[Inhoud]

HOOFDSTUK II.

De doode.

Maar voor zij verder gingen fluisterde Charly zoo zacht dat het nauwelijks te verstaan was:

„Hoe zit het eigenlijk met de bedienden?”

„Er zijn er vijf en slapen allen in een geheel ander gedeelte van het huis, dan waar wij te maken hebben. Stel je daaromtrent gerust.”

„En de werkkamer?”

„Wij zijn er nog maar een paar stappen vandaan—die deur daarginds.”

Raffles ging verder, en na de gang, die het verlengde vormde van de gaanderij, bijna ten einde gekomen, stond Raffles stil voor een hooge, eikenhouten deur.

En ineens werd het donker.

„Wat doe je?” vroeg Charly, zoo zacht mogelijk fluisterend en den arm van Raffles grijpend.

„Zeg niets! De deur staat op een kier!”

„Welnu wat zou dat? Natuurlijk hebben de drie kerels, die wij hebben zien vluchten, haar opengelaten.”

„Het is mogelijk—maar ik vertrouw het niet erg. Laten wij maar eenige oogenblikken wachten!”

En zoo stonden de beide vrienden doodstil, en niets was te hooren dan hun zachte ademhaling.

Maar eensklaps trof een ander geluid hun oor.…

Ergens in huis, zij konden onmogelijk zeggen waar het juist was, klonk een zacht kreunend geweeklaag als van een menschelijk wezen, dat hevige [5]pijn lijdt of onder een vreeselijke smart gebukt gaat.

Het klonk zwak en gedempt, maar het was voor zulke geoefende ooren als die van Raffles en Charly toch duidelijk verneembaar.

Na eenigen tijd te hebben geluisterd, bracht Raffles zijn mond op den tast zoo dicht mogelijk bij het oor van Charly en fluisterde:

„Het schijnt wel het gekreun van een vrouw te zijn. Die schurken zullen toch mevrouw Harris geen kwaad hebben gedaan?”

Er kwam geen antwoord, behalve in den vorm van een hernieuwd lichtschijnsel, Raffles had zijn lantaarn weder doen ontgloeien.

Charly kon zien, dat er een vastberaden uitdrukking op zijn gelaat lag.

Het volgend oogenblik haalde Raffles zijn masker te voorschijn, en bond het zich voor zijn gelaat, terwijl hij Charly wenkte zijn voorbeeld te volgen.

Aldus onkenbaar gemaakt traden Raffles en Charly het vertrek binnen, nadat de eerste voorzichtig de deur verder had opengeduwd.

Zij bevonden zich in een groot vertrek, dat zich op den eersten blik als werkkamer deed kennen, want er stond een zeer zwaar bureau-ministre, en eenige aktenkasten hadden een plaats tegen de wanden gevonden.

De fraaie parketvloer was gedeeltelijk bedekt met een zeer groot, vingerdik Perzisch tapijt, en hier en daar stonden gemakkelijke clubfauteuils van kostbaar leder.

Voor de drie hooge ramen hingen fluweelen gordijnen, die op het oogenblik gesloten waren.

Raffles had de deur weder achter zich gesloten, en keek nu langzaam, met op elkaar geknepen lippen om zich heen.

Door het halfmasker kon Charly zijn gelaat niet onderscheiden, maar hij gevoelde als het ware instinctmatig, dat er op dit oogenblik een trek van wantrouwen op dat gelaat lag.

En toch was er zoo op het eerste gezicht volstrekt niets in het vertrek, dat tot achterdocht aanleiding kon geven.

De meubelen stonden op zijn plaats, de gordijnen hingen vlak voor de ramen strak neder, en de twee andere deuren van het vertrek waren gesloten.

Maar Charly zag heel goed, dat Raffles met de rechterhand in zijn broekzak de kolf van zijn revolver omklemd hield, op alles voorbereid.

Het zwakke gekreun als van een gewond dier had opgehouden, of het was in ieder geval op deze plek niet hoorbaar.

Nu viel de blik van Raffles op de groote brandkast, die tegen één der muren van het groote vertrek was geplaatst.

Zij was gesloten, en de sleutel stak niet op het slot.

„Houdt de deuren in het oog, dan zal ik de kamer eens onderzoeken,” zeide Raffles zachtjes. „Ik weet niet wat het is—maar er is hier in huis iets dat mij niet bevalt—iets waaraan ik geen naam kan geven!”

Charly bleef op dezelfde plek staan en Raffles begaf zich naar de brandkast.

Daartoe was het noodig, dat hij het vertrek in zijn volle lengte overstak.

Charly zag hoe hij het zware bureau voorbij liep, er even zijn lantaarn op richtte, en eensklaps stokstijf bleef staan, het gelaat naar den grond gericht.

Verscheidene seconden bleef hij in diezelfde houding, alsof hij uit brons was gegoten.

Toen richtte hij zich weder op, en wendde langzaam zijn gezicht naar Charly.

Door de gaten van het masker kon de jonge man de oogen van den Gentleman-Inbreker als staal zien glanzen.

Voorzichtig kwam hij naderbij.

En toen hij op dezelfde plek gekomen was, waar Raffles nu stond, had hij moeite een kreet van afschuw te onderdrukken … achter het groote schrijfbureau, op den grond uitgestrekt, lag het lichaam van een man van omstreeks vijftig jaar, met gebroken oogen, die naar de zoldering staarden, en een uitdrukking van haat en woede op het marmerbleeke gezicht, de vuisten van de uitgestrekte armen dichtgeknepen.

Midden in het voorhoofd was een zeer klein, donkerrood plekje te zien—het was een kogelgat.

Vandaar kronkelde zich een zeer kleine roode streep over het voorhoofd, om zich in het grijze haar terzijde van het voorhoofd te verliezen.

„Is dat …?” vroeg Charly met een huivering.

„Ja, dat is John Harris,” antwoordde Raffles op gedempten toon.

„Dus … een moord?” zeide Charly vol afgrijzen. [6]„Daarom gingen zij zoo haastig op de vlucht zonder iets mede te voeren!”

Raffles knikte, en knielde naast het beweginglooze lichaam neder.

Een enkele blik was voor hem voldoende, om hem duidelijk te maken, dat hier iedere hulp nutteloos was—de bankier Harris was dood.

Hij richtte zich langzaam weder op, ging naar de gangdeur, en draaide den schakelaar van het electrische licht om.

Bijna op hetzelfde oogenblik ging de gangdeur open, en op den drempel verscheen een jonge, en zelfs bij haar doodelijke bleekheid beeldschoone vrouw.

Zij had prachtige fluweelzwarte oogen, waarin thans echter een uitdrukking van namelooze schrik en ontzetting lag.

Zij had de hagelwitte tanden in de bloedlooze lippen gebeten, en staarde onbewegelijk Raffles aan, die op zijn beurt als een standbeeld bij de deur was blijven staan.

De vrouw was in een zeer sierlijke peignoir gekleed, en heur haar was zooals Raffles aanstonds zag, in der haast in een zwaren wrong vastgespeld.

Charly meende, dat het het zwartste en rijkste haar was, dat hij nog ooit had gezien—en ook het bleekste, smartelijkste gelaat.

De jonge vrouw was de eerste die sprak.

Haar stem beefde, en had een zonderlingen klank, toen zij stamelend vroeg:

„Zijt gij—zijt gij politiebeambten?”

„Politie, mevrouw—en dat gemaskerd?”

„Maar—gij komt dus niet om.… ik weet niet wat ik zeg.… ik bedoelde.… wie zijt ge dan, en waarom komt gij hier?”

„Dat is niet gemakkelijk in een paar woorden te zeggen, mevrouw,” antwoordde Raffles op ernstigen toon. „In ieder geval—wij hebben zooeven het lichaam van uw ongelukkigen echtgenoot gevonden, en.… gij schijnt zoo overstuur te zijn dat wij voor u willen handelen!”

De jonge bleeke vrouw streek met een vaag gebaar de hand langs de slapen, keek Raffles wezenloos aan, en mompelde toen iets, dat hij niet verstond.

De Gentleman-Inbreker keek haar een oogenblik medelijdend, maar met onderzoekenden blik aan, en hernam toen:

„Gij—gij waart er toch niet bij, toen de inbrekers uw ongelukkigen echtgenoot doodschoten?”

„Neen, ik was er niet bij,” mompelde de vrouw, terwijl zij zich op een stoel liet neervallen en strak voor zich uitstaarde.

„Gij zijt zeker door het schot gewekt?”

„Ja—dat geloof ik wel—ik weet niet zeker.… het is alles zoo verward in mij!”

„Uw man had zich natuurlijk nog niet ter ruste begeven, toen de schurken hier binnendrongen?” ging Raffles voort.

De vrouw wendde snel haar hoofd om en vroeg toonloos:

„Waarom vraagt gij dat?”

„Wel, mevrouw, uw echtgenoot is geheel gekleed! En zie eens—daar ligt zelfs zijn overjas!”

„En hier vind ik zijn hoed!” voegde Charly er aan toe, die intusschen het vertrek eens had nagezocht en zich nu in een hoek van het vertrek bukte, waar hij den stijven hoed van den doode opraapte.

„Ik begrijp het al,” ging Raffles op gedempten toon voort. „Uw echtgenoot is waarschijnlijk juist thuisgekomen op het oogenblik, dat de inbrekers hier bezig waren, en toen zij zich overvallen zagen, hebben zij niet geschroomd den ongelukkige neer te schieten!”

De jonge vrouw bleef opnieuw zwijgend voor zich uitkijken en scheen zelfs nauwelijks te hooren wat Raffles zeide.

Het gebeurde had haar blijkbaar vreeselijk aangegrepen, want zij scheen er zelfs niets bijzonders in te vinden, dat zich hier twee in keurig avondtoilet gekleede, gemaskerde mannen bevonden, waarvan zij in het geheel niet wist hoe zij waren binnengekomen, en of zij hier wel met goede bedoelingen kwamen.

Raffles dacht een oogenblik na en vervolgde, met eenige verbazing in zijn stem ditmaal:

„Het feit moet ruim een half uur geleden hebben plaats gehad, mevrouw. Hebt gij er geen oogenblik aan gedacht, aanstonds de politie te waarschuwen, zoodra de schurken hun hielen hadden gelicht?”

„Ik—ik was te zeer in de war mijnheer, om daar aan te denken!” antwoordde mevrouw Harris, en een siddering doorliep haar lichaam:

„Hebt gij het schot gehoord?”

„Ja, ik heb het schot gehoord,” herhaalde de jonge vrouw mechanisch. [7]

„Toen zijt gij natuurlijk dadelijk opgestaan, om te zien wat er was?”

„Ik—ja, ik geloof het wel! Ik weet het niet zeker meer—het moet wel zoo zijn!”

„Maar waarom hebt gij dan toch niet onmiddellijk om uw huisdokter getelefoneerd, mevrouw?” drong Raffles aan. „Weliswaar geloof ik dat de wonde aanstonds doodelijk was, maar voor alle zekerheid hadt gij toch een dokter moeten laten halen.”

Daar de jonge vrouw in het geheel geen antwoord gaf, vervolgde Raffles hoofdschuddend:

„Ook de bedienden schijnt gij niet te hebben gewaarschuwd! Hebben zij het schieten niet gehoord?”

„Zij slapen in een ander gedeelte van het huis, mijnheer—en het was maar een zwakke knal!”

„Waar slaapt gij, als ik vragen mag?”

„Op de tweede verdieping, mijnheer!”

„Hebt gij nog tegenover die schurken gestaan?”

De jonge vrouw huiverde, toen zij op doffen toon ten antwoord gaf:

„Ja, ik heb hen gezien!”

„Hebben zij u dan ook niet met den dood bedreigd? Hebben zij u in het geheel niet belet om alarm te maken? Hebben zij u rustig weder laten gaan?”

„Zij waren bevreesd, dat de bedienden misschien eveneens het schot hadden gehoord, zij namen overhaast de vlucht!”

Raffles bleef haar een oogenblik aandachtig beschouwen, en zeide toen:

„Nu, de politie zal het moeten uitmaken, mevrouw!”

Met een ruk wendde de jonge vrouw zich om en keek hem met haar bleek gelaat aan, waarin de groote oogen koortsachtig schitterden, en zeide op verschrikten toon:

„De politie? Waarom zou die er zich mede bemoeien?”

„Maar mevrouw, gij zult toch aangifte moeten doen van de zaak!” hernam Raffles verbaasd. „Gij kunt er de politie onmogelijk buiten laten! De schuldigen moeten gestraft worden! De ellendigen zullen wel sporen hebben achtergelaten en daar gij hen gezien hebt zult gij hen wel herkennen, zoodra Scotland Yard er in geslaagd zal zijn, hen te vatten!”

„Neen—ik wil met deze afschuwlijke zaak niets meer te doen hebben!” riep mevrouw Harris uit, terwijl zij hevig begon te sidderen.

„Maar mevrouw, de schuldigen moeten toch hun verdiende straf ondergaan!” liet nu de stem van Charly zich hooren, die tot dusverre gezwegen had en zijn onderzoek van het vertrek beëindigd scheen te hebben.

De jonge vrouw liet een zacht gekreun hooren, leunde met gesloten oogen achterover in haar stoel, en hield krampachtig haar dichtgeknepen vuisten terzijde tegen het hoofd gedrukt.

Een diepe rimpel van smart doorgroefde het hooge, blanke voorhoofd.

Eindelijk bracht zij er stamelend uit:

„Als gij het volstrekt noodzakelijk acht, zal ik er bij de politie aangifte van doen—ofschoon deze den dood van mijn man toch niet meer ongedaan kan maken en ik er zeker van ben, dat men de schuldigen niet zal kunnen vatten.”

„Men zal er ieder geval zijn best voor moeten doen, mevrouw!” kwam Charly die zich dezen afkeer van de politie in dit geval slechts noode kon voorstellen. Hij meende dat het in de vrouwelijke natuur lag, onmiddellijk wraak te nemen voor deze misdaad.

Raffles had intusschen diep nagedacht, en hernam toen, terwijl hij zich opnieuw tot de zacht kreunende vrouw richtte:

„Gij moet mij niet kwalijk nemen, mevrouw, als ik u nog een vraag stel, maar ik wilde wel gaarne weten, in hoeveel tijd gij ongeveer van uw slaapkamer naar dit vertrek kunt loopen!”

De jonge vrouw scheen een oogenblik te aarzelen, en antwoordde toen:

„Het huis is heel groot, mijnheer—ik denk wel, dat de afstand minstens drie minuten bedraagt.”

„Dus—de inbrekers hebben die drie minuten hier in de kamer vertoefd, bij het lijk van den vermoorde? Gij hebt hen immers in dit vertrek gezien?”

In plaats van te antwoorden barstte de ongelukkige vrouw plotseling in heftig geween uit, en riep met half verstikte stem:

„Ik weet het niet, mijnheer! Vraag mij niet verder! Gij martelt mij! Het is zoo vreeselijk, er nu nog verder over te moeten spreken!”

„Ik zou u niet voor al het goud ter wereld willen kwetsen, mevrouw!” zeide Raffles op zachten toon. „Als gij liever niet wilt antwoorden, dan denkt [8]geen van ons beiden er aan u te dwingen! Maar in ieder geval moet deze zaak aanstonds worden aangegeven! Als gij er zelf voor terugschrikt, dan zal ik de politie wel waarschuwen!”

„Neen, neen—ik zal het zelf wel doen!” hernam de echtgenoote van den bankier.

„Gij kunt er gerust bij zeggen, dat gij, even nadat de inbrekers vertrokken waren, bezoek hebt gehad van John Raffles!” voegde de Groote Onbekende erop rustigen toon aan toe. „Gij ziet mij verwonderd aan—hebt gij dien naam nog nimmer gehoord?”

De jonge vrouw schudde langzaam het hoofd.

„Nu, ik gevoel mij er volstrekt niet door gekwetst!” ging Raffles met een zonderling glimlachje voort. „Maar als gij mijn naam aan de politie opgeeft, zal zij zooveel te beter weten, wie ik ben! Ik zal u de geheele waarheid mededeelen, mevrouw—wij waren hier gekomen om de brandkast van uw echtgenoot leeg te plunderen, als het ons mogelijk was! Ik weet wel—men mag van de dooden alleen goeds te zeggen, en uw man is op een vreeselijke wijze om het leven gekomen, en daarom zal ik er mij dan ook toe bepalen, u te zeggen, dat de rijkdommen van uw man zeer weinig nut afwierpen—meer zullen wij er voor het oogenblik niet van zeggen! En nu zullen wij u verlaten, mevrouw, het spreekt van zelf, dat wij onder deze omstandigheden er niet aan denken, ons voornemen ten uitvoer te brengen! Wilt gij dat wij de politie hier aanstonds heenzenden?”

„Gelooft gij dat het onvermijdelijk zal zijn, mijnheer?” vroeg de echtgenoote van den vermoorde op zwakken toon, en zonder het hoofd op te heffen of naar Raffles te zien.

„Maar natuurlijk is het dat, mevrouw!” riep Raffles uit. „Ik ben er niet de man naar, om oordeel te vellen over de handelwijze van de inbrekers, die mij voor zijn geweest ditmaal—maar in koelen bloede een niets vermoedend man neer te schieten—nooit zou ik mij daartoe kunnen verlagen! Wees sterk, mevrouw—ik verzeker u dat de laffe moord op uw echtgenoot spoedig gewroken zal zijn!” [9]