Bogowitsj bleef een oogenblik doodstil staan, liet zijn zwarte oogen van den een naar den ander dwalen en vroeg toen, terwijl hij den inspecteur strak aankeek:
„Met welk recht wilt gij mij gevangen nemen? Wat heb ik misdaan? Heeft een Rus dan niet meer het recht hier te vertoeven?”
„Dat heeft hij slechts onder zekere omstandigheden,” antwoordde de inspecteur koeltjes. „Ten eerste moet hij een erkend middel van bestaan hebben, ten tweede moet hij zijn eigen naam voeren, ten derde moeten zijn passen in orde zijn en dan moet hij zich ten vierde vooral niet inlaten met vijandelijke propaganda.”
„Wat verstaat gij daaronder?” vroeg Bogowitsj op gedempten toon.
„Dat weet gij evengoed als ik,” antwoordde de inspecteur. „Gij zijt een Bolsjewist, wat niemand u hier kan kwalijk nemen en gij wilt het Bolsjewisme ook in Engeland invoeren, en dat duidt men u daarentegen zeer euvel!”
„Hoe zult gij mij dit bewijzen?”
„Kom, kom, Fedor Bogowitsj,” riep de inspecteur ongeduldig uit, „tracht u niet langer van den domme te houden! Uit het feit, dat ik uw waren naam ken, moest u reeds voldoende blijken, dat ik u doorzien heb. Maar als gij nog meer bewijzen wilt, ik ben overtuigd, dat wij die hier in uw kamer te kust en te keur zullen vinden!”
De inspecteur, de rechercheur en de gérant waren het logeervertrek reeds binnen getreden en de laatste had de deur snel gesloten, bevreesd als hij was, dat er iets van het schandaal naar buiten zou uitlekken.
De inspecteur wierp een snellen blik om zich heen, terwijl de andere beambte den Rus goed in het oog hield.
Er stonden reeds een paar handvaliezen gepakt en een groote koffer stond in een hoek van het vertrek, nog niet gesloten, maar tot aan den rand met kleederen gevuld.
Blijkbaar was de Bolsjewiek voornemens geweest, dadelijk na den lunch de toebereidselen voor zijn reis voort te zetten.
„Ga daar zitten,” zoo wendde de inspecteur zich tot Bogowitsj, „en verroer u niet! Doorzoek zijn zakken!” [18]
Dit laatste werd gezegd tot den rechercheur, die dadelijk op den gewaanden graaf toe trad.
Bogowitsj verbleekte en riep op doffen toon:
„Durft gij het wagen mij te fouilleeren?”
„Ik zou u aanraden een minder hoogen toon aan te slaan,” kwam de inspecteur hooghartig. „Wij weten reeds alles van u, Fedor Bogowitsj.”
„Misschien.… is het toch wel een vergissing,” kwam de gérant benauwd, terwijl hij zenuwachtig zijn handpalmen over elkaar wreef. „Als dat werkelijk zoo mocht blijken te zijn, graaf, dan.…”
„Het is geen vergissing, mijnheer!” riep de inspecteur ongeduldig uit. „Gij zult u er aanstonds zelf van kunnen overtuigen.”
De rechercheur had intusschen, terwijl de inspecteur met getrokken revolver voor den Rus had plaats genomen, de zakken van dezen laatste met groote snelheid geledigd en den inhoud op de tafel uitgespreid.
Nu nam de inspecteur deze voorwerpen achtereenvolgens op, en zeide, zich half tot den gérant keerend:
„Gij ziet wat het is! Een kleine browning met scherp geladen, een paar portefeuilles opgepropt met Engelsch bankpapier, een boksbeugel, een gummi ploertendooder, een paspoort ten name van graaf Stijkof, een brochure over het Bolsjewisme, of liever de proefjes ervan met blauw potlood gecorrigeerd, en een zeemlederen zakje met ongeslepen en geslepen diamanten, ter waarde van omstreeks tien duizend pond sterling. Denkt gij, dat de echte graaf Stijkof zulk een zonderlinge verzameling in zijn zak zou medevoeren?”
De gérant keek bedremmeld voor zich.
Hij zag zelf wel in, dat hetgeen hier te voorschijn was gekomen, in de zakken van een uitgeweken Russischen graaf al een zeer vreemd figuur zou maken, maar de houding van Bogowitsj was nog altijd zoo zelfbewust en hooghartig, dat de gérant nog steeds meende, met de een of andere grap of met een betreurenswaardige vergissing te doen te hebben.
Raffles zag de aarzeling op zijn gelaat en vervolgde schouderophalend:
„Ik zie wel, dat gij meer noodig hebt om u te laten overtuigen, mijnheer! Welnu, ik ben voorzien van een volmacht hier in de kamer van den verdachte huiszoeking te doen en ik noodig u uit, daarbij tegenwoordig te blijven. Er zal nog wel het een en ander aan den dag komen, in staat om ook uw laatsten twijfel geheel weg te nemen.”
En terwijl de rechercheur den arrestant met zijn revolver in bedwang hield, begon de inspecteur met een handigheid, die de bewondering van den gérant opwekte, alle meubels grondig te onderzoeken.
Hij liet geen lade ongeopend, geen kast ondoorzocht, geen vakje ondoorsnuffeld.
Maar vooral de koffer van Bogowitsj scheen zijn aandacht tot zich te trekken.
Hij keerde het ding eenvoudig op den vloer om, zoodat de geheele inhoud er uit rolde, schopte alles met zijn voet uiteen, haalde er een sandelhouten cassette uit, die op slot bleek te zijn en had haar binnen enkele tellen geopend, terwijl Bogowitsj schuimbekkend van woede toekeek.
Maar daarin scheen hij niets van belang te ontdekken, want ofschoon de doos een aantal papieren bevatte, die de inspecteur snel doorlas, wierp hij slechts nu en dan een veelzeggenden blik op zijn gevangene.
Hij keerde de cassette om, klopte op den bodem, mat met behulp van zijn zakpotlood eerst de binnenzijde en vervolgens den buitenkant en … glimlachte.
Zonder zich de moeite te geven te zoeken naar de juiste ligging van het geheime vakje, dat hij zooeven had ontdekt door een eenvoudige meetbewerking, liet hij het kistje op den grond vallen en zette er den voet op.
Krakend barstte het uiteen.… en daar vielen eenige papieren uit.
Bogowitsj was met een onwillekeurige beweging opgesprongen om te voorkomen, dat de inspecteur de papieren zou oprapen, maar met een enkelen duw kwakte de rechercheur hem zeer onzacht weder op zijn plaats.
De inspecteur raapte snel de papieren op en nauwelijks had hij er een blik op geworpen of hij riep zegevierend:
„Nu zult gij u toch wel gewonnen moeten geven, mijnheer de gérant! Wat ik hier in mijn hand heb zijn de legitimatiebewijzen van Bogowitsj, op zijn eigen naam gesteld en die hem toegang moeten geven tot de Bolsjewisten, die hier reeds in ons land vertoeven, niet bepaald tot zijn meerder geluk. En dan zijn er nog eenige brieven, die u echter weinig belang zullen inboezemen, maar mij des te meer.” [19]
De gérant liet zich op een stoel neervallen en wischte zich met zijn zakdoek het voorhoofd af.
Toen stamelde hij:
„Wie had dat ooit kunnen denken! Ik bid u, inspecteur, kan dat alles niet in het geheim behandeld worden? Bedenk, dat de naam van een der grootste hotels van Londen er mee gemoeid is. Het is nog niet zoolang geleden, dat wij hier een zeer onaangenaam voorval hebben moeten beleven, waarin John Raffles, u natuurlijk wel bekend, een groote rol heeft vervuld, en nu dit weer.… werkelijk, wij zouden het op hoogen prijs stellen, wanneer er in het geheel geen ruchtbaarheid aan deze zaak werd gegeven.”
„Ik kan u daaromtrent volstrekt geen vaste toezeggingen doen, mijnheer,” antwoordde de inspecteur, om wiens lippen heel even een zonderling glimlachje gespeeld had, toen de gérant den naam van John Raffles noemde, „maar wel wil ik u belooven, dat ik bij mijn chefs de grootst mogelijke stilzwijgendheid zal bepleiten. Dat is ook voor onszelven van belang, want hoe minder wij van deze aangelegenheid aan de groote klok hangen, hoe gemakkelijker wij ook de overige vooraanstaande Bolsjewisten in handen zullen krijgen. Wij zullen hen zeker niet ontijdig waarschuwen door al te veel ophef van de arrestatie van Bogowitsj te maken.”
„Ik zeg u daarvoor hartelijk dank, mijnheer,” riep de gérant uit. „Een avontuur met Raffles is voor ons al meer dan voldoende, de eerste jaren behoeven wij niets meer van dien aard te beleven, dat verzeker ik u.”
„Dat kan ik mij levendig voorstellen,” zeide de inspecteur droogjes. „En nu zullen wij maar aanstonds handelend optreden.”
Hij wendde zich tot den arrestant en zeide:
„Wij zullen u uwe overjas over de schouders werpen, zoodat niemand zal kunnen zien, dat gij geboeid zijt. Maar ik waarschuw u, dat iedere poging om te ontvluchten voor u zeer ernstige gevolgen zal hebben; maar eerst de stukken van overtuiging.…”
Snel greep de inspecteur een valies, dat onder het bereik van zijn hand op de tafel stond en nog geheel ledig was, en begon er de papieren en het geld in te pakken.
Dit alles duurde nauwelijks eenige minuten.
Hij sloot het valies, nam het op, tikte even aan zijn pet voor den gérant, die met bleek gelaat op dezelfde plek was blijven staan en zeide op korten toon tot den rechercheur:
„Doe hem zijn jas om!”
De reusachtige politiebeambte deed wat hem bevolen was, na de jas van den stoel te hebben genomen, waar zij gereed lag.
Daarop vervolgde de inspecteur, zich tot zijn gevangene richtende:
„Sta op en loop voor mij uit. Hoe vlugger gij loopt, hoe minder men u arrestatie zal bemerken.”
„Gij schijnt te vergeten, dat ik er wel eens op gesteld kon zijn, dat men mijn arrestatie juist wel en zeer duidelijk bemerkte, mijnheer!” zeide Bogowitsj op doffen toon.
„Aha, ik begrijp wat gij zeggen wilt,” kwam de inspecteur spottend. „Gij hebt hier zeker kameraden in de buurt, die wraak zouden kunnen nemen, niet waar? Laat ik u mogen zeggen, dat wij ook hierop gerekend hebben. En nu geen praatjes meer, vooruit!”
De kleine stoet verliet het vertrek.
Vooraan liep Bogowitsj en hij had in het hotel zeker geen medeplichtigen, want hij liep zeer snel en scheen verlangend te zijn het gebouw te verlaten.
Beneden gekomen keek hij even rond en stapte toen, op een wenk van den inspecteur in de wachtende auto.
De inspecteur ging tegenover hem zitten, terwijl de rechercheur naast hem plaats nam met den ketting van de boeien tusschen zijn geweldige knuisten.
De auto had zich nauwelijks in beweging gesteld of Bogowitsj vroeg, zich tot den inspecteur wendende:
„Waar brengt gij mij nu heen?”
„Dat zult gij wel zien!” antwoordde deze schouderophalend.
Bogowitsj nam den politiebeambte eenige oogenblikken scherp op en begon na eenigen tijd, maar met aarzelende stem:
„Valt er met u.… te praten?”
„Wat meent gij daarmee?” vroeg de inspecteur.
„O, als gij mij niet aanstonds begrijpt, zal ik mij de moeite wel kunnen besparen het u uit te leggen,” riep Bogowitsj schamper uit.
„Dan zal ik het zelf wel doen,” hernam de inspecteur kalm. „Gij hebt willen weten, of wij ons wellicht lieten omkoopen, niet waar? Voor eenige duizenden roebels bijvoorbeeld? Of voor een half dozijntje van die diamanten, welke ik nu in mijn zak heb? Is het niet zoo? Geef maar geen antwoord, ik zie [20]al aan uw gelaat, dat ik goed geraden heb. Nu, gij kunt alle illusies dienaangaande gerust laten varen, gij hebt niet met Russen te doen.”
Bogowitsj gaf geen antwoord, maar scheen in gedachten verzonken te zijn.
Maar eensklaps hief hij het hoofd weder op en vroeg:
„Wat zou er met mij gebeuren, denkt gij?”
„Wel, ik heb eerst gemeend, dat men u eenvoudig het land zou uitzetten, maar bij nader inzien geloof ik toch niet, dat gij er daarmee zult afkomen. Volgens onze nieuwe wetten op het verwekken van revolutie zal men u denkelijk eenige jaren achter slot en grendel sluiten.”
Weer boog Bogowitsj het hoofd en geruimen tijd sprak hij niet.
Toen hij den inspecteur opnieuw aankeek, schitterden zijn zwarte oogen van wraakzucht.
„Luister eens,” begon hij. „Gij hebt mij nu gearresteerd, maar daarmede is nog niet alles gezegd. Gij hebt de papieren in de geheime afdeeling van de cassette gevonden en daaruit hebt gij kunnen zien, dat de ware graaf Stijkof, wiens papieren wij ten algemeenen nutte hebben onteigend, in onze macht is evenals zijn vrouw en zijn kind. Welnu, als gij dan niet wilt luisteren naar den klank van het goud, zoo zult gij toch misschien wel ooren hebben voor de geboden der menschelijkheid, waarmede gij Engelschen steeds te koop loopt.”
„Wat wilt gij zeggen?” vroeg de inspecteur met gefronste wenkbrauwen.
„Dat zult gij hooren! Gij zult mij wel goed bespionneerd hebben en weet dus, dat mijn helper, of mijn secretaris als gij wilt, zich reeds eenige uren geleden naar een andere stad heeft begeven.…”
„Naar Dover!” viel de inspecteur hem kalm in de rede.
„Ah, dat weet gij ook?” vroeg de Bolsjewist met een zuurzoet lachje. „Mijn complimenten! Uwe politie is bijna zoo goed als onze vroegere Ochrana. Nu dan, ik had mij reeds vanmiddag bij hem moeten voegen. Als ik wegblijf, zal hij dadelijk vermoeden, dat er iets niet in orde is. Maar nu hebben wij de afspraak gemaakt, dat graaf Stijkof met zijn leven zal boeten voor alle straffen, welke men een onzer hier zou mogen opleggen. Gij begrijpt de beteekenis daar van wel? Ik heb mijzelf een speling van twee etmalen gegeven.
„Hoort men in acht en veertig uur niets van mij te Dover, dan gaat er een telegram in geheime code langs een omweg naar Moskou en een paar uur daarna heeft graaf Stijkof opgehouden te leven. Wat dunkt u daarvan?”
„Wat zou ik er van zeggen?” vroeg de inspecteur met een minachtend schouderophalen. „Dat alles is uwer waardig! Wat zou men van u lieden anders kunnen verwachten? Bloeddorst schijnt met uwe beginselen, waarmede gij de wereld gelukkig wilt maken, nu eenmaal onafscheidelijk verbonden te zijn.”
„Oog om oog en tand om tand; het is een oeroude wet!” zeide de Rus op heeschen toon.
„Ja, en alle menschen zijn broeders!” riep de inspecteur op snijdenden toon. „Dat leeraart gij tenminste zelf. Maar voor u zijn alleen de overtuigingsgenooten menschen, de overige mogen naar de hel gaan. Wel, mijnheer Bogowitsj, dat hebt gij dan heel mooi bedacht! Dus als Biridef niets van u verneemt en zijn telegrammen naar uw hotel te Londen onbeantwoord blijven, dan wordt graaf Stijkof ergens in Rusland afgemaakt?”
„Zoo is het!”
„Prachtig! Maar gij hebt een ding vergeten. Ik weet namelijk uit uw papieren, waar de verblijfplaats van den graaf is. En ook ken ik die van zijn rampzalige vrouw en van zijn kind.”
Bogowitsj haalde de schouders op en liet een schamper lachje hooren.
„En wat zou het u baten, dat gij die verblijfplaats kent?” riep hij uit. „Alle drie vertoeven zij in Siberië en geen vreemdeling kan daar doordringen. En al was dat mogelijk, dan zouden er toch weken en nogmaals weken mede gemoeid zijn, aangenomen, dat men Rusland zou kunnen binnenkomen zonder toestemming van de Sovjet-autoriteiten. Neen, als Biridef zijn telegram verzendt, dan is het lot van graaf Stijkof beslist!”
„Neen!” riep de inspecteur met vaste stem uit. „Want er bestaat iemand, die zich niet stoort aan landsgrenzen of Sovjet-autoriteiten! Er is iemand, voor wien afstand geen zin heeft, er is iemand, die den weg tot in het hartje van Siberië binnen twaalf uur kan afleggen. Die heet John Raffles! Hij zal graaf Stijkof en zijn ongelukkige vrouw bevrijden.… en hij zit tegenover u!” [21]