[Inhoud]

HOOFDSTUK VIII.

De aanslag op de bank.

Het geluk was met Raffles, want nauwelijks had hij den voet op straat gezet, of in de verte naderde een met twaalf koppen bemande politie-auto, die op patrouille was.

Raffles wenkte den chauffeur om stil te houden, en in een oogwenk had hij den brigadier, die het bevel voerde over den kleinen troep, op de hoogte gebracht.

Aanstonds snelde een half dozijn agenten de binnenplaats op, waar zij inderdaad Miljakoff en zijn medeplichtigen vonden, omringd door een aantal nieuwsgierige buren, en in een verre van benijdenswaardigen toestand.

De drie schurken waren zoo onvoorzichtig geweest Henderson den toegang te willen versperren, en een hunner had dit met twee gebroken ribben, de tweede [30]met een ontwrichten arm en de derde met een aantal kneuzingen over het geheele lichaam moeten bekoopen.

Het drietal werd aanstonds opgenomen en in de politie-auto gedragen.

Daar Raffles zich nu eenmaal als Lord Aberdeen met de zaak bemoeid had, kon hij moeilijk anders doen, dan dien naam opgeven,—maar hij dankte zijn gesternte, dat hem had ingegeven, de nagemaakte detectivekaart bij zich te steken, voor hij het noodlottige vertrek verliet, waar hij bijna den dood had gevonden.

Want men zou het op Scotland-Yard wel eens vreemd hebben kunnen vinden, dat zijn Lordschap zich in het bezit bevond van dit voortreffelijk nagemaakte legitimatiebewijs.

Raffles en Henderson stapten op hun beurt in en een uur later reed de auto de groote binnenplaats op van het sombere hoofdbureau van politie in Downingstreet.

De gevangenen werden aanstonds naar hun cellen geleid en nu was het de beurt van Raffles om een omstandig verhaal te doen van wat hem wedervaren was.

De dienstdoende inspecteur schreef alles zorgvuldig op, en werd wel een weinig bleek om den neus, toen Raffles de beide stukken van overtuiging—de doos met titaniet en het horlogeuurwerk voor hem op tafel neerlegde.

„Gelooft u, Mylord, dat dit duivelsche goedje niet vanzelf ontploffen kan?” vroeg hij een weinig heesch.

„Onmogelijk, mijnheer!” antwoordde Raffles. „Het ontploft alleen, wanneer gij het uit uw handen laat vallen! Misschien kan de politiescheikundige u wel iets naders vertellen omtrent de samenstelling! Staat gij mij toe, dat ik mij thans terugtrek?”

„Natuurlijk, Mylord. Natuurlijk,” antwoordde de inspecteur haastig, terwijl hij opstond en Raffles de hand toestak. „Maar ik laat u niet gaan, voordat ik als de eerste u mijn groote bewondering te kennen geef voor wat gij gedaan hebt, en den dank uitspreek van geheel Londen, dat gij haar voor een zoo vreeselijke ramp hebt weten te bewaren.”

„Laten wij niet voorbarig zijn. mijnheer de inspecteur!” hernam Raffles op ernstigen toon. „Ik zou er geen eed op durven doen, dat alle gevaar reeds geweken is.”

„Wat? Denkt gij werkelijk dat die schurken het nu nog zullen wagen, hun plan ten uitvoer te brengen?” riep de inspecteur verschrikt uit.

„Natuurlijk niet hun oorspronkelijk plan,” antwoordde Raffles. „Zij zullen wel begrijpen, dat dat geen kans van slagen meer heeft. Wat er in het huis gebeurd is zullen zij morgenochtend reeds kunnen weten door middel van hun spionnen—en daarom raad ik u aan, een oogje in het zeil te houden—vooral in den eersten tijd.”

„Ik dank u voor uw goeden raad, Mylord, en ik verzeker u, dat wij dien zullen opvolgen. Wij zullen nog hedennacht onze maatregelen nemen. Ik mag er zeker wel op rekenen, dat gij u tot onze beschikking stelt, zoodra het proces een aanvang neemt?”

„Ik zou er liefst buiten worden gehouden, mijnheer—ik ben volstrekt niet gesteld op zooveel publiciteit!” antwoordde Raffles. „Mocht mijn getuigenis echter volstrekt onmisbaar zijn, dan kunt gij op mij rekenen.”

Een korte buiging en Raffles had het vertrek verlaten, door Henderson gevolgd.

Daar Henderson zijn eigen wagen in Betnalstreet had laten staan, waren de beide mannen verplicht een huurauto te nemen, die hen in een half uur naar de Regentstreet bracht.

Het was bijna half twee toen zij daar aankwamen, maar zooals Raffles wel voorzien had vond hij Charly nog op en in staat van groote ongerustheid, bleek en met wallen onder de oogen.

Hij vond den jongen man in de bibliotheekzaal met een boek voor zich, maar waarin hij blijkbaar geen oogenblik had zitten lezen.

Charly stond haastig op, snelde Raffles tegemoet, greep zijn hand, en zeide met ontroerde stem:

„De hemel zij geloofd, dat je er bent. Ik heb mij zoo ongerust over je gemaakt en over Henderson! Wat is er toch gebeurd?”

„Ga daar zitten—dan zal ik het je vertellen—maar wees sterk, Charly, want ik zal je pijn moeten doen,” zeide Raffles op ernstigen toon.

En nu deelde hij Charly in bijzonderheden mede, wat hem wedervaren was van het oogenblik af, dat hij het huis had verlaten.

Charly had geluisterd, zonder hem een oogenblik in de rede te vallen, met zijn hoofd tusschen de handen geklemd.

Toen Raffles zweeg, hief Charly langzaam het [31]gelaat op, stond op, kwam naar Raffles toe, en zei met geheel veranderde stem:

„De les is duur geweest, Edward, heel duur! Maar ik geloof, dat ik genezen ben! Je moet er in den beginne maar niet meer met mij over praten—het zal wel overgaan!” voegde hij er met een mat glimlachje aan toe.

„Daarvan ben ik overtuigd, mijn jongen,” hernam Raffles op hartelijken toon. „Ik kende je niet meer. Nooit zou ik hebben kunnen vermoeden, dat mijn vriend Charly zich zoo zou laten meesleepen door zijn hartstocht. En nu beloof ik je, dat je uit mijn mond nooit meer iets over dit intermezzo zult hooren, dat voor jou zulke tragische gevolgen zou hebben gehad.”

— — — — — — — — — — — — — — — —

Den volgenden morgen omstreeks half elf begaf Raffles, thans weer als Lord Aberdeen gekleed, zich naar de Engelsche bank, in de auto, die door Henderson bestuurd werd.

De fraaie wagen stond stil voor het groote gebouw en Raffles werd aanstonds toegelaten bij Philip Chesterfield, die reeds geheel op de hoogte was van het voorgevallene en hem met een bleek gelaat ontving.

Hij verzocht Raffles plaats te nemen in een fauteuil, dicht bij een van de groote ramen, die op Cornhill uitzien, en begon, terwijl hij met zenuwachtige passen door zijn prachtig ingerichte werkkamer heen en weer liep:

„Wie had dat kunnen denken, Mylord. Ik kan mijzelf onmogelijk vrij pleiten van schuld, en toch—als gij haar gekend had, zoo zacht, zoo aanhankelijk, zoo verliefd.…”

„Ik geloof, dat zij een voortreffelijke comediante was, mijnheer Chesterfield,” zeide Raffles bedaard. „Ik denk er ook niet aan, er u een verwijt van te maken, dat zij u betooverd heeft. Het is natuurlijk zeer pijnlijk voor u, om dit te moeten toegeven, maar het is nu wel duidelijk, dat het er haar slechts om te doen was, uit uw mond alle bijzonderheden te vernemen, die haar en haar medeplichtigen van nut konden zijn. Ik hoop, dat men nu alle voorzorgsmaatregelen genomen heeft om de bank te beschermen?”

„Wees gerust, Mylord. Er komt niemand meer in, die wij niet goed kennen, of die zich niet eerst kan legitimeeren. Tot de safe zal niemand worden toegelaten, tenzij van deugdelijke papieren voorzien, en minstens een maand zal het gebouw niet meer bezichtigd mogen worden door het publiek, zooals tot dusverre het geval was.”

„Dat is goed—maar ik geloof toch dat het beter zou zijn, wanneer wij alle leden van die bende in handen hadden,” zeide Raffles nadenkend.

Zijn blikken zwierven een oogenblik naar buiten, en vestigden zich op het drukke gewoel in Cornhill.

Toen werd zijn aandacht getrokken door een zware sleeperskar, door vier krachtige paarden getrokken en beladen met zware granietblokken, blijkbaar bestemd voor huizenbouw.

Op dat oogenblik hield de kar ongeveer ter hoogte van den ingang van de Engelsche bank stil.

De koetsier kwam van zijn bok, na de teugels over de paarden te hebben geworpen en slenterde weg, in de richting van het wijnhuis naar het scheen.

Een jonge man met een zacht gelaat, die er naast had gezeten, klom eveneens haastig naar beneden en leunde tegen den vrachtwagen.

Hij haalde een sigaret uit zijn zak en stak die aan.

Plotseling sprong Raffles haastig op en slaakte een kreet van woede en schrik.

„Wat is er, Mylord?” vroeg Chesterfield verschrikt, die zich had omgewend om een kistje sigaren te krijgen.

„Wat er is? Kijk eens naar buiten. Herkent gij dien jongen niet, die daar nu zijn sigaret aansteekt?”

Chesterfield was naar het raam getreden en keek naar buiten.

„Die knaap daar bij die met granietblokken beladen kar? Neen, dien heb ik nooit gezien.”

„Dan hebt gij geen goed geheugen voor gezichten. Het is Sonja Paviac in manskleeren en met kort geknipt haar,” riep Raffles uit.

Chesterfield gaf een luiden schreeuw van ontzetting.

„Mijn God, gij hebt gelijk. Wat beteekent dat?”

Raffles scheen de vraag niet te hebben gehoord.

Hij was een weinig van het raam terug getreden maar keek onafgebroken naar buiten en eensklaps riep hij:

„Zie eens, wat zij doet! Met haar brandende sigaret heeft zij iets aangestoken—een draad katoen—een lont, die van den wagen afhangt. Snel, er heen!”

Zoo vlug hun voeten hen dragen konden, vlogen [32]de beide mannen het vertrek uit, de trappen af, de peristyle uit en op de kar toe, die nog altijd voor het trottoir stil stond. Eenige meters verder wachtte Henderson achter het stuurwiel van de fraaie limousine.

Van Sonja Paviac was geen spoor meer te zien.

Met doodsbleek gelaat trad Raffles haastig naar de plek toe, waar hij de nihilistin tersluiks de lont had zien aansteken.

Hij zag, niets, hij rook ze alleen.

Waarschijnlijk was de lont reeds zoover opgebrand, dat zij nu voor smeulde in een reet tusschen de zware granietblokken, die door geen zes mannen te vertillen waren.

En het was zeker, dat zich daarbinnen, omgeven door die zware blokken, de kist met verschrikkelijken inhoud bevond, welke Raffles den avond tevoren gezien had.

Als er niet onmiddellijk werd ingegrepen zou er een ontzettende ontploffing plaats vinden—een ontploffing als een aardbeving.

„Henderson!” schreeuwde Raffles heesch van opwinding.

Onmiddellijk stond de reus aan zijn zijde.

„Zie je die blokken graniet?” vroeg Raffles. „Die moeten tot iederen prijs—versta je me? tot iederen prijs van die kar verschoven worden! Daar binnen is een helsche machine, die met een lont tot ontploffing wordt gebracht—en die lont smeult nu tusschen deze vierkante blokken.”

Henderson had Raffles niet eens laten uitspreken, maar was op de kar gesprongen.

Met reuzekracht duwde hij tegen een der bovenste blokken, terwijl zijn spieren zich spanden als kabeltouwen.

En langzaam schoof het blok weg—kantelde—en viel op het trottoir met een doffen slag, die kilometers ver te hooien was.

Nog een blok volgde, toen nog een—nog een—en nu bukte Henderson zich, trillend van inspanning, nam de katoenen lont op, die nog slechts een decimeter lang was, en door een gat in het deksel van een houten kistje verdween, en kneep het smeulende uiteinde tusschen vinger en duim uit.

Uit de kelen van honderden menschen, die op verren afstand hadden toegezien, blijkbaar maar al te goed beseffend, wat er gaande was, ging een donderend gejuich op.

De aanslag op de Bank van Engeland was verijdeld.

Nog dienzelfden dag werden Sonja Paviac en haar medeplichtigen gearresteerd, toen zij zich wilden inschepen aan boord van een groote motorboot, en nog geen week later werden zij allen tot twintig jaren tuchthuisstraf veroordeeld.