Het was omstreeks half tien in den morgen van den volgenden dag en de gewaande baron de Mareuil keerde juist van de badkamer terug, toen aan het einde van de gang Charly Brand naderde, gewapend met zijn servet.
Hij had een brief in de hand, liep op Raffles toe en zeide met een buiging:
„Een brief voor u, mijnheer de baron! Men wacht op antwoord.”
„Kom dan maar even binnen, vriend,” antwoordde Raffles. „Ik ben te oud om hier zoo lang op de gang te blijven staan.”
Hij ging zijn kamer binnen; Charly volgde hem en deed de deur achter zich dicht.
Toen trad hij haastig op Raffles toe en vroeg op zachten toon:
„Welnu?”
Raffles was in een gemakkelijken stoel bij het raam gaan zitten, liet zijn blikken een oogenblik naar buiten dwalen over den Tower, de prachtige brug, die er naar genoemd is, het glinsterende water van de Theems, de traag voorbij glijdende, logge vrachtschepen, die door kleine sleepbootjes getrokken werden, en wendde toen zijn gelaat naar Charly, die hem nieuwsgierig aankeek.
Toen zeide hij op gedempten toon:
„Ik ben in zijn kamer geweest.”
„En.…. heb je er iets gevonden, dat de moeite waard was?”
„Dat heb ik, al was het dan geen geld.”
„Geen geld? In het geheel niet?” kwam Charly verwonderd.
„Een paar duizend pond en wat diamanten, meer niet.”
„Maar die had ik dan toch maar meegenomen!” hernam Charly hoofdschuddend.
„Ik dacht er niet aan! Denk je, dat ik met een stekeltje genoegen zou nemen als ik een kabeljauw kan krijgen?”
„In ieder geval is dus je bezoek aan zijn kamer vruchteloos geweest?”
„Niet heelemaal, want in plaats van geld heb ik iets heel merkwaardigs gevonden.”
„Wat dan wel?”
„Om te beginnen een paar juweelen, die zonder eenigen twijfel afkomstig zijn uit het juweelenkistje van de zoo lafhartig vermoorde Romanoffs; ten tweede een paar busjes met picrinezuur, zoo nonchalant verpakt alsof het gestampte muisjes waren, en waarvan een tiende deel meer dan genoeg was, om verbonden met wat nitroglycerine het heele hotel in de lucht te laten vliegen, en ten slotte een [10]houten kist, bevattende een tienduizend in het Engelsch gedrukte brochures, geschreven door niemand minder dan den heer Apfelbaum, zich noemende en schrijvende Lenin.”
Charly liet zich op een stoel neervallen, sprakeloos van verbazing en staarde Raffles met een blik van ongeloof en twijfel aan.
Een oogenblik kwam het hem in den zin Raffles te vragen of hij wel in de goede kamer was geweest, maar aanstonds bedacht hij, dat hem dit waarschijnlijk een scherpe opmerking op den hals zou halen.
En daarom stamelde hij:
„Dat klinkt bijna ongeloofelijk! Graaf Stijkof zou dus een agent zijn van Moskou?”
„Hij heet heelemaal geen Stijkof, Charly en hij is ook geen graaf,” antwoordde Raffles bedaard.
„Hoe heet hij dan?” vroeg Charly, hoe langer hoe verbaasder.
„De man heet Fedor Bogowitsj!” antwoordde Raffles ernstig.
„Hoe ben je daar achter gekomen?”
„Ik heb in een goed gesloten kistje, maar dat toch geen weerstand kon bieden aan mijn fijnste loopertjes, wat correspondentie gevonden tusschen een creatuur van Lenin en Paul Biridef gevoerd, juist ter zake van de missie van Bogowitsj naar Londen.”
„Maar voor den drommel, wat komt die man dan hier uitvoeren?” vroeg Charly.
„Dat is, dunkt mij, niet langer aan twijfel onderhevig, hij komt hier in opdracht van Moskou, het Bolsjewisme prediken!”
„Maar hoe is hij dan aan die papieren, hoe is hij aan een pas gekomen?”
„Die zullen wel gestolen zijn!” antwoordde Raffles schouderophalend. „Ik heb de papieren gezien en zij zijn zonder eenigen twijfel echt. Er moet dus in Rusland ergens een werkelijke graaf Stanislaw Stijkof wonen, waarschijnlijk in gevangenschap, tenminste, wanneer men hem niet vermoord heeft, omdat de dooden nog altijd niet spreken en ook niet in staat zijn, de stukken terug te eischen, welke men hen heeft afgestolen.”
„Het is alsof ik een sprookje hoor,” kwam Charly hoofdschuddend. „Hoe komt hij aan al dat geld?”
„O, men schijnt te Moskou nog altijd over duizenden en millioenen roebels te beschikken en over zeer groote bedragen aan juweelen, waarvan er heele schepels tijdens en na de revolutie gestolen en geconfisceerd zijn, wat in Rusland natuurlijk hetzelfde is.”
„Maar dan dat verhaal, dat hij aan de journalisten gedaan heeft, was het dan niet gevaarlijk, om dat geheel en al uit den duim te zuigen? Het was toch mogelijk, dat hier sommige personen op de hoogte waren van het lot van den echten graaf Stijkof?”
„Het is zeer wel mogelijk, dat het met dien ongelukkigen man inderdaad zoo gegaan is als Fedor Bogowitsj mededeelde, natuurlijk op zijn reis naar Engeland na, en dat hij daarginds inderdaad vrouw en kind is kwijtgeraakt. Tot mijn spijt had ik geen gelegenheid om alle papieren nauwkeurig na te lezen, want daartoe ontbrak de tijd, daar ik natuurlijk alles weder in volmaakte orde moest achterlaten.”
„Ben je niet bang, dat men een spoor van braak heeft ontdekt?”
„Geen oogenblik! Ik ben eenvoudig de kamerdeur binnengegaan, waarvan ik een sleutel had weten te vervaardigen en ik heb mij toen gehaast de balkondeur op een kier te zetten, nadat ik reeds van te voren de deur van mijn eigen balkon had open gezet, om aldus mijn aftocht te dekken. Ik heb zijn bureau en verder een paar kistjes met behulp van mijn loopertjes geopend en ik geloof te mogen zeggen, dat er zelfs geen krasje op de slotplaat te bemerken is. Ik heb alle brieven, die ik las, weder juist op dezelfde plaats gelegd; ik heb zoo weinig mogelijk verschoven en ik ben langs denzelfden weg weder terug gegaan, na mij te hebben overtuigd, dat de weg veilig was.”
„Maar is die vondst nu wel voldoende, Edward, om daaruit af te leiden, dat die Rus een agent van Lenin en Trotzky is?”
„Ik was al half en half op die vraag voorbereid, Charly,” antwoordde Raffles glimlachend. „Ik ken je nu al lang genoeg om te weten, dat je niet over één nacht ijs gaat. Ik zal dan ook morgen onzen man eens nagaan, als het moet den geheelen dag, en het zou mij niet verwonderen, als dan zijn eigenlijk doel hier in ons land aan het licht kwam.”
„Maar waarom eigenlijk die vermommingen?” kwam Charly, nog altijd zeer verbaasd.
„Wat een vraag, Charly,” antwoordde Raffles hoofdschuddend. „Het spreekt toch immers vanzelf, dat men den man aanstonds in den kraag zou hebben [11]genomen en in de gevangenis gezet of weder naar Rusland teruggezonden zou hebben, indien hij hier was gekomen met de mededeeling, dat hij hier het Bolsjewisme kwam prediken! De regeering moet daar nog niets van hebben en ik geloof ook niet, dat die alleenheerschappij van het proletariaat de ware regeeringsvorm is voor een land als het onze. Ik voor mij kan mij nog altijd niet gewennen aan het denkbeeld, dat een grondwerker of een kolentremmer mij zal voorschrijven, wat ik te doen en te laten heb. Misschien deugt het standpunt niet; misschien krijgen wij hier een herhaling van alle Russische misères en dan nog een maal of tien verergerd; maar zoolang wij het buiten dezen gewelddadigen ommekeer kunnen stellen, moesten wij het maar doen.”
„Je laat dus dien kerel aanstonds arresteeren?”
„Ho, ho, dat is een andere kwestie,” antwoordde Raffles met een afwerend gebaar. „De man heeft hier in ieder geval nog niets kunnen bereiken en als wij hem laten arresteeren, dan zijn wij ook tevens zijn vermogen kwijt. Bedenk je dat wel?”
„Ik erken, dat ik daar niet aanstonds aan gedacht heb; wat zijn nu de plannen?”
„Mijn plan is om dien nagemaakten graaf voorloopig in de zoete overtuiging te laten voortleven, dat hier alles botertje tot den boom is en dat hij rustig onze arbeiders zal kunnen opstoken. Zijn wij echter eenmaal in het bezit van zijn „werkkapitaal,” dat hem op zoo gulle wijze verschaft is door de heeren te Moskou, dan zullen wij den vriend onschadelijk laten maken, al was het maar, omdat wij Britten zijn en ons nog nooit door een vreemdeling hebben laten voorschrijven, hoe wij te handelen hebben. Willen zij elkander daarginds in Rusland de hersens inslaan, mij is het wel. Maar wij moeten hier over onzen eigen regeeringsvorm kunnen beslissen.”
„Wij gaan dus nog heden den man achterna?”
„Dat is te zeggen, dat zou argwaan kunnen wekken: Het is beter als ik alleen ga.”
„Maar je zult je als grijsaard niet snel kunnen bewegen, Edward.”
„Ik denk mij dan ook spoedig te gaan vermommen, en hoop dan nog tijdig terug te zijn, om onzen man te kunnen volgen.”
Raffles was opgesprongen.
Zijn oogen schitterden van ondernemingslust en jachtijver.
Hij duwde Charly min of meer de kamer uit en zeide op den drempel luid genoeg om in de gang te worden gehoord:
„Geef dus dien heer maar dit briefje en zeg, dat het mij aangenaam zal zijn, dezer dagen zijn bezoek te ontvangen.”
Hij duwde Charly een stukje papier in de hand en daarop ging de jonge man weder aan zijn werk, maar het ging hem niet zoo vlot af als den vorigen dag, want zijn geest was geheel vervuld van de merkwaardige mededeelingen, welke Raffles hem zooeven gedaan had.
Wat Raffles betreft, hij verliet zoo spoedig mogelijk het hotel, liet zich tot dichtbij het huis in de Regent Street brengen, hetwelk hij als Lord Aberdeen bewoonde en vermomde zich daar zoo snel hij kon.
Hij verliet het huis weder langs de tuinzijde, thans gekleed als een eenvoudig werkman, die desnoods zou kunnen doorgaan voor een of anderen opzichter van de electrische Centrales of van de Waterleiding.
Hij had uit de garage, die achter in den tuin stond, een snel motorrijwiel gehaald en had binnen tien minuten het hotel weder bereikt.
Het toeval bleek hem gunstig te zijn, juist kwamen Fedor Bogowitsj en Paul Biridef de treden van het hotelterras af en begaven zich naar de auto, die reeds op hen stond te wachten.
Achter het stuurwiel zat een nog jonge chauffeur, aanstonds te herkennen als een Rus, vanwege zijn in den nek uitgeschoren, glanzend zwart haar, zijn breede kaken, zijn vooruitstekende jukbeenderen en zijn eenigszins scheef geplaatste oogen van een zonderlingen, violetten glans.
De chauffeur nam eerbiedig zijn pet af voor de beide deftig gekleede heeren, die in de auto stapten, welke daarop aanstonds wegreed.
Dadelijk begon Raffles den fraaien wagen te volgen.
En het was goed, dat hij den benzinehouder en het olie-reservoir tot aan den rand gevuld had, voor hij heenging, want de rit duurde zeer lang.
De wagen reed dwars door Londen, door het Zuid-oosten, na de Theems te zijn overgestoken en belandde [12]ten slotte in de buurt van Loampit Hill, in het hartje van de arbeiderswijken.
Daar stond de fraaie auto eindelijk stil voor een vrij groot huis, de beide Russen stapten uit en gingen het huis binnen, waarvan de deur was opengetrokken nog voor de auto stilstond.
Zij bleven echter niet lang weg, maar toen zij weder terugkeerden droegen zij zeer eenvoudige kleeren en waren vergezeld door een derden man, evenals zij van onmiskenbaar Russisch type.
Zij spraken eenige woorden met den chauffeur van de auto en deze reed met zijn wagen weg, terwijl de drie mannen te voet verder gingen.
Niet zoodra had Raffles dit gezien, of hij ging zijn motorrijwiel stallen in een garage, niet ver daar vandaan gelegen, om zonder opzien te baren het drietal te kunnen volgen.
De drie Russen waren in een druk gesprek met elkander verdiept en dachten er geen seconde aan, dat zij gevolgd werden.
Zij richtten hun schreden naar den kant van de Theems en bereikten na ongeveer een kwartier loopens een soort vergaderlokaal, annex wijnhuis.
Het was omstreeks één uur toen zij daar kwamen en daar het schaftuur juist was aangebroken, bevonden er zich vrij veel arbeiders in de gelagkamer, die onmiddellijk aan een kleine vergaderzaal grensde.
De drie Russen zetten zich aan een tafeltje neder, bestelden iets en begonnen te eten.
Raffles volgde aanstonds hun voorbeeld, want ten eerste had hij werkelijk honger en ten tweede was er hem veel aan gelegen, vooral niet op te vallen.
Ondertusschen gaf hij zijn oogen goed den kost.
De drie Russen schenen reeds vrij veel van de arbeiders, die binnen kwamen, te kennen, want herhaaldelijk knikten zij dezen of genen toe.
Toen zij hun maaltijd beëindigd hadden, stonden zij op en begaven zich naar de vergaderzaal, waar zich reeds een paar honderd arbeiders verzameld hadden.
Raffles voegde zich aanstonds bij hen en zag nu, hoe de drie Russen zich naar een soort podium begaven, waar reeds een viertal andere mannen met bleeke gezichten en sombere trekken achter een met een groen laken bedekte tafel gezeten waren.
Op een der uiteinden van de tafel lag een groot pak brochures, die gedurende de vergadering werden uitgedeeld, en waarvan Raffles ook een in handen wist te krijgen.
Het waren juist dezelfde brochures, welke hij in de kamer van den gewaanden graaf Stijkof had aangetroffen.
Wat de toespraken en redevoeringen betreft, zij brachten volstrekt niets nieuws en weken in het geheel niet af van de gebruikelijke opwekkingen om de regeering, de bourgeois, het kapitalisme, de geheele maatschappij te vernietigen en op de puinhoopen daarvan het communisme te vestigen.
Raffles wist ook wel, dat deze wijze van propageeren niet de gevaarlijkste was; die bestond in het afzonderlijk bewerken van iederen arbeider, in de geheime propaganda, in het uitdeelen van geld om trawanten te kweeken.
Trouwens vergaderingen als deze zouden zeer waarschijnlijk door de politie verboden worden, als zij slechts wist, dat zij hier gehouden werden.
En hij behoefde er geen seconde aan te twijfelen of men zou de Russen, wanneer men wist, wat zij hier kwamen uitrichten, zonder vorm van proces weder naar hun land terugzenden.
Bogowitsj zelf voerde het langst het woord en Raffles moest erkennen, dat hij goed sprak, met vuur en met overtuiging en blijkbaar in het diepst van zijn ziel overtuigd was, dat de gevaarlijke theorieën, welke hij hier voorstond, alleen in staat waren, de ellende over de geheel wereld op te heffen, de menschheid te verbeteren en aan iedereen het geluk te brengen.
Anderhalf uur later ongeveer ging de vergadering uiteen, nadat nog eenige arbeiders eveneens het woord hadden gevoerd en Raffles was tot zijn schrik tot de ontdekking gekomen, dat de bolsjewistische leerstellingen bij deze weinig ontwikkelde mannen reeds dieper wortel hadden geschoten, dan goed was voor het geluk en den vooruitgang van het land. [13]