[Inhoud]

HOOFDSTUK III.

Zonderlinge bezoekers.

Daar Raffles aan zijn voornemen gevolg had gegeven, en onmiddellijk per telefoon het hoofdbureau van politie in kennis had gesteld met zijn ontdekking in de Sutherland Avenue, zoo stonden reeds den volgenden dag de meeste kranten vol met bijzonderheden aangaande dezen verraderlijken moord, tenminste voor zoover men deze had kunnen machtig worden.

Want mevrouw Edith Harris bleek zeer gesloten te zijn, en scheen door het gebeurde in het prachtige huis van haar echtgenoot zoo zeer te zijn aangegrepen, dat zij zaken vergeten was, die voor de politie toch van groot nut hadden kunnen zijn, indien zij ze geweten had.

Zoo bleek Edith Harris zich maar zeer weinig te kunnen herinneren van de gelaatstrekken der bandieten.

Toen de inspecteur van politie, die het eerste onderzoek leidde, haar er op opmerkzaam maakte, dat het toch licht in de kamer moest zijn geweest, daar zij zelve verklaard had, de electrische kroon te hebben zien gloeien, herriep zij deze mededeeling aanstonds weder en zeide dat eenige der bandieten kleine zaklantaarns bij zich hadden, die slechts een zeer onzeker licht verspreidden.

Ook kon zij onmogelijk verklaren, hoe het mogelijk was, dat er na het schot eenige minuten waren verloopen, en dat zij niettemin de inbrekers nog altijd in de werkkamer van haar echtgenoot gevonden had, terwijl het toch veel meer voor de hand lag, aan te nemen, dat zij dadelijk het hazenpad hadden gekozen zonder zich verder om hun slachtoffer of om hun buit te bekommeren!

Er bleken nog meer tegenstrijdigheden in de verklaringen van de jonge vrouw te zijn, en de inspecteur moest met een zucht bekennen, dat het verre van gemakkelijk zou zijn, het spoor van de daders te vinden.

Wat hem bevreemdde, was, dat Edith Harris met geen enkel woord gewaagd had van het nachtelijk bezoek van Raffles en diens metgezel, ofschoon de Groote Onbekende zelf de mededeeling had gedaan, dat hij zich in het huis van Harris bevond, ongeveer een half uur nadat de bandieten het verlaten hadden.

Toen men de ongelukkige vrouw hierop wees, was zij zeer zenuwachtig geworden en had zij verklaard, dat zij bevreesd was geweest, zich den toorn van den Gentleman-Inbreker op den hals te halen, als zij verried, dat hij dien nacht eveneens een poging tot inbraak had gepleegd.

Uit het onmiddellijk getuigenverhoor bleek, dat de bankier Harris op dien noodlottigen nacht zeer laat was teruggekeerd van een zakenreis.

Hij had geen der bedienden behoeven wakker te maken, daar hij een huissleutel had medegenomen, passende op een kleine achterdeur, die op den tuin uitzag.

Uit het voortgezet onderzoek bleek, dat hij bij een zakenvriend te Manchester had vertoefd, en dat het eigenlijk zijn oorspronkelijke plan was geweest, nog een paar dagen in die stad te vertoeven.

Hij had zich echter een weinig ongesteld gevoeld, en aan zijn zakenvriend te kennen gegeven, dat hij liever naar Londen zou terugkeeren, teneinde daar wat rust te gaan nemen—later zou hij dan zijn zaken in de Katoenstad wel afdoen.

Het spreekt vanzelf dat de politie aanstonds ijverig begon te zoeken naar de daders; daar Edith Harris verklaard had, hen niet meer te zullen herkennen zoo werden de nasporingen naar den moordenaar van Harris ten zeerste bemoeilijkt. [10]

Dit alles en nog eenige andere bijzonderheden was te lezen in de meeste avondbladen van dien dag, en vooral Raffles en Charly volgden de relazen met groote aandacht.

Raffles las het verslag in de „Daily Mail” wel drie malen over, nadat hij met Charly had gedineerd in de kokette eetzaal van de Windsor-Club, waarvan hij als Lord Aberdeen vice-president was, en wierp toen het blad op tafel terwijl hij zich achterover in zijn stoel liet vallen, en hoofdschuddend zeide:

„Ik moet je eerlijk zeggen, dat ik de houding van Edith Harris niet volkomen kan begrijpen! Wat bezielt haar toch, om het onderzoek moedwillig te bemoeilijken?”

„Moedwillig?” herhaalde Charly, die juist een versche sigaret opstak. „Hoe zoo?”

„Wel, zij verklaart, dat zij de moordenaars niet zal herkennen, als zij ze ziet, omdat zij niet in staat was geweest, hun gelaatstrekken duidelijk te onderscheiden! Welnu, wanneer die mannen niet gemaskerd waren—en daar lees ik niets van—dan is het onverklaarbaar, dat zij althans het gezicht van den man, die voor de anderen het woord voerde, en met haar sprak, later niet zou herkennen! Ik heb meermalen opgemerkt, dat juist in dergelijke zaken van hevige spanning de gelaatstrekken van een mensch een onuitwischbaren indruk bij ons achterlaten.”

„Maar zij zegt dat het donker was in het vertrek!” kwam Charly. „Of tenminste dat het alleen verlicht werd door het schijnsel van een electrische zaklantaarn.”

„Ja, dat zeide zij tenminste naderhand! Maar eerst had zij gezegd, dat de electrische kroon brandde!” hernam Raffles.

„Dat is waar,” zeide Charly hoofdschuddend. „Dat is ook niet erg duidelijk!”

„O, er is nog wel meer wat niet duidelijk is!” ging Raffles voort. „Daar is bijvoorbeeld het feit, dat de moordenaars kalmpjes weg op zijn minst drie minuten zijn blijven wachten in de kamer van Harris, nadat het doodelijke schot gevallen was! Kun je je een oogenblik verplaatsen, Charly, in den toestand van een drietal mannen, waarvan er één den bankier heeft doodgeschoten, die hen zoo juist heeft overvallen?”

„Ik zal mijn best eens doen!” antwoordde Charly.

Hij sloot een oogenblik de oogen en vervolgde toen, na ze weer te hebben geopend:

„Ik weet het niet heel zeker, maar als ik ook maar een seconde kon vermoeden, dat het schot in huis ergens gehoord was door een van de vijf bedienden dan zou ik maar spoedig het hazenpad kiezen!”

„En daar zou je verstandig aan doen!” kwam Raffles kalm. „Bovendien—het komt maar hoogst zelden voor, dat een inbreker van zijn wapen gebruik maakt. In negen en negentig van de honderd gevallen heeft hij alleen zijn revolver bij zich, om er mee te dreigen, en hij maakt er slechts gebruik van als hij zijn eigen leven of zijn vrijheid in gevaar ziet. Daarvan nu was in dit geval geen sprake, want het onderzoek heeft uitgewezen, dat Harris in het geheel geen wapens bij zich droeg—tenminste niet in dien noodlottigen nacht. De inbrekers waren met zijn drieën, en ik kan mij niet goed voorstellen, waarom zij die groote overmacht niet beter hebben weten uit te drukken, dan in een volkomen nutteloozen moord!”

„Ja, wanneer je de zaak zoo voorstelt!” riep Charly, die aandachtig had toegeluisterd.

„Wanneer jij een andere voorstelling te berde wilt brengen—ga dan je gang. Laat dan spoedig eens hooren, want er is niets zoo goed om zich een juist inzicht in een zaak te vormen, dan er over te redetwisten!”

Charly dacht een oogenblik na en antwoordde toen:

„Harris is bij zijn schrijftafel gevallen. Op die tafel stond een telefoontoestel. Is het niet denkbaar, dat hij den hoorn gegrepen heeft, en de politie heeft willen waarschuwen—en dat een der bandieten in zijn opwinding daarom den bankier heeft neergeschoten?”

„Die lezing lijkt mij volkomen onaannemelijk, Charly, en ik zal je zeggen waarom,” antwoordde Raffles kalm. „Om te beginnen hielp het telefoneeren alleen natuurlijk niets! De naaste politiepost is minstens acht minuten loopens verwijderd van het huis van Harris, en de bandieten zouden dus tijd in overvloed hebben het huis te verlaten, van het oogenblik af, dat Harris, ongewapend zijnde, niet in staat was om dit te beletten! Dan is er vervolgens de ligging van het lijk—achter de tafel, te rekenen van de gangdeur! Geloof je, dat de drie inbrekers [11]hem daartoe de gelegenheid hebben zouden gelaten, zoover het vertrek in te komen? Neen, Charly, dat lijkt mij al heel onwaarschijnlijk!”

„Maar voor den drommel—wat denk je dan eigenlijk?” riep Charly uit. „In ieder geval staat het toch vast, dat het schot door een van de inbrekers is gelost!”

„Dat wil ik toegeven—voorloopig tenminste! Maar dan blijft toch de houding van Edith Harris even raadselachtig. Ik heb het duidelijk gevoel, dat zij er om heen draait, dat zij niet de volle waarheid spreekt, dat zij iets verzwijgt—wat weet ik het!”

Een oogenblik zaten de beide mannen in gepeins verdiept, en toen riep Charly eensklaps uit:

„Misschien had zij een hekel aan haar man—ja misschien haatte zij hem zelfs. Wie kan zeggen, of dat schot haar niet een verlossing is geweest! Zij is een zeer mooie, nog heel jonge vrouw, en hij was bijna vijf en twintig jaar ouder dan zij, verre van mooi, en naar ik op de Windsor-Club heb hooren zeggen vanmiddag, was hij een echte bruut, die haar min of meer als een slavin behandelde, haar dan weder langen tijd achter elkander volkomen veronachtzaamde en er bovendien tegelijkertijd een paar minnaressen op nahield!”

„Ja dat alles heb ik ook gehoord, Charly. En tot welke gevolgtrekking brengt je nu je meening, dat Edith Harris haar man haatte?”

„Wel wat zal ik zeggen?” zeide Charly haperend. „Misschien heeft zij wel in relatie gestaan met die schurken, waarvan er een haar man gedood heeft. Misschien was de heele vertooning een doorgestoken kaart!”

„Voor die opvatting zou misschien iets te zeggen zijn, Charly—als wij niet toevallig het smartelijke gekreun van die vrouw gehoord hadden, toen zij nog volstrekt niet kon weten, dat wij ons in huis bevonden, en dus ook geen comedie behoefde te spelen! Wanneer er inderdaad een complot had bestaan, om Harris uit den weg te ruimen—in beginsel zou ik heel goed met die opvatting kunnen medegaan—dan zou die vrouw heel anders zijn opgetreden! Dan zou zij niet in de eenzaamheid gekreund hebben als een gewond dier! Ook zouden de drie inbrekers niet zoo overhaast op de vlucht zijn gegaan—ofschoon ik wil toegeven, dat zij misschien door het een of ander gerucht buitenshuis of daarbinnen zijn opgejaagd.”

Weer zwegen de beide mannen eenige oogenblikken, diep in gedachten verzonken, en weer was het Charly, die eensklaps uitriep:

„Daar valt mij iets in—veronderstel eens dat zij hetzelve gedaan had!”

„Aan iets dergelijks heb ik ook gedacht!” hernam Raffles kalm. „Er kunnen zich gevallen voordoen, waarin de vrouw, tot het uiterste gedreven, haar man het leven beneemt. Maar om dan zulk een ingewikkeld complot op touw te zetten, waarbij niet minder dan drie mannen betrokken zijn—dat is dus twee te veel, dat komt mij niet erg waarschijnlijk voor. En dan—bedenk eens de plek, waar de misdaad gepleegd was! Als zij van plan was hem te dooden, hoe wist zij dan zoo nauwkeurig van te voren, dat haar man zich aanstonds, nadat hij thuisgekomen was, naar zijn werkkamer zou begeven?”

„Dat is zoo—en er is zelfs nog meer. Zij kon volstrekt niet weten, dat hij juist dien nacht zou thuiskomen!” riep Charly opgewonden uit. „Want zijn zakenvriend te Manchester heeft immers verklaard, dat zijn oorspronkelijk plan was, nog een paar dagen langer daarginds te blijven vertoeven!”

Met een sprong was Raffles overeind, en nu keek hij, de handen in de zakken van zijn smoking, Charly met schitterende oogen aan, terwijl hij een paar maal achtereen het eigenaardige gebrom liet hooren, hetwelk voor Charly een waarschuwing was, dat Raffles een of ander spoor had ontdekt.

Deze liep nu een paar maal het vertrek op en neer—het was de kleine eetkamer in het huis aan de Regent Street—en bleef toen opnieuw voor Charly staan, terwijl hij op gedempten toon zeide:

„Ik geloof, mijn waarde, dat je daar de kern van de kwestie hebt aangeroerd! En ik ben een botterik, dat mij dat zelf niet aanstonds is te binnen geschoten. Wel zeker, het is een punt van groot belang naar ik meen, dat Edith Harris volstrekt niet kon weten, dat haar man dien nacht reeds zou terugkomen! Kom Charly, sta eens op, kleed je aan, en ga met mij mede!”

„Om wat te doen?”

„Om naar het huis in de Sutherland Avenue te gaan!”

„Wat wil je daar uitvoeren?” [12]

„Ik wil dit geheim trachten te doorgronden!”

„Wil je je daar als John Raffles of als Lord Edward Lister gaan aanmelden?”

„Praat geen nonsens! Ik wil er heen gaan als particuliere detective! Mijnentwege als inspecteur van Scotland Yard! Een kleine vermomming zal voldoende zijn—Edith Harris heeft Lord Aberdeen nooit gekend!”

„Maar denk je dat zij je zal toelaten?”

„Als zij het niet deed, dan zou dat sterk tegen haar pleiten!” riep Raffles uit. „Kom maak wat voort! Deze zaak begint mij hoe langer hoe meer belang in te boezemen, en ik zou wel eens willen weten wat er eigenlijk achter schuilt. Je hebt toch zeker wel lust om met mij mee te gaan?”

„Dat spreekt van zelf,” riep Charly uit, terwijl hij opsprong.

Een half uur later waren de beide mannen, goed vermomd, in een huurauto onderweg naar het huis, waar de moord op Harris had plaats gehad.

Daar het lichaam van den vermoorden bankier reeds op het bed in zijn slaapkamer was neergelegd, nadat de Coroner zijn bevindingen had geboekstaafd, en de fotograaf van Scotland Yard eenige opnamen van het lijk had gemaakt, zooals het achter de schrijftafel lag, was de politiepost voor het huis reeds weder ingetrokken, en het lag daar eenzaam en duister, maar op de tweede verdieping scheen achter een der vensters een flauw lichtschijnsel te gloren.

Het bleek, dat de chauffeur niet tot vlak voor het kleine hek van den voortuin kon rijden, want zooeven was er juist een andere taxi komen aanrijden, die een oogenblik den weg versperde, teneinde twee heeren, die er in gezeten hadden, gelegenheid te geven, uit te stappen, en zich langs het klinkerpad naar de voordeur te begeven.

Charly wilde op zijn beurt juist het portier aan de straatzijde openen om daar vast uit te stappen, toen Raffles hem bij den arm greep, en haastig weer terugtrok.

„Wat is er?” vroeg Charly verwonderd.

„Kijk daar eens!” zeide Raffles op gedempten toon, die zijn blikken strak gevestigd hield op de twee mannen, die haastig langs het klinkerpad liepen en bijna de huisdeur bereikt hadden. „Herken je die mannen niet?”

Charly keek een oogenblik scherp toe, en onderdrukte een kreet van verwondering.

Er was wel reden toe—want de twee goedgekleede heeren, waarvan er één nu aan de bel trok, waren twee van de drie inbrekers, welker gestalte zij den vorigen nacht een oogenblik duidelijk belicht hadden gezien door het schijnsel van een straatlantaarn. [13]