slechts weinige millimeters, maar die paar strepen beteekenden het verschil tusschen dood en leven.
Henderson had intusschen vliegensvlug het paneel [29]geheel vernield en stapte door het gemaakte gat het vertrek binnen.
Dadelijk bevrijde hij Raffles van den doek.
Het eerste wat Raffles hem met heesche stem toeriep was:
„Zet voorzichtig die doos op tafel, die daar aan een touwtje naast mijn stoel hangt en zet het uurwerk een uur terug—in Godsnaam vlug, het is een helsche machine.”
Bleek van schrik gehoorzaamde de reus.
Het was juist bijtijds—nog twintig seconden en de beide mannen zouden een vreeselijken dood hebben gevonden.
Zoodra de helsche machine voorloopig onschadelijk was gemaakt sneed Henderson de touwen door, die Raffles op den stoel gebonden hielden.
De Gentleman-Inbreker stond op, rekte zich uit, en greep toen Henderson bij de hand om die te drukken alsof hij ze wilde verbrijzelen.
„Ik dank je, Henderson!” zeide hij met trillende stem. „Je hebt mij al weder het leven gered.”
„Laten wij daar niet over praten, Mylord. Ga spoedig mede—ik dank nu den hemel, dat ik u toch maar gevolgd ben, om te zien waar u bleef. Het is hier onveilig! Laten wij maken dat wij wegkomen.”
„Ik heb daareven het gerucht van een strijd gehoord, wat was dat?”
„O, dat had niets te beteekenen, Mylord,” antwoordde Henderson op luchtigen toon. „Ik heb drie Russen, waaronder die schavuit met zijn smerigen zwarten baard een weinig overhaast zien heen gaan, en ik heb hen even onder handen genomen—ik geloof dat zij ergens op de binnenplaats liggen—ik weet niet of er veel van over is gebleven. Maar laten wij nu gaan, wat ik u bidden mag.”
„Eerst die helsche machine onschadelijk maken,” riep Raffles uit.
Hij bekeek met kennersoog even het toestel, ontdekte spoedig de werking van het mechaniek, verbrak voorzichtig de verbinding tusschen uurwerk en ontploffingsstof—en nu was de helsche machine onschadelijk gemaakt.
Hij liet de blikken doos in zijn zak glijden—benevens het uurwerk, greep Henderson bij den arm, en riep uit:
„Nu spoedig weg, de politie moet aanstonds gewaarschuwd worden.”