[Inhoud]

HOOFDSTUK VI.

Het gat in de schilderijlijst.

„Wat heb je daar?” vroeg Charly nieuwsgierig. „Een hoogen hoed?”

„Zoals je ziet! En nog wel een splinternieuwe.”

„Wat vreemd dat mevrouw Harris de hoeden van haar man in een kast van haar boudoir verbergt.”

„Dat mag je inderdaad vreemd noemen, mijn waarde!” hernam Raffles.

Hij keek in de binnenzijde van den met wit satijn gevoerden hoed, en vervolgde halfluid:

„Gekocht bij Thornton aan het Strand.…. No. 56, … en dan die initialen van den eigenaar, nu zal ik je een kleine verrassing doen beleven, Charly.… die initialen zijn niet van Harris.

„Wat zeg je daar?” riep Charly verwonderd uit. „Het is dus geen hoed van haar man?”

„Dat schijnt zoo” antwoordde Raffles glimlachend. „Met gouddraad zijn er twee letters ingestikt—een J en een N!”

„Maar dan—dan …” begon Charly stotterend.

Hij wilde nog iets opmerken, maar juist op dat oogenblik maakte Edith Harris een beweging.

Raffles was met een paar sprongen bij de kast, legde er den hoed weder neer, deed de deur op slot, en liet den sleutelbos weder in het mandje vallen.

Juist op dat oogenblik sloeg Edith Harris haar oogen met een verwilderden blik weder op, ging overeind zitten, en wreef met een vaag gebaar haar hand over haar voorhoofd.

Toen vroeg zij op zwakken toon:

„Wat is er toch met mij geschied? Wie zijt gij mijne heeren, en wat wenscht gij?”

„Als gij nog slechts enkele oogenblikken goed nadenkt, mevrouw, dan zult gij u die vraag zelve kunnen oplossen!” antwoordde Raffles op ernstigen toon.

Edith Harris. keek strak voor zich uit en scheen met moeite haar gedachten te verzamelen.

En snel scheen de herinnering weder terug te keeren aan hetgeen er zooeven geschied was.

Dat was duidelijk te zien aan de snel wisselende uitdrukking van haar bleek gelaat.

En eensklaps liet zij zich weder languit op de sofa vallen en barstte in een hartstochtelijk geween uit, het hoofd in de kussens verbergend.

Raffles trad op haar toe, legde zijn hand op den schokkenden schouder, en zeide op denzelfden ernstigen toon van zooeven:

„Ik geloof dat gij er het verstandigst aan zou doen mevrouw, als gij ons onomwonden de waarheid zeidet.”

„Neen, dat kan ik niet!” kreet de jonge vrouw wanhopig. „Ik kan de waarheid niet zeggen—die moet voor altijd begraven blijven!”

„Maar begrijpt gij dan niet, mevrouw, dat de schurken, die hier gisteren bij u geweest zijn om u geld af te zetten, het niet bij dezen keer zullen laten, maar terug zullen keeren? Begrijpt gij dan [21]niet dat zij u het leven tot een hel zullen maken en dat zij telkens onbeschaamder in hun eischen zullen worden? Het is mij duidelijk dat zij het geheim weten van dit huis—dat zij weten wat hier eergisterennacht is voorgevallen. Ik begrijp ook, dat zij die wetenschap te gelde willen maken, dat zij u in zekeren zin in hun macht hebben—welnu, ik bied mij aan, om die ellendelingen te bestrijden—en ik geloof, dat ik hen zal kunnen overwinnen—maar daarvoor is het noodig, dat gij mij de waarheid, de volle waarheid zegt.”

Een vlammend rood steeg op in de wangen van de jonge vrouw, toen zij antwoordde:

„Dat kan ik niet, mijnheer, dat zal ik nooit kunnen!”

„Bedenk wel, mevrouw, dat wij detectives zijn, en dat men ons niet tot de domsten rekent,” hernam Raffles. „Wat gij ons niet zeggen wilt—of om de een of andere reden niet zeggen kunt, dat zullen wij toch wel ontdekken, ook zonder uw wil!”

Maar nu sprong Edith plotseling op, en plaatste zich met fonkelende oogen voor Raffles, terwijl zij uitriep:

„Als gij een man van eer zijt, mijnheer, dan neemt gij genoegen met de verklaring, die ik reeds heb afgelegd voor den rechter-commissaris. Ik wil niet dat er in die vreeselijke zaak gewoeld wordt! Wat ik met die mannen, van wie gij spreekt, te doen had—dat is een zaak tusschen ons en ik wil niet, dat dit ruchtbaar wordt. Het mag tot geen enkelen prijs ruchtbaar gemaakt worden, want anders zou ik het besterven!”

„Gij zoudt het dus kalm kunnen aanzien, mevrouw, dat die gewetenlooze ellendelingen u het mes op de keel blijven zetten?” hernam Raffles.

„Liever dat, dan.… Genoeg, mijnheer!” zoo viel Edith zichzelf in de rede. „Ik stel het op prijs, dat gij mij van dienst hebt willen zijn, maar ik smeek u, u niet verder met de zaak in te laten!”

„Ik zal u dus wel niet geneigd vinden, mevrouw, mij op een paar vragen te antwoordden, met betrekking tot den moord op uw echtgenoot?”

„Alles wat ik kon zeggen, heb ik reeds aan de politie medegedeeld, mijnheer,” antwoordde de jonge vrouw.

„Duid het mij niet ten euvel, mevrouw, wanneer ik hier de opmerking maak, dat gij hier blijkbaar een onwaarheid zegt. Het is onmogelijk dat gij alles hebt medegedeeld aan de politie. Gij hebt o. a. nagelaten, haar in kennis te stellen met het voorval, hetwelk aan de drie schurken, waarvan ik u gesproken heb, een zoo scherp wapen in handen gegeven heeft!”

Edith Harris beet zich op de lippen, maar zij gaf geen antwoord.

En Raffles begreep wel, dat hij uit den mond van de echtgenoote van den vermoorde niets meer zou kunnen vernemen, al begreep hij, dat zij alles moest weten—en al geloofde hij ook de redenen te kennen, die haar geboden te zwijgen—zelfs ten koste van een hoogen losprijs aan de bandieten, die, evenals zij, de waarheid, of althans een deel daarvan kenden.

Dat geen der inbrekers aan de misdaad schuldig was, stond reeds van het eerste oogenblik, dat Raffles de bijzonderheden kende, bij hem vast.

Had zij zelven haar man neergeschoten?

Of—was er misschien nog een ander in het spel—een geheimzinnige persoon die tot op dit oogenblik op den achtergrond was gebleven?

Raffles was vastbesloten dit uit te maken, ofschoon hij eveneens het voornemen koesterde, de ongelukkige vrouw zooveel mogelijk te sparen—tenzij zij zelve den moord op Harris op haar geweten zou blijken te hebben.

Hij gaf Charly een wenk, maakte een stijve buiging voor Edith Harris en zeide:

„Wij zullen, met uw welnemen, mevrouw, nu nog even een onderzoek instellen in de werkkamer van uw echtgenoot, waar zich het drama heeft afgespeeld. Daartegen zult gij toch wel geen bezwaren hebben?”

„Gij kunt doen wat gij wilt, mijnheer” zeide Edith eenigszins ongeduldig. „Ik kan mij echter volstrekt niet voorstellen, wat gij daar nog denkt te kunnen vinden, de politie is daar ook al geweest!”

Maar Raffles haalde glimlachend de schouders op en antwoordde:

„Ik wil volstrekt niet afdingen op de kunde der officieele politie, mevrouw, maar het moet mij van het hart, dat zij een weinig is vastgeroest in sleur, en dat haar onderzoekingen soms wel eens mank gaan aan gemis aan grondigheid. Misschien komt het, omdat wij particuliere detectives ons meer tijd gunnen, en de zaken daardoor met wat meer aandacht kunnen onderzoeken.” [22]

„Ik zal u een bediende medegeven, mijnheer,” zeide Edith met toonlooze stem, en reeds strekte zij de hand uit naar de electrische schel in den vorm van een kleine schildpad, die op het fijnbewerkte damesbureautje stond, maar nog voor zij den vinger op den knop had kunnen drukken, zeide Raffles haastig:

„Dat is volstrekt niet noodig, mevrouw. Mijn kameraad en ik weten de werkkamer van uw echtgenoot ook zoo wel te vinden!”

Edith zeide niets meer, maar liet de beide gewaande detectives met een stommen hoofdknik gaan.

Raffles en Charly daalden de trap af, die met dikke loopers bedekt was, volgden de breede gang, en bereikten tenslotte de werkkamer, waar zij zich slechts een paar dagen geleden onder geheel andere omstandigheden bevonden hadden.

Met den eersten oogopslag zagen zij, dat alles in volmaakt denzelfden staat was gebleven.

Zelfs geen stoel was verzet, en het bureau stond juist op dezelfde plaats.

Raffles wandelde, zachtjes fluitend, en met de handen diep in zijn zakken een paar malen het vertrek op en neer, om tenslotte voor Charly stil te staan, en hem met zachte stem toe te voegen:

„Ik geloof Charly, dat er langzamerhand teekening in het geval begint te komen. Nog altijd ben ik van meening, dat het volkomen ondenkbaar is dat een der drie inbrekers Harris heeft neergeschoten. Er is hier bepaald iemand anders in het spel geweest—en ik zou er mij niet over verwonderen, wanneer die iemand zijn hoeden kocht bij Thornton aan het Strand!”

Charly liet een zacht gemompel van verrassing hooren en vroeg toen:

„Je meent dus dat hier een man in huis is geweest in den nacht van den moord.”

„Dat acht ik tenminste zeer waarschijnlijk. Ik heb nog nooit gehoord dat het de gewoonte is van dames, om een splinternieuwen, hoogen hoed van dezen of genen aanbidder als souvenir te bewaren. Wel heb ik daarentegen vernomen, dat mevrouw Harris in de laatste maanden zeer vriendschappelijk omging met.… een lid van onze club, van wien de hooge hoed, dien wij in de kast vonden, zeer wel zou kunnen zijn, want hij heet John Nilly, en hij is rijk genoeg om zulke dure dingen aan te schaffen!”

„Dat is waar ook!” riep Charly opgewonden uit. „Ik heb mij meermalen onder de roos laten mededeelen dat er zeer waarschijnlijk iets gaande was tusschen Nilly en de mooie mevrouw Harris!”

„Nu als wij dat eenmaal als vaststaande aannemen, dan kan ik niet inzien wat er valt in te brengen tegen de stelling, dat de jonge man hier in den nacht van de misdaad geweest is. Vergeet niet dat Harris voor zaken op reis was, en dat zijn vrouw niet beter wist, of hij zou nog een paar dagen op zijn minst weg blijven!”

„Alles goed en wel—maar hoe is het mogelijk, dat het drama zich hier heeft afgespeeld?” ging Charly voort. „Als Harris onverwachts is thuisgekomen, omstreeks twee uur, dan ligt het toch voor de hand, dat hij de beide schuldigen waarschijnlijk elders heft aangetroffen dan in zijn werkkamer!”

„Daar zal wel een of andere reden voor zijn, Charly,” antwoordde Raffles, die in een leunstoel was gaan zitten, en nu langzaam zijn blikken door het vertrek liet dwalen.

Eindelijk bleven zij gevestigd op het schrijfbureau, waarachter hij en Charly in dien noodlottigen nacht het lijk van Harris hadden zien liggen.

Toen ging hij weder op gedempten toon voort:

„Harris stond achter zijn bureau, toen de noodlottige kogel hem trof, zeer waarschijnlijk afgeschoten door denzelfden man, die, in zijn overhaasting om te vluchten, zijn hoogen hoed achterliet in het boudoir van Edith Harris. Voorzoover ik mij kan herinneren, was het overhemd van Harris volstrekt niet geschroeid, waaruit blijkt, dat het schot in ieder geval op hem gelost is op een afstand van minstens een meter—wij kunnen wel aannemen, dat het schrijfbureau zich moet hebben bevonden tusschen de beide tegenstanders.”

„Het woord tegenstander lijkt mij hier niet zeer goed gekozen, Edward,” zeide Charly. „Want in dat geval denkt men altijd aan gelijkwaardige vijanden en daarvan kan hier geen sprake zijn, want Harris is klaarblijkelijk geheel weerloos geweest, en heeft zich niet kunnen verdedigen. Men heeft geen enkel wapen in zijn zak of ergens anders op den vloer gevonden. Wij zelven hebben er ook geen gezien!”

„Dat is zoo—maar dat zou natuurlijk nog niet [23]veel bewijzen, want voor wij er kwamen, waren de drie inbrekers er reeds geweest!”

„Maar welk belang zouden die drie schurken er bij kunnen hebben, een dooden man te ontwapenen?” riep Charly verwonderd uit.

„O, daar kunnen redenen genoeg voor zijn!” antwoordde Raffles. „Maar laten wij ons niet inlaten met theoretiseeren, al wil ik de waarde daarvan niet ontkennen.”

Raffles was opgesprongen, en liep nu, het hoofd een weinig voorovergebogen, de lippen gespitst, langzaam door het vertrek, terwijl er niets ontging aan zijn scherpen blik, geen enkele bijzonderheid hoe klein ook.

Zoo bereikte hij tenslotte den wand van het groote vertrek, waar een paar fraaie olieverfschilderijen hingen, die klaarblijkelijk vader en moeder van Harris moesten voorstellen, en waarvan de onderkant der breede vergulde lijsten bijna rustte op den eikenhouten rand van de lambriseering, die tot op manshoogte langs de vier wanden van het vertrek liep.

Eensklaps bleef hij staan, trok een stoel naar zich toe, klom er op, en bekeek met groote aandacht de lijst van een der beide schilderijen.

Toen haalde hij zijn gouden potloodje te voorschijn, en scheen daarmede iets aan de lijst te verrichten, hetwelk Charly niet aanstonds duidelijk onderscheiden kon.

„Wat doe je daar toch?” vroeg hij eindelijk nieuwsgierig. „Is er iets bijzonders aan die schilderijlijst?”

„Er is in zooverre iets bijzonders aan te zien, dat er een kogelgat in zit, mijn waarde!”

„Een kogelgat?” riep Charly verbaasd uit. „Hoe is dat mogelijk?”

„O, heel eenvoudig—men zal er op geschoten hebben!” antwoordde Raffles laconiek.

„Dus?”

„Dus mogen wij gerust aannemen, dat Harris zich wel degelijk verweerd heeft, en misschien zelf wel het eerst heeft geschoten!”

„Maar dan zijn wapen? Zijn revolver?” riep Charly op ongeloovigen toon. „Waar zou die dan gebleven zijn?”

„Die is natuurlijk, voor wij kwamen, door iemand weggenomen—en zeer zeker niet door Edith Harris, want die had er toch zeker alle belang bij, als naderhand bewezen kon worden, dat haar minnaar niet zonder meer haar echtgenoot had neergelegd, maar dat er een soort tweegevecht heeft plaats gehad!”

„Je spreekt daar rustig een groot woord uit, Edward!” hernam Charly. „Is het wel zeker dat Nilly de minnaar is van Edith Harris, of geweest is?”

„In ieder geval moet hij haar wel zeer intiem kennen—als hij zijn hoed in haar slaapkamer achterlaat!”

„Pardon, je bedoelt in haar boudoir!”

„Boudoir of slaapkamer dat is voor een vrouw van de wereld hetzelfde! In ieder geval heeft zij dien hoed aanstonds voor haar man willen verbergen nadat Nilly haar verliet—en hij heeft haar wel zeer overhaast moeten verlaten, dat hij zelfs zijn hoed niet meer kon medenemen!”

„Hoor eens, Edward—ik moet je eerlijk bekennen, dat de zaak voor mij nu pas onduidelijk wordt!” riep Charly uit. „Aanvankelijk meende ik dat ik de zaak tamelijk goed doorzag, maar ik kom op dat inzicht terug—ik begrijp er geen sikkepit meer van!”

Raffles haalde de schouders op en hernam:

„Voor mij is de zaak glashelder—op de verdwijning van de revolver na, maar ook in dat opzicht denk ik niet langer in duister te zullen rondtasten, zeer waarschijnlijk is het wapen weggenomen door personen, die er belang bij hadden het te doen voorkomen, alsof hier een moord had plaats gevonden!”

„De eenige, die er belang bij zouden hebben, zijn de drie inbrekers!” riep Charly uit.

„Juist—en wij zullen ons haastten, dit eens nader te gaan onderzoeken, Charly! En kom nu eens hier, en help mij!”

Charly trad naderbij en vroeg:

„Wat moet ik doen?”

„Duw het schilderij eens zoover je kunt opzij—de kogel is dwars door de zware lijst heengegaan en waarschijnlijk in den muur blijven steken.”

Charly klom eveneens op een stoel en niet zonder moeite duwde hij het zware schilderij zoover op zij, dat de plek bloot kwam, waar de revolverkogel aan de achterzijde de lijst weder verlaten had en in het bovenste gedeelte van de lambriseering was blijven steken.

Met eenige moeite wist Raffles het projectiel te [24]verwijderen, na het zware eikenhout met zijn scherp zakmes gedeeltelijk te hebben weggesneden.

Hij vatte nu het voorwerp tusschen duim en vinger en zeide:

„Een geblindeerde kogel—hoogstwaarschijnlijk uit een Mauser, een Parrabellum, of een Browning—drie repeteerschoten, waarvan de kogels nog op vijftig meter afstand gemakkelijk door een dikke eikenhouten plank slaan en die daardoor maar weinig misvormd worden vanwege hun stalen mantel.”

Raffles draaide de kogel om en om, en vervolgde toen:

„Ik zie het al, het is een kogel uit een Mauserpistool—kijk maar naar de spitse punt!”

„Maar zeg eens, Edward—wie waarborgt je nu, dat die kogel al niet lang geleden door de een of andere oorzaak in den muur is geschoten?”

„Hoor eens, Charly,” hernam Raffles een weinig ongeduldig, „ik geloof dat wij verstandig zullen doen, als wij aan het toeval geen grooter plaats inruimen dan het verdient! Het kogelgat is kersversch, de randen ervan zijn nog scherp, de kogel glinstert nog van nieuwheid—en daar, op den parketvloer, kun je zelfs, als je goed kijkt, nog een weinig heel fijn goudpoeder zien, dat afkomstig is van de lijst.”

Charly moest van zijn stoel afkomen, en zich diep bukken, maar toen moest hij dan ook erkennen, dat er inderdaad een paar zeer fijne korreltjes bladgoud op den vloer lagen.

Hij richtte zich op en zeide:

„Ik geef mij gewonnen—in ieder geval moet de kogel pas zeer onlangs in de schilderijlijst geschoten zijn! Nu verlang ik alleen nog maar dat je me verklaart, waar het repeteerpistool gebleven is, waarmede die kogel is afgeschoten, en wie hem heeft afgevuurd!”

„Dat zal ik je niet verklaren—dat zullen de drie schurken doen, die iets of alles van het geheim weten, en daarvan misbruik zullen maken, om die ongelukkige Edith Harris op een gruwelijke wijze af te zetten! Ga maar mede—wij zullen die heeren aanstonds eens aan den tand voelen!” [25]