Een paar dagen, nadat graaf Stijkof zijn intrek in hotel „Cecil” had genomen, omstreeks negen uur in den ochtend, meldde zich een jonge man, eenvoudig maar netjes gekleed, bij den deftigen portier van het hotel aan.
Deze nam den jongen met een snellen blik van het hoofd tot de voeten op en zag aanstonds met het oog van een kenner, dat hij hier zeker niet te doen had met iemand, die als logeergast kwam en de zeer hooge prijzen van het hotel kon betalen.
„Wat wenscht gij, mijnheer?” vroeg hij.
De jonge man haalde een nummer van de „Daily Mail” uit zijn zak, vouwde haar open, wees met zijn vinger op een advertentie, welke met blauw potlood omlijnd was, en zeide op beleefden toon:
„Hotel Cecil vraagt een paar étagekelners, een stationkruier, een chauffeur, twee kamermeisjes, een hulpkok en een liftjongen.”
„Ja, dat klopt. Eergisteren is de nieuwe aanbouw in gebruik genomen, waardoor wij er nog dertig kamers hebben bij gekregen, een eetzaal en nog een tweede billardkamer. Daarom hadden wij ook meer personeel noodig.”
„Ik kom mij aanbieden als étagekelner,” zeide de jonge man. „Kan ik den gérant spreken? Of zijn de plaatsen soms allemaal al vergeven?”
„In de vacature van den chauffeur en de kamermeisjes is al voorzien, dat weet ik zeker, maar voor [6]de kelners is de gérant nog niet geslaagd. Er hebben zich al een stuk of wat aangeboden, maar die waren voor een hotel als het onze—het eerste van Londen—te gebruiken. Ik zou zeggen, dat je er nog al goed uitziet, maar natuurlijk moet de gérant beslissen. Daar komt hij juist aan.”
De jonge man wendde zich om en keek in de richting door, den portier aangeduid. Hij zag een zwaarlijvig man aankomen, met een volmaakt kaal hoofd, waarop niet het kleinste haartje scheen te kunnen gedijen.
Hij ging regelrecht op den gérant toe en herhaalde zijn verlangen om een plaats als kelner te krijgen.
De gérant bekeek, zooals een paardenkoopman het een paard doet, vol aandacht de sierlijke gestalte en het ronde knappe gelaat van den jongen man, die zich kwam aanbieden en vroeg toen kortaf:
„Referenties?”
„Ik kom zoo juist uit Parijs, mijnheer. Daar heb ik twee jaar een betrekking gehad in het Grand Hotel.”
„Wat voor een landsman ben je?”
„Engelschman, mijnheer!”
„Maar dan zul je wel geen talen spreken?” vroeg de gérant op teleurgestelden toon.
„Ik spreek vloeiend Fransch en Duitsch, mijnheer, en heel goed Spaansch en Italiaansch, terwijl ik het Noordsch goed versta en er mij ook een weinig in kan uitdrukken.”
„Wel, wel. Dat valt mij bijzonder mee! Dat ziet men niet vaak bij Engelsche kelners,” hernam de gérant. „Ik kan natuurlijk naar je informeeren in het Grand Hotel?”
„Dat spreekt vanzelf.”
„Je naam?”
„Henry Dickson.”
„Als je in het Grand Hotel te Parijs gediend hebt, behoef ik je natuurlijk niet te vragen of je je werk goed verstaat?”
„Dat spreekt vanzelf, mijnheer,” antwoordde Dickson glimlachend.
„Zoudt gij dadelijk in dienst kunnen komen?”
„Als het moest over een uur!”
„Laat mij je papieren eens zien?”
De jonge man haalde zwijgend zijn portefeuille te voorschijn, opende deze en haalde er eenige papieren uit. welke hij den gérant ter hand stelde.
Deze las de stukken haastig door en gaf ze toen Dickson terug met de woorden:
„Je kunt in dienst komen op de hier gebruikelijke voorwaarden, een week op proef. Neem je daar genoegen mee?”
„Ja, mijnheer, ik wist, dat het hier gebruik was. Ik weet ook het loon en overige bijzonderheden.”
„Goed. Ga je dan nu maar even aanmelden bij den oberkelner. Wacht, ik zal je een paar woorden meegeven.”
De gérant haalde een stukje papier uit zijn zak, krabbelde er met potlood eenige woorden op en gaf het toen aan Dickson, die met een verheugd gelaat een onberispelijke buiging maakte voor den gérant en zich vervolgens naar de dienstvertrekken begaf, welke zich achter in het hotel bevonden en waar hij den oberkelner zou kunnen vinden.
Zoodra hij dezen invloedrijken functionaris gevonden had, gaf hij hem het briefje van den gérant, welks lezing voor den oberkelner voldoende was, om zijn nieuwen onderdaan aanstonds aan het werk te stellen.
Hij kreeg een paar uren om zijn rok te gaan halen en eenige toebereidselen te treffen en daarop verwijderde hij zich weder.
Bij het verlaten van het hotel passeerde hij een stokouden heer met spierwit haar, die op een stok leunde en die blijkbaar een logeergast was, zooeven aangekomen.
Hij praatte met den portier en wanneer deze man goed op den pas aangenomen kelner had gelet, dan zou hij gezien hebben, dat deze den eerwaarden grijsaard een knipoogje scheen te geven, hetwelk deze beantwoordde door heel even met het hoofd te knikken.
Het volgende oogenblik was de nieuwe kelner reeds weder verdwenen.
Een paar uren later kwam hij terug met een klein valies, want men had hem medegedeeld, dat hij intern zou zijn en dus in het hotel zou moeten slapen.
Een half uur daarna was de pas aangenomen étage-kelner reeds druk bezig met zijn werkzaamheden, en de oberkelner, die hem nauwkeurig op de vingers zag, moest erkennen, dat de nieuwe man een aanwinst was; hij had in dat halve uur reeds reizigers van vier verschillende nationaliteiten te woord gestaan zonder maar een oogenblik te [7]haperen, of naar een woord te moeten zoeken; hij was beleefd, bescheiden, vlug en handig; hij scheen het toonbeeld van den goeden kelner te zijn.
Tegen het uur van den lunch verzamelde de helft van de étage-kelners zich in de groote eetzaal voor het personeel, die gemakkelijk een paar honderd personen kon bevatten.
En dat was ook wel noodig, want alleen aan kelners had het Hotel Cecil op dat oogenblik honderd en veertig man in dienst, zonder de piccolo’s en de dienkelners te rekenen, die in de launch, de eetzalen en in de billardkamer dienst deden.
De kelners kregen een half uur om te eten en daarna moesten zij hun plaats ruimen voor de andere ploeg, die was blijven doorwerken.
Alles scheen in het groote hotel als een klok geregeld te zijn.
Zoodra de pas aangenomen kelner met den maaltijd gereed was, verliet hij de eetzaal weder, om weer aan het werk te gaan.
Op de eerste verdieping ontmoette hij, dicht bij de liftkooi, den gebogen grijsaard van zooeven.
Deze scheen juist zijn kamer te hebben verlaten, want hij had de kruk van de deur nog in de hand.
Hij wierp snel een blik in de gang, overtuigde zich, dat daar niemand was en trok toen den kelner haastig naar binnen, waarop hij de deur sloot.
Toen legde hij zijn beide handen op de schouders van den jongen man en op hetzelfde oogenblik scheen hij bijna een voet grooter te worden.
Hij keek den kelner glimlachend aan en vroeg toen op zachten toon:
„Bevalt het baantje je nog al, beste Charly?”
„Ik kan niet zeggen, dat ik er verzot op ben, Edward!” antwoordde Charly Brand, want hij was het inderdaad en hij sprak op dat oogenblik tegen John Raffles. „Maar als het voor de goede zaak noodig is, dan heb ik het er graag voor over! Hoe staan de zaken hier? Heb je al iets kunnen ontdekken?”
„Niets anders dan dat graaf Stijkof nog al veel buitenshuis schijnt te zijn en dan meestal vergezeld wordt door zijn secretaris.”
„Ben je er onmiddellijk in geslaagd een kamer naast de zijne te krijgen?”
„Dat ging niet. Er zijn twee kamers tusschen die van mij en de slaapkamer van dien schatrijken Rus. Maar het geluk wil, dat die geheele reeks kamers aan de voorzijde begrensd wordt door een zeer lang balkon, dat bijna langs den geheelen gevel van het hotel loopt en dat uitzicht heeft op de Theemskade. Als het zoover is, behoeven wij dus niets verder te doen, dan van het balkon gebruik te maken.”
„Waar slaapt Biridef, de secretaris, eigenlijk?”
„In een kamer tegenover die van zijn meester en er van gescheiden door de breede gang.”
„Wanneer denk je, dat alles rijp is om den slag te slaan?”
„Dat zal ik je pas morgen kunnen zeggen, misschien nog pas later, want ik moet mij eerst op de hoogte stellen van de gewoonten van onzen man. Er is niets zoo onaangenaam, dan te meenen, dat men iemand slapende zal verrassen, terwijl hij daarentegen klaar wakker is en u ontvangt met een revolver in de vuist. Dat zijn van die verrassingen, die ik nooit heb kunnen apprecieeren.”
„Welken naam draag je hier eigenlijk?”
„Ik sta in het vreemdelingenregister genoteerd als Baron de Mareuil uit Saint Germain bij Parijs.
„Vindt men het niet vreemd, dat zulk een oud, gebrekkig man geheel alleen reist?”
„Ik heb gezegd, dat mijn dochter en schoonzoon mij naar Londen vergezeld hebben en mij over een week weder zullen komen halen, ik reken er natuurlijk op, dat tegen dien tijd onze kleine onderneming achter den rug zal zijn.”
„Heb je al gelegenheid gehad een onderzoek in te stellen naar de wijze, waarop hij zijn groot vermogen hier belegd heeft?”
„Nog niet, en ik reken op jou, Charly, om mij daarbij behulpzaam te zijn. Ik heb juist de vermomming van kelner voor je gekozen, omdat ik van oordeel ben, dat een slimme kelner, die ooren en oogen goed weet open te zetten, in de gelegenheid is om achter heel wat geheimen te komen. Je zult me dus het groote genoegen doen, ijverig acht te geven op alles, wat onze man doet, want daartoe ben ik als gebrekkig grijsaard natuurlijk minder goed in staat.”
„Ik beloof het je. Ik moet je echter zeggen, dat ik ben aangesteld in het nieuw bijgebouwde gedeelte en dat is hier vrij ver vandaan, maar ik zal mijn best doen, dat men mij al spoedig zal promoveeren door mij hier ergens dienst te laten doen.”
„En ik weet zeker, dat je daarin zult slagen,” [8]hernam Raffles glimlachend. „Werkelijk, ik zou niemand kunnen aanwijzen, die zoo voortreffelijk en zonder eenigen argwaan te wekken de rol van kelner zou kunnen vervullen als jij. Ik verzeker je, dat dat lang niet ieders werk is.”
„Dank je voor het compliment,” kwam Charly lachend. „En nu zal ik maar weer heengaan, want men mag mij vooral niet missen. Waar zal ik je vanavond vinden?”
„Ik zal je zeggen, wat ik vandaag nog doe, dan kun je daar rekening mee houden. Ik tracht vanmiddag in kennis te komen met den secretaris van Stijkof, wat niet zoo moeilijk zal zijn. Om vier uur ga ik een kleinen rijtoer maken in Hyde Park. Ik dineer in het hotel. Wat ik daarna doe, zal afhangen van hetgeen Stijkof verricht, want ik ben van zins, hem vanavond eens na te gaan.”
„Afgesproken! Dan zal ik wel gelegenheid vinden, nog een paar woorden met je te wisselen.”
De beide mannen drukten elkander de hand, Charly opende de deur, keek links en rechts de gang op en maakte gebruik van een oogenblik, dat niemand oplette, om haastig naar buiten te springen en de deur geruischloos te sluiten.
Een seconde later was hij weder de gedienstige, hupsche étage-kelner, die vloog op een wenk van de gasten, die altijd gereed was met een kwinkslag, en die zoo vlug en werkzaam was, alsof hij nog nooit gehoord had van de „Golf van luiheid”, die over de wereld streek en waarover alle bladen steen en been klaagden.
Het duurde niet lang of hij was de beste maatjes met den oberkelner, dien hij met een paar goed geplaatste vleierijtjes voor zich had weten in te nemen, met een paar kamerkatjes, die hem heel aardig vonden en met twee of drie oudgedienden onder de kelners, die al tien jaren in het Hotel Cecil werkzaam waren.
Het was eigenlijk wel verboden, maar er werd toch altijd over de gasten gebabbeld, waarheid en fantasie en Charly was schrander genoeg, om de eerste van de laatste te kunnen onderscheiden.
Maar niemand scheen heel precies te weten, op welke wijze graaf Stijkof eigenlijk beschikte over zijn rijkdommen.
Wel wist een der kelners te vertellen, dat zijn portefeuille letterlijk opgepropt was met deugdelijk Engelsch bankpapier, maar hoe die voorraad telkens opnieuw werd aangevuld, dat kon niemand zeggen.
Had de rijke Rus een credietbrief? Had hij zijn geld in aandeelen van soliede maatschappijen belegd en verzilverde hij op geregelde tijden de coupons? Had hij een rekening-courant bij de voornaamste banken, en kon hij dus met cheques betalen? Was zijn reusachtig vermogen eenvoudig in deposito gezet bij de Bank van Engeland, en kon hij uit dien voorraad putten, wanneer het hem beliefde?
Niemand, die er het fijne van wist.
Charly begreep dan ook al spoedig, dat hij niet op de kelners behoefde te rekenen, om hem in te lichten aangaande dit onderdeel van Raffles’ plan.
Graaf Stijkof scheen zeer weinig spraakzaam te zijn en ook zijn secretaris liet niets los en was een in zichzelf gekeerd, tamelijk norsch man, ondanks zijn jeugd.
De beide mannen waren trouwens slechts zeer weinig in het hotel aanwezig, feitelijk niet anders dan des nachts, want zij vertrokken aanstonds na het ontbijt, schenen ergens in de stad te lunchen en dineerden ook niet altijd in het hotel.
Meestal kwamen zij niet voor half twaalf of twaalf uur in den nacht terug, en begaven zich dan aanstonds ter ruste.
Stijkof maakte veel gebruik van zijn maandauto, maar hij had den chauffeur reeds den eersten dag vervangen door een jongen Rus, die hem, naar hij zeide, door een vriend was aanbevolen.
Over een en ander spraken Raffles en Charly laat in den middag van dienzelfden dag, nadat Raffles van zijn wandelritje in Hyde Park was terug gekeerd.
Raffles had alleen nog maar ontdekt, dat Stijkof en zijn secretaris dien avond naar een voorstelling in het Garrick Theater zouden gaan, en voor zij van elkander gingen, deelde hij aan Charly mede, dat hij van die omstandigheid gebruik zou maken om eens een voorloopig onderzoek in te stellen in de kamer van den Rus in de hoop, dat hij er op die wijze in zou slagen de manier te ontdekken, waarop graaf Stijkof zijn vermogen hier in Londen belegd had.
Was het de moeite waard, dan zou reeds dien [9]avond de slag geslagen kunnen worden, en daarop moest Charly zich voorbereid houden.
Maar Raffles besloot lakoniek, dat hij het voor minder dan twintig duizend pond niet deed.
Vond hij dit bedrag niet in de kamer van Stijkof, dan zou hij wel een ander middel bedenken om den schatrijken Rus een weinig, ader te laten en hem wat van zijn overtolligen rijkdom af te nemen.