[Inhoud]

HOOFDSTUK IV.

De arrestatie.

Er waren een paar dagen verloopen sedert Raffles zijn onderzoekingstocht had ondernomen in het Zuidwesten van de wereldstad.

Hij was in de gelegenheid geweest Fedor Bogowitsj nog eenige malen na te gaan en telkens had hij daarbij kunnen ontdekken, dat de Russische Bolsjewisten beraadslaagden met eenige Londensche arbeidersleiders van de extremistische partijen, die reeds vroeger overhelden naar de Bolsjewistische leerstellingen en thans door den agent uit Moskou ijverig werden bewerkt, bijgestaan door een aantal Russen, die evenals hij op de een of andere slinksche wijze er in geslaagd waren, Engeland binnen te komen.

Raffles wist zeer goed, dat het hem maar een woord behoefde te kosten en eenige agenten van Scotland Yard zouden aanstonds een inval doen in de logeerkamers van den gewaanden graaf Stijkof, teneinde deze te onderzoeken en den gevaarlijken Rus onschadelijk te maken.

Hij besloot daar echter voorloopig nog wat mede te wachten, overtuigd als hij was, dat hij hiermede niets kon verliezen, maar daarentegen veel winnen.

Charly was er na ijverig speuren in geslaagd te ontdekken op welke wijze Bogowitsj zich meestal in het bezit stelde van de noodige contanten.

De Rus had eenvoudig een zeer groot bedrag, bijna een millioen pond sterling, bij verschillende banken gestort, deels in deposito, deels in safes, zoodat hij daar uit kon nemen, wanneer hij verkoos.

Bij een steelschen blik in een paar laden van zijn schrijftafel, had Charly daarin een paar chequeboekjes ten name van verschillende groote banken ontdekt.

Het zou dus minder gemakkelijk zijn, dan Raffles oorspronkelijk dacht, zich van een groot gedeelte van het geld meester te maken, hetwelk den Rus moest dienen in Londen propaganda te maken voor de Bolsjewistische beginselen.

Wel zou het wellicht mogelijk zijn een der chequeboekjes te ontvreemden, maar dan zou het noodzakelijk wezen de handteekening van Bogowitsj na te maken en daarvan had Raffles een hartgrondigen afkeer, zoolang het niet door de noodzakelijkheid volstrekt geboden was.

Falsificaties lagen in het geheel niet in zijn aard en liever ging hij, als het te doen was, recht door zee.

Zoo gingen er een paar dagen voorbij, welke Raffles besteedde aan het opmaken van een plan en het bespioneeren van den Russischen agent, zonder dat deze er een flauw vermoeden van had, dat al zijn gangen werden nagegaan, nu eens door Charly Brand, op de oogenblikken dat deze vrij was, dan weder door Henderson, den reusachtigen chauffeur van den Grooten Onbekende, die hem in bijna al zijn avonturen trouw terzijde had gestaan en hem reeds menigmaal het leven had gered, maar meestal toch door Raffles zelf, die daartoe den meesten tijd en ook de meeste bekwaamheden bezat.

Als een kat de muis, zoo hield Raffles den Bolsjewistischen agitator in het oog, ieder oogenblik gereed om toe te springen.

Hij woonde nog steeds als de gebogen grijsaard in het Hotel Cecil, maar men was daar reeds gewend aan zijn bewegelijken aard en aan zijn langdurige afwezigheden.

Het was omstreeks vijf dagen nadat Raffles voor het eerst het vertrek van den Rus had onderzocht en omstreeks tien uur in den morgen, toen Bogowitsj een der kelners last gaf zijn auto te laten voorkomen.

Een paar seconden later wist Charly, dat Bogowitsj [14]voornemens was uit te rijden en onmiddellijk zocht hij Raffles op om het dezen mede te deelen. En hij wist hem nog iets nieuws te zeggen, namelijk, dat de secretaris van Bogowitsj de rekening voor hen beiden betaald had, want dat de beide Russen dienzelfden middag een kleine rondreis zouden beginnen door het Zuiden van Engeland, die vijf dagen zou duren.

Hun kamers bleven aangehouden en de huur ervan zou betaald worden, zoodat niemand het recht had daar te logeeren gedurende den tijd, dat Bogowitsj afwezig zou blijven.

Wat Biridef betreft, hij zou vooruit reizen en voor zijn meester en zichzelf kamers bespreken in een hotel in een der steden van Wales. Welke, dat wist Charly echter niet mede te deelen, want daaromtrent had de secretaris zich nog niet uitgelaten.

Daar er echter koffers moesten verzonden worden, zou het Charly waarschijnlijk niet moeilijk vallen de plaats van bestemming der beide Russische Bolsjewisten te ontdekken.

Onmiddellijk maakte Raffles zich gereed den Rus te volgen.

Hij begreep wel, dat hij het zonder geld op reis niet zou kunnen stellen, en reeds het volgende uur zou bewijzen, dat Raffles daarin goed gezien had.…

Hij verliet zoo spoedig hij kon het hotel en liep een zijstraat in, waar hij wist, dat Henderson hem met onuitputtelijk geduld wachtte achter het stuurwiel van een der grootste en snelste auto’s.

Hij gaf den braven reus op gedempten toon een kort bevel, stapte in de auto, die haastig wegreed, liet de beide gordijntjes neer en trok toen van onder een der banken een breede doos te voorschijn, welke bij opening een aantal pruiken, valsche baarden, wat geheimzinnige potjes en fleschjes en verder een paar stellen kleederen bleek te bevatten.

In een oogwenk had Raffles zich ontdaan van zijn witte pruik en zijn uiterlijk een geheele gedaanteverwisseling doen ondergaan.

Hij zag er nu uit als een soort banklooper en de gelijkenis werd nog treffender, toen hij uit een andere bergplaats in de groote auto een groote lederen portefeuille te voorschijn haalde, zooals men die wel door bankbeambten ziet gebruiken.

Dit alles had zeker geen vijf minuten geduurd en op dat tijdstip stond de auto reeds weder dicht bij het Hotel Cecil stil, maar thans in een andere straat dan zooeven.

Raffles had de gordijntjes reeds weder opgehaald en wierp een blik naar buiten; zoo juist was de maandauto van Bogowitsj voorgereden en daar kwam hijzelf reeds de trappen van het terras afdalen, terwijl hij zijn handschoenen dichtknoopte en vergezeld door Biridef, die een lederen handvalies droeg.

De beide Russen spraken zacht met elkander.

„Zoo, zoo, het schijnt dat Biridef al op reis gaat. Hij lijkt wel een impresario, die voor een operaster alles van te voren in orde moet maken.”

Daar Henderson zijn bevelen reeds gekregen had, bleef Raffles rustig waar hij was en zag toe, hoe de beide Russen instapten, waarop de auto wegreed.

Henderson had echter eveneens het voertuig goed in het oog gehouden en begon het nu te volgen.

Na een rit van ongeveer twintig minuten hield de auto stil en toen Raffles door de voorruit keek, zag hij, dat de wagen van de twee Russen stilhield voor den breeden, somberen ingang van het Victoria Station.

Hij zag, hoe het portier openging, hoe Biridef uitstapte, met zijn valies beladen, en daarop Bogowitsj de hand drukte, om ten slotte haastig in het stationsgebouw te verdwijnen.

Raffles keek even op zijn horloge en bromde voor zich heen:

„Over vijf minuten vertrekt er een trein naar Dublin, onze man maakt groote haast en zoo zou het mij niet verwonderen, dat hij dien trein moest halen. Nu, dat is voorloopig van minder belang. Biridef is voorloopig van het tooneel verdwenen en dat komt mij bijzonder te stade.”

Intusschen was de auto van Bogowitsj reeds weder verder gereden, om pas na verloop van omstreeks drie kwartier ten tweede male stil te staan, thans voor het groote gebouw van de Midland Bank, in Suffolk Road.

In een wip had Raffles zijn plaats in de auto verlaten en stapte uit.

„Wachten tot ik terug kom,” zeide hij op zachten toon tot Henderson.

Het volgende oogenblik was hij in het bankgebouw verdwenen, met zijn portefeuille onder den arm geklemd, op een paar passen afstands achter [15]Bogowitsj, dien hij nu niet meer uit het oog wilde verliezen.

De Rus richtte zich zonder links of rechts te zien en als iemand, die er den weg weet, naar de groote marmeren hall, waar zich de loketten bevonden, ging deze door en nu opende, nadat hij eenige woorden met den man gesproken had, de buigende concierge onderdanig het vergulde hek voor hem, waarop in kleine koperen lettertjes te lezen stond: „Credietbrieven en deposito’s”.

Door de spijlen van het hek kon Raffles gemakkelijk alles waarnemen, wat er geschiedde.

Bogowitsj nam plaats in een der gemakkelijke leunstoelen, die bij een der groote ramen om een rooktafeltje geschaard stonden en een oogenblik later trad er handenwrijvend en glimlachend een kaalhoofdig heer in een deftig gekleede jas op hem toe.

De Rus scheen hem te kennen, knikte hem hooghartig toe, haalde zijn portefeuille te voorschijn, teekende eenige papieren, welke de heer met de zwarte jas in ontvangst nam, waarop deze zich haastig verwijderde.

Raffles had zich een plaatsje veroverd bij een der loketten, tusschen een aantal andere wachtenden in en zoo kon hij waarnemen, wat daar binnen geschiedde, zonder dat het opviel.

Na verloop van omstreeks tien minuten kwam de heer met de gekleede jas terug, drukker dan ooit in zijn handen wrijvend en thans vergezeld door een tweeden heer, die een klein kistje droeg, hetwelk hij op het rooktafeltje plaatste en opende.

De man stond half met zijn rug naar het vergulde hek toe, maar toch kon Raffles aan zijn bewegingen heel goed zien, dat hij bezig was, bankbilletten af te tellen, met de raadselachtige vlugheid, welke aan geoefende kassiers eigen is.

Het duurde vrij lang en telkens maakte de heer met de zwarte jas een korte aanteekening in een notitieboekje, dat hij uit zijn zak had gehaald.

Eindelijk werd het kistje weer gesloten, Bogowitsj stond op, streek een zeer grooten stapel bankpapier naar zich toe, begon die in zijn portefeuille te rangschikken en moest daar nog een tweede bij te hulp roepen, terwijl de beide bankbeambten eerbiedig als bij een plechtigheid toekeken.

Toen begeleidden zij hem gezamenlijk naar de deur in het vergulde hek, en trapten elkander bijna op de teenen in hun haast om haar voor den voordeeligen klant te openen.

Bogowitsj had de beide portefeuilles zorgvuldig in zijn binnenzak geborgen, zijn jas en vervolgens zijn pels erover dichtgeknoopt.

Met een korten hoofdknik nam hij afscheid van de beide bankbeambten en verliet vervolgens het bankgebouw weder.

Dadelijk volgde Raffles hem weder, terwijl hij bij zichzelf mompelde:

„Hij schijnt daar heel wat te hebben opgestreken en dat zonder veel omslag. Nu, het zal niet aan mij liggen, als hij niet langer dan tot vanavond in het bezit van dat gestolen geld blijft.”

En met dit voornemen bezield nam Raffles weder in zijn auto plaats en volgde den wagen van den Rus weder naar het Hotel Cecil terug.

Het was op dat oogenblik omstreeks half twaalf in den morgen.

Een kwartier daarna vroeg en kreeg de pas aangenomen étage-kelner over wien de oberkelner zeer tevreden was, verlof om zijn vrijen middag reeds op dat oogenblik aan te vangen.

— — — — — — — — — — — — — — —

Omstreeks tien minuten voordat de bel voor den lunch zou weerklinken door het groote hotel, hield er een gewone huurauto voor stil, waaruit twee mannen stapten, waarvan de eene een uniform droeg van inspecteur van politie.

De ander was als een gewoon burger gekleed, maar een kenner zou in hem op een mijl afstand den rechercheur herkend hebben.

Hij was een groote, zwaargebouwde en blijkbaar een zeer sterke kerel, in staat om desnoods drie mannen tegelijk de boeien aan te doen.

De beide mannen gingen haastig de vestibule van het hotel binnen en wendden zich dadelijk naar de loge van den portier, die hen niet zonder verbazing zag naderen.

„De gérant?” vroeg de inspecteur kortaf.

„De gérant is in de eetzaal, mijnheer. Wenscht gij hem te spreken?”

„Ja. Kunt gij hem telefonisch waarschuwen? Ik wil liever niet naar binnen gaan.”

„Niets is gemakkelijker, mijnheer. Wie moet ik bij hem aandienen?”

„Zeg eenvoudig, dat er een inspecteur van politie is voor een ernstige zaak.” [16]

Hoofdschuddend nam de portier het toestel ter hand, sprak er een oogenblik in en zeide toen:

„De gérant komt onmiddellijk bij u.”

„Het is goed. Zeg mij eens, goede vriend, hebt gij graaf Stijkof, nadat hij omstreeks half twaalf met zijn auto was teruggekeerd, nog zien uitgaan?”

„Graaf Stijkof?” herhaalde de portier verbaasd en tegelijk verschrikt. „Neen, mijnheer, die is dadelijk naar zijn kamer gegaan en daar moet hij nu nog zijn.”

„Wanneer dacht hij op reis te gaan?”

„Om vier uur!”

„Weet gij niet waarheen?”

„Zeker weet ik het niet, mijnheer, maar zijn koffers zijn naar Dover geadresseerd.”

Op dat oogenblik verscheen de gérant in de loge, die den inspecteur van politie onthutst aankeek, en zeide:

„Wat wenscht gij, mijnheer? Wat kan die ernstige zaak zijn waarvoor gij mij wenscht te spreken?”

„Dat zal ik u dadelijk zeggen, mijnheer,” antwoordde de inspecteur. „Ik kom hier om graaf Stijkof te arresteeren.”

„Wat zegt gij daar! Het kan u toch geen ernst zijn?” riep de gérant verschrikt uit.

„Volmaakte ernst, mijnheer!”

„Maar waarom dan in ’s hemels naam?”

„Omdat er zeer ernstige verdenkingen tegen hem bestaan!”

„Van welken aard?”

„Wij vermoeden, dat hij volstrekt geen graaf is en ook geen Stijkof heet, maar dat hij door het propaganda-comité te Moskou hierheen is gezonden, teneinde hier de geesten rijp te maken voor de revolutie!”

„Maar dat klinkt ongeloofelijk, mijnheer!” hernam de gérant, die zeer bleek was geworden. „Graaf Stijkof is heel rijk en wij zagen hem altijd aan voor een werkelijken edelman.”

„De schijn bedriegt vaak, mijnheer,” hernam de inspecteur met een eigenaardig spotlachje, „en wat het rijk zijn betreft, wel, de Russische propagandisten voor de Bolsjewistische idee kunnen over net zooveel geld beschikken, als zij maar verkiezen; er zijn door de Sovjet-autoriteiten ongeloofelijke sommen gestolen van de rijken en de edelen in Rusland; er zijn duizenden juwelierswinkels geplunderd en de opbrengst daarvan is eenvoudig niet te becijferen. Hier is mijn aanstelling, mijn rechercheur zal u eveneens zijn penning laten zien. Gij zult zeker wel zoo goed zijn, ons even naar het logeervertrek van den graaf te brengen. Ik heb hier een machtiging om tot huisonderzoek over te gaan.”

„Maar bedenk eens, als gij u vergist!” riep de gérant wanhopig uit. „Wij moeten denken om den naam van ons hotel! En zal zoudt gij u niet vergissen, het zou voor ons een buitengewoon groot schandaal zijn.”

„Wij vergissen ons niet, mijnheer,” hernam de inspecteur koeltjes. „Ik wil u echter wel belooven, dat alles zoo bedekt mogelijk in zijn werk zal gaan, zoodat het niet zal uitlekken, wat hier zal geschieden. Mocht het inderdaad blijken, dat wij ons toch nog vergist hebben, wat ik niet geloof, dan zal ik mij haasten u mijn verontschuldigingen aan te bieden. Gij zult wel zoo goed zijn ons te vergezellen en bij de huiszoeking aanwezig te zijn.”

„Maar graaf Stijkof zal vreeselijk opspelen!” meende de gérant hoofdschuddend, die alles behalve was ingenomen met dit onverwachte incident.

„Als dat het ergste is.…!” kwam de inspecteur schouderophalend. „Beter dat uw gast een weinig uit zijn humeur is, dan dat een geheel land naar den ondergang wordt gestuurd.”

De gérant zuchtte en zeide toen:

„Als het niet anders gaat, in ’s hemelsnaam dan! Maar ik verzoek u dringend zoo voorzichtig mogelijk te werk te gaan, want gij moet wel begrijpen, welk een schade het voor onze inrichting oplevert, als er iets dergelijks binnen haar muren voorvalt, onverschillig of de betichting van vijandelijke propaganda op waarheid berust of niet.”

„Ik herhaal u nogmaals, dat ik niet zal nalaten, om alles zoo geheim mogelijk te doen geschieden,” hernam de politie-beambte. „En laten wij nu maar spoedig gaan. De Rus is zeker op zijn kamer?”

„Ja, en gij zult u moeten haasten, want hij wil deelnemen aan den lunch en de groote gong in de vestibule zal wel dadelijk slaan!”

„Vooruit dan maar!” kwam de inspecteur nu.

Hij wendde zich naar de deur, maar voor hij het vertrek verliet, zeide hij tot den portier:

„Met niemand een woord hierover, verstaat gij? Vooral geen opschudding. Wij zijn nog meer Bolsjewisten op het spoor en hoe langer zij in onzekerheid [17]zijn omtrent het lot van hun chef, hoe beter het voor ons is.”

„Ik beloof u, dat ik er met niemand een woord over zal spreken, mijnheer,” antwoordde de portier benauwd.

Hierop volgden de beide politiemannen den gérant, die hen vlug, zeer bevreesd, dat een van de gasten hen onderweg zou zien, tot voor de deur van het appartement van den gewaanden graaf bracht.

Juist ging deze deur open en Bogowitsj, blootshoofds en blijkbaar voornemens om zich naar de groote eetzaal te begeven, verscheen op den drempel.

De inspecteur deed een stap op hem toe en zeide op zachten toon:

„In naam des Konings, Fedor Bogowitsj, ik arresteer u!”