[Inhoud]
De Misdaad in Sutherland Avenue.

De Misdaad in Sutherland Avenue.

HOOFDSTUK I.

De inbraak.

Het was omstreeks één uur in den nacht, toen twee deftig gekleede heeren uit een eerste klasse coupé stapten van den laatsten trein, die aan het Paddington station stopt.

Zij gingen haastig het station uit, staken het groote plein over, tot zij het Grand Junction Canal bereikten—de eenige gracht, welke het reusachtige Londen rijk is, en volgden den oever daarvan, tot dat zij Harrow Road bereikt hadden.

Het was op dezen breedsten verkeersweg in het hartje van het Londensche Westend nog tamelijk druk.

Er reden nog heel wat autobussen, en ook passeerden er veel huurauto’s.

Maar in de deftige Sutherland Avenue, die den zooeven genoemden verkeersweg verbindt met Maida Vale was bijna geen teeken van leven meer te bespeuren.

De Londenaar is toch al niet zoo bijzonder gesteld op laat naar bed gaan, in welk opzicht hij zeer verschilt van den Berlijner, en hier in het deftige Westen ging men zelden later dan ten hoogste half twaalf ter ruste.

De beide heeren, die slechts nu en dan een paar woorden met elkander wisselden, liepen de Sutherland Avenue in.

Zij schenen niet veel haast te hebben, want zij deden volstrekt geen moeite een huurauto te overmeesteren, maar wandelden kalm voort, alsof het midden op den dag was.

Het was reeds over half twee, toen zij de Shirland Road bereikten.

Van deze breede straat af is de Sutherland Avenue eigenlijk te beschouwen als een aaneenschakeling van afzonderlijk liggende villa’s en deftige heerenhuizen, die meerendeels omgeven zijn door een tamelijk grooten tuin.

De nacht was donker, en de maan had zich achter de wolken verborgen.

Het was bijna twee uur, toen de twee heeren eindelijk stilstonden op den hoek van een breede dwarsstraat. [2]

Vandaar hadden zij het oog op een zeer fraai, blijkbaar nog niet lang geleden gebouwd huis in renaissance stijl, met breede vensters, en een groot terras, waarlangs men de huisdeur bereikte.

Tot dit terras gaf het breede klinkerpad toegang, hetwelk van het trottoir af door den voortuin naar het huis voerde.

De oudste der beide heeren, een man van een rijzige lichaamsgestalte, met een scherp gesneden gelaat, waarin twee doordringende grijze oogen op eigenaardige wijze schitterden, haalde zijn horloge te voorschijn, en zeide op zachten toon tot zijn metgezel, die heel wat jonger was, en wiens gelaat een bijna vrouwelijke zachtheid vertoonde, ofschoon er op dit oogenblik een vastberaden trek om zijn mond lag:

„Het is nu iets over tweeën, Charly—wij zullen voor de veiligheid nog een minuut of tien wachten, ofschoon ik eigenlijk niet geloof dat het noodig is!”

De man, die deze woorden gesproken had, was Lord Edward Lister, alias John Raffles, de Gentleman-Inbreker.

Het was reeds tamelijk lang geleden, sedert Raffles op een nachtelijken rooftocht was uitgegaan, en verschillende omstandigheden hadden hem daarvan teruggehouden.

Niet dat de Groote Onbekende door gewetenswroegingen hiervan was teruggehouden. Hij beschouwde zijn zonderling beroep zooal niet als gewettigd, dan toch zeker als gerechtvaardigd door de omstandigheden.

Hij erkende echter tevens, dat de maatschappij, zooals zij thans was ingericht, alle reden had om er anders over te denken, en daarom voerde hij reeds geruimen tijd een verbitterden strijd met de verdedigers van die maatschappij, waaronder hij in de eerste plaats de politie moest rekenen.

Raffles had reeds een tamelijk lange loopbaan achter den rug—maar in al die jaren was de politie van de Engelsche hoofdstad er nog slechts een paar malen in geslaagd zich van zijn persoon meester te maken, en nooit had zij er zich op kunnen beroemen, langer dan een paar uren van deze vreugde te genieten, want telkenmale was de Groote Onbekende er in geslaagd, zich te bevrijden op een wijze, welke zelfs den befaamden boeienkoning Houdini met bewondering en ontzag zou hebben vervuld.

Gedurende het laatste jaar was Scotland Yard echter al zeer ongelukkig geweest in haar pogingen, om zich van den Gentleman-Inbreker meester te maken, want met aalgladde behendigheid had Lord Edward Lister zich steeds aan haar grijpende hand weten te onttrekken, om met een spottenden glimlach om de dunne lippen weder naar een volgend avontuur te ijlen, nog gevaarlijker dan het vorige, en zich slechts bekommerend om dit eene doel: Zijn fortuin zoo groot mogelijk te maken, opdat hij er zooveel mogelijk onrecht mee zou kunnen herstellen.

Dat fortuin beheerde hij onder het mom van Lord William Aberdeen, die een schoon huis bewoonde in de Regentstreet, daarbij geholpen door zijn trouwen vriend Charly Brand, dezelfde jonge man, die thans naast hem stond en het fraaie huis in het oog hield, dat het doel was van hun nachtelijken tocht.

Raffles had zijn sigaret weggeworpen, en keek aandachtig naar het donkere huis, dat in een bed van groen te sluimeren leek.

Een der zijgevels, die naar de beide mannen was toegekeerd, werd zwak verlicht door het schijnsel van een straatlantaarn, die op eenigen afstand daar vandaan was geplaatst.

Het was hier zoo stil, dat men zelfs op zeer verren afstand de schreden van een patrouilleerend paar agenten kon hooren.

Voorbijgangers waren er in het geheel niet meer te zien, en slechts zeer zelden reed er een auto voorbij.

Maar plotseling voelde Charly Brand zich bij den arm grijpen en snel een paar schreden terugvoeren in de zijstraat.

„Wat is er?” vroeg hij op fluisterenden toon.

„Kijk eens goed naar den zijgevel van het huis van Harris—het laatste venster van hier gerekend, gelijkvloers.

„Het is bijna niet te zien—het is zoo donker, en er staat struikgewas in den weg.

„Kijk toch maar eens goed!” drong Raffles aan.

Charly spande zijn oogen zooveel mogelijk in, maar daar hij niet, evenals Raffles, de gave had, om als de katten in het donker te kunnen zien, zoo duurde het eenige oogenblikken, voor dat hij verbaasd en op ongeloovigen toon zeide:

„Voor den drommel—het raam wordt geopend, en er klauteren mannen naar buiten.” [3]

„Zoo is het! En wel met groote overhaasting, zou ik zeggen, Charly. Ik geloof dat wij een verloren nacht zullen moeten boeken—er zijn kapers op de kust geweest! Het is jammer, maar verwonderlijk is het niet—vroeg of laat moest de groote rijkdom van den bankier Harris mijn collega’s wel aanlokken—en ook de omstandigheid, dat men zijn huis betrekkelijk gemakkelijk kan binnendringen.”

Raffles staarde ingespannen naar het half geopende venster, en zag, hoe daar achter elkander drie mannen uitklauterden, die zich een oogenblik achter het struikgewas van den tuin verborgen hielden, waarschijnlijk om te wachten tot de lucht zuiver was, en daarop ijlings het hazenpad kozen.

Zij behoefden ook niet te vreezen, dat men hen in Sutherland Avenue zou zien want er was heinde en ver geen levende ziel te bespeuren.

De drie mannen snelden den tuin door, wipten over den muur, waarschijnlijk met behulp van een korte ladder, die zij daar hadden neergezet, en waren het volgende oogenblik verdwenen.

Charly Brand slaakte een gedempten kreet van ongeduld en teleurstelling, en zeide toen:

„Moeten wij die kerels zoo maar laten verdwijnen?”

„Wat had je er dan tegen willen doen?” vroeg Raffles spottend. „Hen naloopen soms, met de kans om een kogel tusschen de ribben te krijgen, verondersteld dat wij hen inhaalden? Waarom zouden wij ons zooveel moeite gegeven hebben?”

„Waarom? Maar voor den drommel—omdat die kerels er met den buit vandoor zijn gegaan!”

„Dan moet de buit al zeer gering zijn geweest, Charly, want ik heb niet kunnen zien, dat zij veel bij zich droegen. En daarom zullen wij ook nog maar eens gaan kijken, want ik acht het volstrekt niet onmogelijk, dat de kerels zich door een loos gerucht op de vlucht hebben laten drijven, en dat wij niet anders hebben te doen dan kalmpjes gaan halen wat zij reeds hebben gereed gezet.”

„En als het gerucht nu eens niet loos was geweest?”

„Dan zullen wij het wel zien,” antwoordde Raffles kalmpjes.

Hij gaf Charly een wenk, en daar deze wel begreep, dat het plan van Raffles vaststond, volgde hij hem op den voet, toen de Groote Onbekende haastig de straat overstak, zich snel overtuigde, dat niemand hen gezien had, en daarop met groote behendigheid over het lage ijzeren hekje wipte, dat de voortuin van de straat scheidde.

In een oogenblik was hij onder de schaduw van eenige fraaie kastanjeboomen, die terzijde van het huis stonden, verdwenen, en Charly haastte zich zijn voorbeeld te volgen.

Van de plek waar de beide mannen stonden, konden zij bijna den geheelen zijgevel overzien, en het eerste wat zij in het oog kregen was het half openstaande raam, het dichtst bij den hoek, waardoor de drie inbrekers de vlucht hadden genomen, en waardoor zij waarschijnlijk ook naar binnen waren geklauterd, na een ruit te hebben uitgesneden en de afsluiting van de luiken te hebben verbroken.

Raffles tuurde ingespannen naar de andere vensters, maar nergens kon hij het minste of geringste lichtschijnsel bespeuren.

Het scheen dus wel vast te staan, dat de bewoners van het huis nog altijd in diepe rust verzonken waren, anders zouden zij waarschijnlijk reeds lang alarm hebben gemaakt.

Voorzichtigheidshalve wachtte Raffles echter nog een groot kwartier, maar toen alles stil bleef, trok hij Charly aan de mouw, en voerde hem naar het raam, waarvan het kozijn zich nauwelijks anderhalven meter boven den grond bevond.

De beide mannen konden zich dus al heel gemakkelijk naar binnen begeven, anderen hadden den weg reeds voor hen gebaand.

Eenmaal binnenshuis keek Raffles naar buiten en overtuigde zich, dat de drie inbrekers van zooeven de plek goed gekozen hadden, want het was al zeer moeilijk dit venster aan gene zijde van den tuinmuur te bespeuren.

Raffles begreep nu ook dat het slechts te zien geweest was van de plek af, waar hij en Charly zooeven hadden gestaan.

Alvorens licht te maken met behulp van zijn zaklantaarn deed Raffles de luiken weer dicht, zonder ze echter te sluiten, en nu pas waagde hij het er op zijn zaklantaarn te doen ontgloeien.

De twee vrienden bleken zich te bevinden in een fraai gemeubelde tuinkamer, waar gemakkelijke meubelen van wit geschilderd riet stonden.

Het vertrek had twee deuren, en toen Raffles op een daarvan toetrad, zag hij dat zij aanstond—[4]het was waarschijnlijk de deur, welke ook de drie mannen van zooeven gebruikt hadden.

Voorzichtig duwde Raffles de deur een weinig verder open, en keek nu in een breede, met marmer bevloerde gang.

Hij bracht zijn mond zoo dicht mogelijk bij het oor van Charly en fluisterde:

„Je weet dat ik de inrichting van het huis heb kunnen bestudeeren—een half jaar omstreeks geleden, en ik denk wel niet, dat de bewoners de inrichting van de verschillende vertrekken sedert dat oogenblik veranderd hebben. Deze gang loopt op de vestibule uit, en men kan op twee manieren naar de eerste verdieping komen—langs een breede achtertrap, een paar passen hier vandaan, en langs de groote hoofdtrap, die in de vestibule begint. Wij zullen de laatste maar nemen dan kunnen wij tevens onzen aftocht dekken, door de knippen en kettingen van de voordeur te doen. Volg mij maar, maar denk er om dat je nog zachter loopt als anders, want marmeren vloeren hebben de onaangename eigenschap dat zij sterk ressonneeren.

Raffles trad in de gang en Charly volgde hem.

Bij het flauwe licht van de slechts op halve kracht brandende zaklantaarn liep hij achter Raffles de gang ten einde, totdat zij beiden de groote vestibule bereikten, waarop een zestal deuren uitkwam, en waar de breede statietrap een aanvang nam, die met een stouten boog naar de eerste verdieping voerde, en uitliep op een breede gaanderij, die door zware eiken pilaren getorst werd.

De lantaarn moest nu een oogenblik gedoofd worden, want Raffles, die een uitnemend geheugen had, wist, dat zich boven de breede huisdeur een cirkelrond venster bevond, waardoorheen het licht waarschijnlijk op straat zou zijn te zien.

Zij moesten dus in het donker de trap beklimmen, maar in dergelijke zaken waren zij zoo geoefend, dat zij niet meer gerucht maakten dan een muis, toen zij over den dikken looper naar boven slopen.

Zoodra zij eenmaal om den hoek van de gaanderij verdwenen waren, ontstak Raffles zijn zaklantaarn weder, en wenkte Charly hem te volgen.