[Inhoud]

HOOFDSTUK V.

De hooge hoed.

Zoodra Raffles zich met al zijn stoutmoedigheid en scherpzinnigheid op één of andere onderneming had geworpen, rustte hij ook niet, voor hij haar tot een goed einde had gebracht.

Reeds in honderd verschillende, meestal aanmerkelijk uiteenloopende zaken had Charly de opmerking kunnen maken, dat Raffles in zulke tijdperken van ontembaren lust tot daden voor geen vermoeienis terugschrikte, dag en nacht met elkander verwisselde, de uren der maaltijden eenvoudig vergat, en alles scheen op te offeren aan de bereiking van het doel, dat hij zich gesteld had.

En juist als hij voor derden handelde, en zelf waarschijnlijk niet het minste geldelijke voordeel zou behalen bij de onderneming, welke hij begonnen was, ontplooiden zich zijn ongelooflijke werkkracht en zijn scherpzinnigheid in hun vollen luister.

Hij had zich thans tot taak gesteld het geheim van de Sutherland Avenue op te lossen en Edith Harris te beschermen, die klaarblijkelijk in de handen was gevallen van een drietal gewetenlooze afzetters, en hij was voornemens die taak tot het einde te volbrengen.

Reeds den volgenden dag begon Raffles dan ook een aanvang te maken met zijn onderzoek en zijn netten uit te zetten.

Na zich te hebben vermomd op een wijze, die den nijd zou hebben gaande gemaakt van den besten beroepsacteur, en nadat Charly dit voorbeeld had gevolgd, begaven de beide mannen zich naar het huis van Harris, voorzien van verschillende papieren en insignes, die moesten bewijzen, dat zij detectives in particulieren dienst waren.

Het was omstreeks half twaalf in den morgen, toen Raffles op de electrische schel naast de zware huisdeur van het huis in Sutherland Avenue drukte.

Een bejaarde buttler deed de deur open, en liet de beide bezoekers binnen, nadat Raffles zijn kwaliteit en die van zijn metgezel had genoemd.

„Wat wenscht gij?” vroeg de buttler op tamelijk onvriendelijken toon.

„Wij zouden gaarne aanstonds met mevrouw Edith Harris gesproken hebben!” antwoordde Raffles.

„Ik betwijfel of zij u kan ontvangen, mijnheer!” hernam de buttler hoofdschuddend.

„Zeg mevrouw maar, dat wij voor een hoogst belangrijke zaak komen—in de zaak van de duizend pond! Als je dat maar zegt, geloof ik dat mevrouw ons dadelijk zal toelaten!”

De buttler zette verbaasde oogen op, maar hij wees zwijgend naar één der zware eikenhouten banken, die hier en daar tegen de wanden van de vestibule stonden, en wilde zich verwijderen toen Raffles hem terugriep:

„Luister eens vriend, voor je je verzoek gaat overbrengen!” begon de Gentleman-Inbreker. „Hoe komt het eigenlijk, dat gij ons de deur hebt geopend? Dat is toch het werk van den huisknecht?”

„De huisknecht is er niet meer—hedenmorgen vertrokken!” antwoordde de buttler op grimmigen toon.

„Maar het dienstmeisje of de kamenier dan?”

„Die is op het oogenblik boven bij mevrouw! Maar zij en ik zijn de eenigen die gebleven zijn! De anderen zijn weggeloopen—zij wilden hier niet langer blijven.”

„Misschien wilden zij niet langer zijn in een huis, [18]waar zulk een vreeselijke misdaad is gepleegd?” kwam Charly Brand.

„Dat zal het wel geweest zijn, mijnheer!” antwoordde de buttler brommend, en hij deed opnieuw een stap in de richting van de trap.

Maar weer riep Raffles hem terug:

„Vertel mij eens, goede vriend—hoe kunt gij het verklaren, dat geen van de bedienden iets gehoord heeft van het revolverschot?”

„Dat is zoo verwonderlijk niet, mijnheer!” antwoordde de buttler schouderophalend. „De muren hier in huis zijn overal zeer dik, er liggen zware tapijten in het werkvertrek, die het geluid dempen, en alle bedienden slapen in een heel ander gedeelte van het huis—aan den anderen kant van de binnenplaats. Ik geloof dat men zelfs met een geweer in die kamer zou kunnen schieten, zonder dat wij het kunnen hooren, tenminste als de deuren dicht zijn!”

„Gij zelf wist er natuurlijk ook niets van, dat uw meester reeds eergisterennacht zou terugkeeren?”

„Niets, mijnheer! Mijnheer was niet erg mededeelzaam!” bromde de buttler. „Ik wist heelemaal niet, wanneer hij zou terugkomen.”

„Nu zal ik u een vraag stellen, mijn vriend, die u misschien wat onaangenaam in de ooren zal klinken, maar die ik toch moet doen, om mij een beter inzicht in de zaak te kunnen vormen,—hoe was de verstandhouding tusschen mevrouw Edith Harris en haar echtgenoot?”

De buttler slaakte een uitroep van verontwaardiging en antwoordde:

„Denkt gij dat ik daarop antwoord, mijnheer? Hebt gij ooit van een bediende gehoord, die vijftien jaren ergens in huis is, en antwoordt op zulke vragen?”

„Laat het dan maar, vriend!” antwoordde Raffles bedaard. „Maar gij zult er toch wel niets op tegen hebben, mij te antwoorden op de vraag, of gij veel van—uw meesteres houdt?”

„Als gij dat zoo graag weet, mijnheer—ik zou voor haar door een vuur gaan!” antwoordde de buttler en zijn oogen werden vochtig terwijl hij dit zeide.

„Dank u. Nu weet ik, dat de verstandhouding tusschen mijnheer en mevrouw Harris alles te wenschen heeft overgelaten!”

De buttler keek Raffles in de grootste verbazing aan en het was alsof er een angstige uitdrukking in zijn oogen kwam.

Toen stamelde hij:

„Hoe komt gij daarbij? Dat heb ik volstrekt niet gezegd!”

„Neen, gezegd hebt gij het niet—en toch is het zoo!” hernam Raffles glimlachend. „Doe maar geen moeite, er achter te komen, waaruit ik dit zoo eensklaps afleid—het is nogal ingewikkeld, ziet gij! Zeg eens—hoe laat hebben de bedienden zich eergisteravond ter ruste begeven?”

„Op den gewonen tijd, mijnheer—omstreeks half twaalf.”

„Was mevrouw Edith dien avond uitgeweest?”

„Ja, naar de comedie.”

„Hoe laat keerde zij terug?”

„Iets voor half twaalf!”

„Wie opende haar de deur?”

„De huisknecht.”

„Wat zeide zij toen?”

„Niets anders dan dat wij allen maar naar bed moesten gaan!”

„Natuurlijk behalve het kamermeisje, dat haar bij haar nachttoilet behulpzaam moest zijn?”

„Neen, mevrouw zond Dora ook aanstonds naar bed want zij zeide dat zij zware hoofdpijn had en haar hulp kon ontberen.”

„Zoo!” zeide Raffles kortaf.

Hij scheen er nog iets aan toe te willen voegen, maar bedacht zich, en liet den buttler gaan, die de trap besteeg, om het bezoek bij zijn meesteres te gaan aankondigen.

Slechts weinige minuten later keerde hij haastig terug en begon reeds boven aan de trap te spreken:

„Mevrouw verzoekt u aanstonds bij haar te komen! Snel, als ik u verzoeken mag! Mevrouw schijnt buitengewoon opgewonden te zijn—ik begrijp niet wat haar scheelt! Volg mij, heeren!”

Raffles en Charly beklommen op hun beurt haastig de trap en een oogenblik later werden zij door den buttler in een fraai, op de tweede verdieping gelegen boudoir gelaten, waar Edith Harris hen ontving, met een bevende hand op het blad van een kleine tafel leunend, en zoo wit als de zakdoek, dien zij in de kleine vuist geklemd hield.

De buttler wierp zijn meesteres een angstigen, liefdevollen blik toe, en daarop trok hij zachtjes de deur toe. [19]

Nauwelijks was deze achter hen dichtgevallen, of Edith trad op Raffles toe, en vroeg op heeschen gefluisterden toon:

„Wie zijt gij mijnheer? Wat hebt gij tegen Henry gezegd? Wat bedoelt gij met de duizend pond? Wat weet gij?”

In plaats van aanstonds te antwoorden, geleidde Raffles de doodsbleeke vrouw naar een sierlijke, kleine sofa, liet haar daar neerzitten, schonk kalm een glas water voor haar in, en dwong haar een paar teugen te drinken.

Hij nam haar het glas weder af, zette het op de tafel neder, keek de jonge weduwe doordringend aan, en begon toen, rustig sprekend, en geen oog van haar gelaat afwendend:

„Wij zijn particuliere detectives, mevrouw—maar misschien van een ander en een beter soort, als men ze gewoonlijk aantreft. Ons is veel bekend, wat anderen ontgaat, en ik mag gerust zeggen, dat wij heel wat weten, wat voor de mannen van Scotland Yard een duister raadsel is. Wij zijn hier gekomen om den moord op uw man op te helderen—en wij zullen hem ophelderen, ondanks alles!”

Edith Harris wierp Raffles een verwilderden blik toe en zeide, na eenige malen moeilijk te hebben geslikt:

„Er valt niets op te helderen, mijnheer—mijn echtgenoot is gedood door drie inbrekers—en die zullen wel nooit worden teruggevonden! Hun spoor is de politie geheel en al bijster!”

„Dan valt het te betreuren, mevrouw, dat gij haar niet een weinig de behulpzame hand wilt bieden—door haar bijvoorbeeld op het spoor te brengen van de twee mannen, die hier gistermiddag bij u geweest zijn, en toen van u een som van duizend pond sterling kregen, om met nog een derden man te verdeelen!”

Terwijl Raffles sprak, was Edith Harris langzaam van de sofa opgerezen, met halfgeopenden mond en starende oogen, als zag zij een spookverschijning.

Toen strekte zij de handen afwerend voor zich uit, slaakte een doffen kreet en viel achterover.…

Zij was in zwijm gevallen.…

Raffles schonk onmiddellijk het glas weder half vol water, nam een klein fleschje uit zijn vestzak, ontkurkte het en liet een paar druppels van het lichtgroene goedje, dat het bevatte, in het water vallen.

„Houd haar mond eens open!” zeide hij op zachten toon, zich tot Charly wendende.

De jonge man trad op de bewustelooze vrouw toe, opende niet zonder moeite de opeengeklemde tanden met behulp van een vouwbeen, dat hij op de kleine secretaire vond liggen, en nu vond Raffles gelegenheid, een weinig van den inhoud van het glas in haar keel te gieten.

Toen trad Raffles terug en bleef een oogenblik naar de vrouw zien, die daar bleek en roerloos op de sofa lag.

„Er zullen wel tien minuten verloopen, voor zij weer bij kennis komt,” mompelde hij halfluid voor zich heen. „Wij konden van die gelegenheid wel eens gebruik maken, een klein onderzoek in te stellen.

„Hier?” kwam Charly verwonderd. „In welk opzicht zou het onderzoek van dit boudoir je van nut kunnen zijn, om het geheim van den dood van Harris op te lossen?

„Zeg dat niet te bout! Ik ben er zeker van dat Edith Harris bij de zaak betrokken is, en het zou dus niet zoo verwonderlijk zijn als wij in haar boudoir het geheim van den dood van Harris ophelderen. Wij zullen maar eens eerst zien, waartoe de verschillende deuren toegang geven.”

Hij deed snel eenige stappen in de richting van een der deuren, welke het vertrek rijk was, en ging voort:

„Dit is de gangdeur, waardoor wij zijn binnengetreden.”

Hij opende een tweede deur, keek even naar binnen, en zeide toen, zich tot Charly wendende:

„Dit is de slaapkamer van de vrouw des huizes—waarlijk vorstelijk ingericht. En nu eens zien waarheen ons de derde deur brengt!”

Raffles moest, om deze derde deur te bereiken, het vertrek in zijn volle lengte oversteken, en toen hij de deur opende zag hij in een smalle, schaars verlichte gang, aan het einde waarvan hij het begin van een trap kon onderscheiden.

Hij bleef een oogenblik staan, sloot toen de deur weder, en kwam langzaam met de hand aan de kin naar het midden van het vertrek terug, en zeide, als een antwoord op een onuitgesproken vraag van Charly:

„Een achtertrap, die waarschijnlijk toegang geeft tot een kleine zijdeur.” [20]

Hij keek rond, zag op een klein tafeltje een hengselmandje staan, trad er op toe, nam den sleutelbos er uit, en opende achtervolgens een paar wandkasten die beiden op slot bleken te zijn.

Hij onderzocht met een snelheid, die slechts door langdurige praktijk te verkrijgen is, de twee kasten, en kwam na een paar minuten glimlachend naar Charly toe.

Hij had een fijnen, waarschijnlijk zeer duren cylinderhoed in de hand, welken hij zachtjes heen en weer schommelde.