[Inhoud]

HOOFDSTUK IV.

Een weinig licht in de duisternis.

Daar de tweede auto vrij ver was blijven staan van het voertuig, dat henzelven hier had gebracht, zagen de beide mannen, die nu juist door een huisknecht werden binnen gelaten, niet, dat zij het voorwerp waren van de belangstelling der beide gewaande detectives.

„Wat heeft dat nu te beteekenen?” riep Charly verbluft uit.

„Ja, dat mag je wel vragen!” was het antwoord van Raffles.

„Er is dus wel zeker een complot geweest! Misschien komen de schurken nu wel het loon voor hun misdaad halen!”

„Het is niet onmogelijk, Charly! In ieder geval zegen ik het toeval, dat ons juist op het goede oogenblik hierheen bracht.”

„Zouden wij ons niet vergissen—zouden zij het wel zijn?”

„Ik twijfel er geen seconde aan! Het profiel van één van die kerels met zijn geweldig grooten, krommen neus is gemakkelijk te herkennen—en ook de andere, die kleine met zijn wat krommen rug herkende ik ook aanstonds, al was het gisteren donker!”

„Maar het is mij volkomen onbegrijpelijk, Edward, wat die lieden hier thans komen uitrichten!” hernam Charly in de grootste verbazing. „Waar halen zij de onbeschaamdheid vandaan!”

„Dat is mij ook niet zeer duidelijk, maar het staat vast, ten eerste dat zij niet veel goeds in zin hebben en ten tweede, dat zij, ofschoon zij in dit zelfde huis gisteren hebben ingebroken, niet het minste gevaar loopen, door de weduwe Harris te worden aangeklaagd, of zelfs niet het minste gevaar loopen, door haar in het nauw gebracht te worden, en dat zij dat heel goed weten!”

„Dan moet er iets geschied zijn, waardoor die schurken mevrouw Harris in hun macht hebben!” riep Charly uit.

„Daaraan behoef je niet te twijfelen,” kwam Raffles ernstig. „Het is maar de vraag, waardoor zij die macht hebben verworven!”

„Als wij eens naar binnen gingen en ons eenvoudig van die kerels meester maakten?”

„Daartoe gevoel ik inderdaad veel lust, Charly—maar er is een beletsel. Wij kunnen natuurlijk die schelmen aan de justitie overleveren—maar als zij werkelijk iets weten van Edith Harris of van haar gedooden echtgenoot, dan zullen zij misschien uit woede gaan babbelen, louter uit lust om zich te wreken, en wie kan ons zeggen, of de eer van Edith Harris dan niet door het slijk wordt gesleurd? Ik geloof dat wij verstandiger doen, kalmpjes te wachten, totdat die schelmen weder te voorschijn komen, en dan zien waar zij blijven! Weten wij dat eenmaal, dan kunnen wij hen gemakkelijk in het oog houden, en hun gangen ten allen tijde volgen. Vroeg of laat zullen wij er dan toch wel achter komen, welke geheimzinnige band er toch wel kan bestaan tusschen de inbrekers en Edith Harris. Maar nu doen wij beter, Charly, ons een weinig terzijde te houden, want misschien kunnen zij onze auto zien van uit één der ramen van het huis, en wij mogen den argwaan van de schurken in geen geval gaande maken!”

Raffles stak dus zijn hoofd uit het portierraam en riep op gedempten toon tot den chauffeur, die zich reeds begon te verbazen, dat zijn passagiers niet uitstapten:

„Rijd eens een klein eindje terug, vriend—een meter of vijftig, en stop dan opnieuw!”

De chauffeur gehoorzaamde, en even later stond de huurauto weder naast het trottoir stil, op een afstand, die nog juist groot genoeg was, om geen vrees te moeten koesteren voor ontdekking, en vanwaar men toch het huis goed in het oog kon houden. [14]

Raffles had een oogenblik in gedachten verzonken gezeten, en zeide nu tot Charly:

„Ik geloof dat het beter is, mijn waarde, dat wij nu maar scheiden, want bij zulk een achtervolging is het beter, wanneer men alleen is. Dan valt men minder in het oog!”

„Je zult je toch niet in gevaar begeven?”

„Ik kan niet inzien, welk gevaar er voor mij zou zijn!” antwoordde Raffles schouderophalend. „Het is klaarlichte dag, en ik vermoed dat die twee schoeljes zich dadelijk, nadat zij dit huis verlaten hebben, naar hun woning zullen begeven.”

Charly had het portier reeds geopend, en stond het volgende oogenblik op het trottoir.

Raffles keek even door de voorruit, en zeide op zachten toon:

„Zij hebben ook hun auto aangehouden, en zijn dus niet van plan om hun bezoek lang te maken. Zeg tegen den chauffeur, dat hij dien wagen moet volgen, al ging hij naar het einde der wereld, beloof hem een goede fooi, en maak dat je weg komt.

Charly volgde de gegeven instructies op, sloot het portier, wisselde eenige woorden met den chauffeur, en verwijderde zich vervolgens met haastige schreden.

Raffles keek hem een oogenblik na, en toen was zijn aandacht uitsluitend beperkt tot de huisdeur van het fraaie huis, waar zich in den afgeloopen nacht het geheimzinnige drama had afgespeeld, waarin Edith Harris, dat gevoelde Raffles nu zeer duidelijk, een belangrijke rol had gespeeld—belangrijker dan viel af te leiden uit haar karige verklaringen.

Er waren zeker nog geen tien minuten verloopen, of de voordeur ging weer open, en de twee mannen verschenen op den drempel, uitgeleide gedaan door een ouden bediende.

Zij richtten haastig hun schreden naar de wachtende auto, waarop één hunner een paar woorden tot den chauffeur zeide.

Beiden stegen in, en de auto zette zich in beweging.

De chauffeur van Raffles had goed opgelet, en dadelijk nam de achtervolging een aanvang.

Het was voor den man niet zoo gemakkelijk, de andere auto te volgen, want herhaaldelijk moesten zij zeer drukke punten passeeren, en eenige malen kwam het voor dat de beide auto’s van elkander gescheiden werden door een verkeersagent die zijn witten staf ophief.

Maar gelukkig had de chauffeur toch de huurauto niet uit het oog verloren en na een rit van bijna een uur stond de wagen van Raffles plotseling stil.

Raffles keek door de voorruit.

De auto welke hij achtervolgde stond eveneens stil op den hoek van een tamelijk groot park.

Raffles zag hoe de beide mannen uitstapten, waarna één hunner den chauffeur betaalde, die dadelijk daarop wegreed.

Raffles bleef nog een oogenblik zitten, teneinde, zich zoo weinig mogelijk te vertoonen, en te zien wat de twee mannen nu zouden doen.

Zij deden echter voorloopig niets, en bleven rustig wachten, onder het rooken van een sigaret.

Na verloop van tien minuten kwam er met haastige schreden een man aanloopen, die zich bij de beide anderen voegde.

Raffles herkende hem niet, maar hij begreep, dat het de derde man moest zijn van het drietal inbrekers, hetwelk hij den nacht te voren uit het huis van Harris de vlucht had zien nemen.

Raffles kreeg den indruk, dat hij zich verontschuldigde over zijn laatkomen, waarop de drie mannen zich langzaam, als lieden die niets te verzuimen hebben, verwijderden.

Raffles begreep dat het oogenblik was aangebroken, om op zijn beurt uit te stappen.

Hij betaalde haastig den chauffeur, gaf den man een goede fooi, die hem een grijnslach ontlokte—iets zeer bijzonders voor een Londensch chauffeur en daarop begon hij het drietal omzichtig te volgen.

Zij gingen niet ver, want nog geen vijf minuten, nadat de achtervolging een aanvang had genomen, zag Raffles hen een tamelijk deftig wijnhuis binnentreden, waar hij vroeger zelf wel eens geweest was en dat aan een Italiaan toebehoorde.

Hij haastte zich, daar op zijn beurt binnen te gaan, en hij had het geluk niet ver van den ingang een plaatsje te krijgen in de buurt van de drie inbrekers, die zich reeds aan een tafeltje hadden neergezet, en juist met den kellner spraken.

Raffles zette zich half met den rug naar de drie mannen toe, maar zoo, dat hij in een reusachtigen wandspiegel gemakkelijk de gelaatstrekken van de drie mannen kon waarnemen, en op al hun bewegingen kon letten, zonder dat hij in het oog viel. [15]

De kellner kwam aandragen met drie glazen port, welke hij voor de drie heeren nederzette, en toen de man hun weer zijn rug had toegedraaid, zag Raffles, hoe één hunner, die blijkbaar een soort aanvoerder was, de man met den grooten krommen neus, zijn hand in zijn binnenzak stak, en daar een tamelijk dik pak bankbiljetten uit te voorschijn haalde.

Hij krabbelde iets op het marmer van zijn tafeltje met een stompje potlood, na het eerst tusschen zijn lippen te hebben bevochtigd, wischte het met zijn vingertoppen nonchalant weg, na het aan zijn beide vrienden te hebben laten zien, en begon toen, na een snellen en onderzoekenden blik om zich te hebben geworpen, het geld te verdeelen, waarbij ieder een gelijke portie scheen te krijgen.

Raffles had zich een krant laten geven, waarin hij met zijn zakmes een klein gaatje had geprikt, en zoodoende kon hij in den spiegel dit alles zien en duidelijk waarnemen, zonder dat de drie schelmen iets anders konden gelooven dan dat daar een heer ijverig, en zonder iets anders te zien of te hooren, in zijn blad verdiept was.

Nadat de verdeeling van de bankbiljetten had plaats gehad, hetgeen nauwelijks een paar minuten duurde, sloegen de drie mannen hun glas wijn naar binnen dat zij besteld hadden, betaalden, stonden op en gingen weder heen.

Dadelijk wenkte Raffles den kellner, wierp tegelijkertijd een zilverstuk op tafel, stond haastig op, en was binnen een paar stappen bij het tafeltje waaraan zooeven de drie verdachte individuen gezeten hadden.

Het kleine rekensommetje, zooeven door den man met den krommen neus op het marmer geschreven, was slechts onvoldoende uitgewischt, en Raffles kon de cijfers duidelijk onderscheiden.

„Duizend pond voor zijn drieën,” mompelde hij zachtjes voor zich heen. „Het is een aardig bedrag voor lieden van hun slag, maar ik denk wel niet, dat zij hiermede tevreden zullen zijn! Ik geloof dat ik er al voor een gedeelte achter ben—het is een brutale chantage zaak!”

Raffles verliet nu het wijnhuis, en toen hij buitenkwam zag hij de drie mannen, die hij zoo hardnekkig achtervolgde, een twintigtal meter verder voor zich uit loopen.

Zij stonden juist stil, en de man die zich het laatst bij de twee anderen gevoegd had, nam met een handdruk afscheid van zijn kameraden en ging zijns weegs.

De man met den Cyrano de Bergerac-neus en de ander gingen nog een paar honderd meter verder, en toen stonden ook zij stil om afscheid van elkaar te nemen.

Het besluit van Raffles was spoedig genomen.

„Ik bezit helaas nog niet de bekwaamheid om mijn lichaam te splitsen,” mompelde hij voor zich heen, „ik geloof er het beste aan te doen, als ik dien man volg, die de grootte van zijn neus wel wat overdreven heeft. Ik ben er zeker van dat hij beschouwd moet worden als de chef van de kleine bende.”

Steeds zorgende, dat hij niet gezien werd, en onmiddellijk stilstaande, wanneer de man, dien hij vervolgde, dit eveneens deed, zette Raffles de jacht voort, altijd te voet.

Maar na een half uur loopens scheen het wild eindelijk zijn doel te hebben bereikt.

Raffles zag hoe de man stilstond voor een tamelijk oud huis, waarvan de voordeur openstond, even scheen na te denken of hij niet verder zou gaan, en toen binnentrad.

Raffles wachtte slechts eenige oogenblikken, en ging toen op zijn beurt het huis binnen, een soort pension, waar, in de vestibule, een portier op en neer liep, aan den voet van de vergulde liftkooi.

Juist toen Raffles de vestibule betrad zag hij hoe het ondereinde van de lift voor zijn oogen verdween,—ongeveer ter hoogte van de derde verdieping naar hij meende.

Hij trad glimlachend op den portier toe en zeide als terloops:

„Dat was immers mijnheer Green, die daar met de lift naar boven ging?”

„Neen, mijnheer, dat was mijnheer Crusham van de vierde verdieping—u bedoelde toch zeker dien heer met zijn nog al grooten neus?”

„Neen, ik bedoelde Green!” antwoordde Raffles rustig. „Woont die hier dan niet?”

„Ik weet zeker van niet, mijnheer—misschien hiernaast!” antwoordde de portier. „Maar in ieder geval was de heer, die zooeven met de lift naar boven ging, mijnheer Crusham van vier hoog.”

„Nu, dan ga ik maar weer heen, ik zoek niet naar [16]Crusham, ik zoek naar Green,” antwoordde Raffles lachend.

En met deze woorden verliet hij het huis weder.

Op straat gekomen riep hij de eerste de beste huurauto aan, en liet zich naar de Regent Street brengen.

En gedurende den geheelen rit was Raffles zoodanig in gedachten verzonken, die zich alleen bewogen om het drama in de Sutherland Avenue, dat hij met een schok weder tot het bewustzijn kwam, toen de auto stilhield, meenende, dat de rit niet langer dan eenige minuten geduurd had, terwijl het toch inderdaad een half uur was geweest.

Zoodra hij zijn overgoed had afgelegd en in handen gegeven had van zijn trouwen, grijzen kamerbediende Gaston, begaf hij zich naar de rookkamer, waar hij wel wist, Charly op dat oogenblik te zullen aantreffen.

Inderdaad had de jonge man zich naar dit geliefkoosde vertrek begeven, in gezelschap van een half dozijn sporttijdschriften.

Raffles schraapte een oogenblik zijn keel, nadat hij de deur had geopend, en riep uit:

„Mijn hemel, je kunt hier den rook wel snijden! Waarom zet je toch geen raam open?”

„Omdat dan de rook te gauw zou wegtrekken!” antwoordde Charly kalm. „Ik vind het pleizierig, door den rook van een voortreffelijke sigaar te worden omgeven.”

„Je bent een benijdenswaardig mensch, Charly—een normaal individu zou het in deze atmosfeer zeker geen vijf minuten uithouden! Sta mij toe, dat ik even een raam openschuif, want hoewel ik zelf niet afkeerig ben van een goede sigaar—dit gaat mijn krachten te boven!”

Met een paar stappen was Raffles bij het raam, dat hij snel opende, en in dichte golven trok de rook nu naar buiten.

„Zoo nu kan ik tenminste weer ademhalen, en verslag uitbrengen!” zeide Raffles lachend.

„Is je tocht met succes bekroond? Heb je hun verblijfplaats ontdekt!” vroeg Charly nieuwsgierig.

„Van één hunner tenminste, ik vermoed van den aanvoerder, ken ik de woonplaats!” antwoordde Raffles.

„Dat is de man met zijn geweldigen neus?”

„Juist, hij heet Crusham, en hij woont in een pension in de Nelson Street. Maar dat is niet het voornaamste, wat ik ontdekt heb! Nadat de twee heeren inbrekers het huis van Harris verlaten hadden en met hun huurauto omstreeks een half uur gereden hadden, stapten zij uit en wachtten eenige minuten, waarop zich een derde man bij hen voegde—hoogstwaarschijnlijk hun makker bij de onderneming van gisternacht. Zij gingen daarop een wijnhuis binnen—en wat denk je dat ze daar deden?”

„Wijn drinken!” opperde Charly.

„Ook dat! Maar onder het drinken van dien wijn verdeelde de man met den grooten neus een groot aantal bankbiljetten. Hij maakte daarbij een rekensommetje op het marmer van zijn tafeltje, dat hij zoo nonchalant uitwischte, dat ik naderhand de cijfers nog tamelijk goed kon lezen—er was duizend pond te verdeelen!”

„En—dat bedrag zouden zij in het huis van Harris hebben ontvangen?”

„Daar behoef je geen seconde aan te twijfelen!”

„Maar dan moet Edith Harris hun dat bedrag hebben uitbetaald!”

„Dat staat als een paal boven water—en het bewijst zoo klaar als de dag, dat het nobele drietal de ongelukkige vrouw in zijn macht heeft en in het bezit is van een geheim, dat zij tot iederen prijs—bijvoorbeeld voorloopig voor duizend pond sterling, wil bewaren! En omdat ik het nooit heb kunnen aanzien, Charly, dat drie mannen tegen een enkele vrouw samenspannen, daarom zullen wij die drie schurken eens duchtig in het oog houden—en hun plannen dwarsboomen!” [17]