Raffles liet geen tijd verloren gaan, maar hij begaf zich aanstonds naar de Nelson Street, teneinde daar naar Crusham een onderzoek in te stellen, vergezeld door Charly, die zeer nieuwsgierig was, hoe dit avontuur zou eindigen.
De huurauto, welke Raffles op straat had aangeroepen, bracht hen in minder dan drie kwartier naar het groote pension in de Nelson Street.
Zij stapten uit, en Raffles liet de auto wachten.
Daarop trad hij op den portier toe, terwijl Charly hem volgde, en vroeg:
„Is mijnheer Crusham thuis, goede vriend?”
„Ik geloof het haast wel, mijnheer!” antwoordde de man. „Ik zal het even gaan telefoneeren.”
„Neen, doe dat vooral niet!” kwam Raffles haastig. „Wij willen hem verrassen. Zeg ons maar waar zich zijn woning bevindt.”
„Op de vierde verdieping, in het achterhuis, mijnheer! Er is een groot portaal waarop een zestal deuren uitkomen, en zijn woning is naast die, op welker deur Blackman staat te lezen.”
„Uw inlichtingen zijn zoo volledig, goede vriend, dat ze voor ons ruimschoots voldoende zijn, en dat wij nu onzen man niet zullen missen!” zeide Raffles, terwijl hij den verwonderden portier een geldstuk in de hand duwde.
Hij gaf Charly een wenk en haastig begonnen de beide mannen de trappen te beklimmen.
Op de vierde verdieping gekomen stonden zij een oogenblik stil en keken om zich heen.
Juist op dat oogenblik liep er een klein en nog al haveloos dienstmeisje haastig over het portaal met een gevulde lampetkan in iedere hand.
Het was nog een kind, met het haar in een spichtig vlechtje gedraaid.
Raffles greep het wicht als het ware in de vlucht, en vroeg op fluisterenden toon, terwijl hij het een zilveren geldstuk voor de gretige oogen hield:
„Jij bent zeker het dienstmeisje van de pensionhoudster?”
„Jawel, mijnheer! Wilt u hier kamers komen zien?”
„Neen, lief kind, dat is mijn bedoeling niet! Zet die lampetkannen maar eens neer.”
Het meisje gehoorzaamde onwillekeurig, maar zij keek den bezoeker met groote, vragende oogen aan.
„Hoe heet je?” ging Raffles voort.
„Dorrith, mijnheer!”
„Luister dan eens goed naar mij,” hernam Raffles. „Mijnheer Crusham woont op deze verdieping, nietwaar?”
„Ja, mijnheer—die deur daarginds!” antwoordde het dienstmeisje, terwijl zij met haar vuile vingertje in de richting wees van de vervelooze deur.
„Op het oogenblik is hij thuis, nietwaar?”
„Ja, mijnheer, dat geloof ik wel.”
„Is de deur van zijn woning afgesloten?”
„Die is altijd op slot, mijnheer! Ik moet altijd kloppen, voor ik binnen kan komen om den boel schoon te maken—tenminste als hij thuis is.”
„Hij is dus nog al wantrouwend, die goede mijnheer Crusham?”
„Dat moet wel, mijnheer, want hij sluit altijd alles af, en hij heeft op een paar kasten zelfs Lipman-sloten laten maken.”
„Deksels dan zal hij zeker een rijk man zijn, die op die manier zijn geld bewaart!” merkte Raffles zachtjes lachend op.
„Nu dat zal wel niet, mijnheer!” grinnikte het dienstmeisje. „Pas gisteren kwam hij met heelemaal nieuwe kleeren aan thuis, en hij bracht een vriend mee, en samen lachten en schreeuwden zij daarbinnen, en ik moest een paar flesschen wijn halen van de duurste die ik krijgen kon, en een paar blikjes kreeft en ander lekkers, en toen zijn [26]zij aan het smullen gegaan! En ik kreeg een shilling fooi!”
„En daar was je erg blij mee?” vroeg Raffles glimlachend.
„Natuurlijk, mijnheer, want het was mij nog nooit overkomen!”
„Nu jij bent een verstandig kind, en je zult het ver in de wereld brengen!” zeide Raffles, terwijl hij het kind op de wang klopte. „Zou je deze vijf shilling willen verdienen?”
„Nou alsjeblieft, mijnheer!” antwoordde het dienstmeisje met schitterende oogen.
„Luister dan eens! Wij zijn detectives, en wij hebben een appeltje te schillen met dien mijnheer Crusham, die gisteren plotseling zoo rijk was geworden! Neen, je hoeft er niet van te schrikken—wij zullen den boel niet op stelten zetten! Maar je moet ons helpen! Want als hij een mannenstem hoort, zal hij misschien de deur niet opendoen, begrijp je wel?”
„Dat doet hij zeker niet, mijnheer!” antwoordde het meisje, met stellige stem. „Een maand geleden kwam er eens iemand die hard op zijn deur klopte, een man met een erge basstem. En weet u wat mijnheer Crusham toen deed? Hij liep zoo maar pardoes langs den achteruitgang zijn woning uit, en vloog de straat op—en pas des avonds kwam hij weer terug.”
„Nu daar heb je het al!” kwam Raffles glimlachend. „En wie was die bezoeker wel?”
„O, het was iemand, die daar niet eens moest zijn, mijnheer! Hij had bij ongeluk op die deur geklopt en mijnheer Crusham had niet eens verstaan wat hij vroeg, hij was maar dadelijk aan de haal gegaan, en nu begrijp ik het ook!” riep het meisje uit, met een glans van blijden trots op haar groezelig gezichtje over haar schranderheid. „Mijnheer Crusham heeft zeker gedacht dat ze hem kwamen halen om hem in de gevangenis te gooien.”
„Dat noem ik den spijker op den kop slaan!” zeide Raffles, terwijl hij het kind vriendelijk onder de kin streelde. „Nu, natuurlijk willen wij niet nogmaals de kans loopen, dat het heerschap langs de achtertrap de plaat poetst, na snel zijn zakken gevuld te hebben met wat hij in die geheimzinnige kasten verborgen houdt! En daarom moet je ons nu helpen, mijn kind!”
„Maar hoe kan ik dat, mijnheer?” vroeg het dienstmeisje schuchter en met den blik onafgewend gericht op het zilverstuk.
„Het is heel eenvoudig, Dorrith! Wij gaan naast de deur staan, en jij klopt aan de deur en zegt dat er een brief voor mijnheer Crusham is. Hij kent je stem natuurlijk, en hij zal de deur wel open doen—en als de deur eenmaal open is, verzeker ik je, dat hij haar niet zoo spoedig meer zal kunnen sluiten. Wil je dat doen?”
„Krijg ik dan die vijf shilling, mijnheer?”
„En nog vijf, als je je werk goed doet!”
„En is die mijnheer Crusham werkelijk zoo’n slecht man?”
„Een bijzonder slecht man, Dorrith!” antwoordde Raffles glimlachend.
„Dan zal ik het dadelijk doen, mijnheer!” antwoordde het meisje.
Het drietal liep nu op de teenen naar de deur, en daarop klopte Dorrith aan.
Aan den anderen kant van de gesloten deur werden schreden hoorbaar, en een mannenstem vroeg, tamelijk ongeduldig:
„Wie is daar en wat moet je?”
„Ik ben Dorrith, mijnheer, en ik heb een brief voor u.”
„Kun je hem dan niet onder de reet van de deur schuiven, domme eend!” riep de stem.
En nu gaf het dienstmeisje blijk van meer schranderheid, dan Raffles en Charly haar hadden toegeschreven, want nog voor de eerste haar iets behoefde te zeggen, antwoordde zij onvervaard:
„Dat gaat niet, mijnheer, ik heb het al geprobeerd—hij is veel te dik, het lijkt wel of er bankbiljetten in zitten!”
Deze mededeeling had een geweldige uitwerking, want onmiddellijk werd de sleutel in het slot omgedraaid, twee grendels werden teruggeschoven, en de deur werd met een ruk geopend, tot ongeveer een hand breedte.
En in de opening was het gelaat zichtbaar van Crusham met nog ongekamde haren, neerhangende knevel, en tamelijk smerig.
„Waar is het pakje nu?” liet de stem zich hooren, terwijl hij de hand door de kier van de deur stak.
„Ik ben het pakje, mijnheer!” liet de stem van Raffles zich hooren, en tegelijkertijd trad hij naar voren en greep met ijzeren vuist de hand van Crusham, die zooeven door de deurkier gestoken was, [27]terwijl hij tegelijkertijd zijn voet tusschen de reet stak.
Met een kreet van woede wilde de bandiet de deur weder sluiten, maar hij had met een al te sterke tegenpartij te doen.
Charly duwde er tegen aan, en daar ook Raffles er zijn schouder tegenzette, steeds de rechterhand van den schurk vasthoudend, was deze korte worsteling spoedig beslist—en de deur vloog open, Raffles en Charly traden naar binnen en de laatste deed de deur vlug achter zich dicht.
„Wat moet dat beteekenen?” brulde Crusham verwoed. „Hoe waagt gij het op deze onbeschaamde manier bij mij binnen te dringen? Laat onmiddellijk mijn hand los!”
„Dat laatste wil ik graag doen, mijnheer Crusham—want ik wil u niet grieven, maar zij is nog al smerig!” zeide Raffles, en hij liet de hand van den ander los, die echter hierdoor al heel weinig voordeel genoot, want op hetzelfde oogenblik zag hij de revolver van Charly op zijn borst gericht.
„Wilt gij nu eens eindelijk zeggen wat dat te beteekenen heeft?” schreeuwde Crusham, wit van woede.
„Gij zult het spoedig te hooren krijgen!” antwoordde Raffles bedaard. „Vooral geen overhaasting wat ik u bidden mag! Wij hebben den tijd, en ik ben gewend, om dergelijke zaken in alle kalmte tot een goed einde te brengen! Neem plaats wat ik u verzoeken mag, mijnheer Crusham, en vertel mij eens op den man af, zonder omwegen, wat gij hebt uitgevoerd met het Mauser-repeteerpistool, welke gij hebt weggenomen in de werkkamer van den bankier Harris, eergisterennacht!”
Crusham werd groen in zijn gelaat van woede en schrik over deze onverwachte vraag, die hem duidelijk aantoonde, dat men zijn geheim had doorgrond.
Toch stamelde hij, nauwelijks hoorbaar:
„Ik weet niet wat gij bedoelt—ik weet niet waar gij het over hebt.”
„Dat weet gij integendeel zeer goed,” hernam Raffles kalm, „en ik zou u sterk aanraden, er maar rond voor uitkomen! Ik heb zooeven wel gezegd dat wij den tijd hebben, maar daarmede bedoel ik natuurlijk niet, dat wij den tijd hadden om naar zinledige praatjes te luisteren! Gij hebt niet met kinderen te doen, wij weten alles of daaromtrent!”
„Jullie bent natuurlijk van de politie!” zei Crusham, terwijl hij Raffles en Charly een valschen blik toewierp.
„Min of meer!” antwoordde Raffles bedaard. „Dat doet er ook trouwens niets toe, van het oogenblik af dat wij op de hoogte zijn van de zaak en vast voornemens van onze kennis gebruik te maken. Ik herhaal dus mijn vraag van zooeven. Waar hebt gij het Mauser-pistool gelaten, waarmede Harris gewapend was, toen gij hem dood in zijn werkkamer vondt liggen.”
„Ik weet van geen pistool! Ik weet niets!” antwoordde Crusham nijdig. „Gij zult mij niet aan het klappen krijgen—ik heb niets uitstaande met die zaak in de Sutherland Avenue!”
„Gij wilt u dus van den domme houden?” vroeg Raffles, terwijl hij verachtelijk de schouders ophaalde. „Dat is heel onverstandig, en het houdt ons onnoodig op! Mijn collega en ik hebben u en uw beide makkers tot twee malen toe gezien, het eerst in den nacht van de inbraak, en den volgenden dag, toen gij de ongelukkige mevrouw Harris ging bezoeken, om haar duizend pond sterling af te persen, als prijs voor uw stilzwijgen! Ik ben u nagegaan tot in het café, waar gij den buit verdeeld hebt met uw twee medeplichtigen en ik zou u minuut voor minuut kunnen verklaren, wat gij gedaan hebt van het oogenblik af, dat gij aan het huis van den bankier Harris aanscheldet!”
„Bewijs het mij! Gij hebt niet anders dan het mij te bewijzen!” riep Crusham woedend.
„Gij blijft dus hardnekkig? Nu ik denk dat wij het bewijs hier wel in deze kamer zullen vinden!” antwoordde Raffles. „Steek uw handen eens op!”
Aarzelend, met een gelaat van woede vertrokken, gehoorzaamde Crusham, omdat hij wel inzag, dat hij tegen twee vastberaden mannen, die zeker van de politie waren, en die op een voor hem onverklaarbare wijze een deel van de waarheid hadden ontdekt, toch niets vermocht.
Terwijl Charly hem in bedwang hield met de revolver, doorzocht Raffles snel zijn zakken, en haalde daaruit achtereenvolgens een kleine, geladen Browning, een ijzeren ring, waaraan een aantal loopers bevestigd waren, welke Raffles met het oog van den kenner bekeek, een klein notitieboekje, een paar brieven in hun enveloppen, een sleutelbos, een groot knipmes, een uiterst gevaarlijk wapen [28]in de hand van een sterk man, die het goed wist te hanteeren, en verder nog eenige voorwerpen van minder belang.
Raffles legde dit alles op een stapel op een kleine tafel, en zeide toen op strengen toon tot Crusham:
„In ieder geval bewijst de inhoud van uw zakken, dat gij toch moeilijk gerangschikt kunt worden onder de ordelijke burgers! Een Browning—dolk-mes, een bos loopers … het bezit daarvan pleit zeker niet voor u! En steek nu uw handen eens uit!”
Weer gehoorzaamde de bandiet en voor hij nog. goed en wel wist, wat er met hem geschiedde, waren zijn polsen gevat in een stel voortreffelijke stalen boeien.
„Sta nu op, ga in dien hoek daarginds zitten en verroer u niet, want ik zal mijn collega moeten verzoeken, u dit desnoods met geweld te beletten! Terwijl gij daar zit zullen wij eens een onderzoek instellen in uw woning!”
„Dat verbied ik u!” schreeuwde Crusham. „Laat mij uw aanstelling van Scotland Yard zien! Gij kunt wel bedriegers zijn!”
Maar Raffles haalde minachtend de schouders op, en antwoordde:
„Een aanstelling! Wel man—ik ben mijn eigen aanstelling! Bekommer je daar maar niet om, en doe wat wij zeggen, of het zou slecht met je gaan!”
En met deze woorden duwde hij den schurk tamelijk onzacht neer op een stoel in een hoek van het vertrek, waar Charly bij hem post vatte.
Raffles ging intusschen haastig naar het tafeltje, waar hij den inhoud van Crusham’s zakken had uitgespreid, nam den sleutelbos, en opende, na eenig probeeren, een wandkast, en het eerste wat Raffles op een der planken ontdekte, was een Mauser-pistool van gemiddeld kaliber.
Hij nam het wapen van de plank, opende de plaat, die de kolf gesloten hield en trok het magazijn er uit.
Er mankeerde een kogel van de zeven.…