Daar Raffles besloten was, den kortsten weg te nemen, volgde hij de rechte lijn, die hem over Nederland, het Noorden van Duitschland, Polen en Rusland naar het einddoel van de reis zou voeren.
Daar het volstrekt onmogelijk was, de bekende steden als richtsnoer te nemen, moest Raffles wel van het compas gebruik maken, dat helder verlicht werd door een kleine electrische lamp, die tevens haar schijnsel wierp op de voortreffelijke kaart, die, door glas beschermd, voor de bestuurdersplaats was bevestigd.
De vliegmachine was nog nauwelijks over Londen gevlogen, of de snelheid was zoo ontzaggelijk groot, dat het volkomen onmogelijk zou geweest zijn, hierboven adem te halen, wanneer de luchtreizigers niet beschermd waren geweest door den schuinen opstaanden rand van het schuitje, in den vorm van een voorsteven.
In ongeloofelijk korten tijd was de „Duivel der lucht” over de Noordzee gevlogen, het was nog geen vijf uur, toen reeds de lichten van Rotterdam aan den horizon als een veilig baken in zee opdoemden.
Over Utrecht, Zutfen en Enschede vloog de machine en deze afstand van bijna twee honderd kilometer werd in vijf en twintig minuten afgelegd.
Zooals gewoonlijk had Raffles een zorgvuldige berekening gemaakt van de tijdstippen, waarop hij de verschillende groote plaatsen moest passeeren en dit gaf hem een goede aanwijzing, of hij de goede route volgde en niet al te zeer links of rechts afweek, of minder dan vijf honderd kilometer per uur aflegde. [26]
In den donkeren nacht werd de tocht voortgezet over Osnabrück, Hannover, Brandenburg, en omstreeks kwart over zessen kwam Berlijn in het zicht, kenbaar als een zee van licht.
Op een hoogte van ongeveer duizend meter zweefde de „Duivel der lucht” met onverminderde vaart en met gedoofd zoeklicht over de wereldstad, die daar diep beneden het vliegtuig met razende snelheid voorbijschoof, en zonder ophouden ging het weder verder, in de richting van de Russische grens.
Een weinig ten Noorden van de vesting Posen hield Raffles aan, op wat vroeger de grens was tusschen het Duitsche rijk en Polen.
De tocht werd nu voortgezet over een dicht bevolkte streek en onophoudelijk doemden hier en daar de lichten op van nieuwe steden en dorpen.
Nu en dan wisselden Raffles en Charly, die naast elkander gezeten waren, een paar woorden, terwijl Henderson achter hun rug bezig was, met behulp van zijn kleinen electrischen oven het middagmaal te bereiden, dat zou bestaan uit een gebraden eend, wat brood, en een paar handen vol druiven, met een kopje geurige koffie toe, want zelfs dien drank wist de reus aan boord van het ranke zweeftuig voortreffelijk te bereiden.
En toen de „Duivel der lucht” reeds in het hartje van Polen was en Warschau ver in het Zuiden achter zich had gelaten, nuttigden Raffles en Charly met smaak het middagmaal, terwijl Henderson de stuurinrichting had overgenomen.
Zeker, deze kleine vliegmachine was oorspronkelijk niet ingericht om er gemakzuchtige passagiers mede te vervoeren en men moest zich een weinig behelpen, maar het verblijf in de koude nachtlucht had den eetlust gescherpt, en de eend verdween dan ook met grooten spoed in de hongerige magen.
Zonder dat de snelheid ook maar een oogenblik werd verminderd en terwijl de electrische machine werkte met de regelmaat van een klok, werd de reis onophoudelijk voortgezet.
De koude deed zich op deze groote hoogte fel voelen en de reizigers wisten, dat het nog heel wat erger zou worden, want sedert eenige dagen brachten de bladen berichten van hevigen sneeuwval en koude uit geheel Rusland en Siberië.
En niet alleen de koude werd nu de vijand van de drie stoutmoedige mannen.
Zij zouden nu ook met de menschen moeten rekenen en niemand kon zeggen of zij, indien zij eens gedwongen werden om te dalen, vriend of vijand zouden ontmoeten.
Maar in ieder geval konden zij er wel zeker van zijn, dat men alles behalve vriendelijk gezind zou zijn ten aanzien van drie vreemdelingen, die zich volstrekt niet stoorden aan grenzen en met hun vliegmachine waren komen binnendringen.
Steeds op het compas turende bracht Raffles de vliegmachine voorbij Minsk, Witebsk en Jaroslaw en nog altijd draaide de motor even regelmatig en snorde de schroef met duizelingwekkende snelheid.
En het was goed, dat de reizigers dikke pelsen hadden aangetrokken, want de koude werd bijna onuitstaanbaar.
Van het gelaat der drie luchtreizigers was niets te zien dan de oogen, en deze waren door een grooten bril, waarvan de randen van bont voorzien waren, beschermd.
Aan slapen dacht niemand.
Nog slechts weinige uren scheidden hen van het oogenblik der landing en het werd nu juist meer dan ooit zaak, ooren en oogen goed open te houden.
Weliswaar zou hun leven denkelijk geen dadelijk gevaar loopen, tenminste wanneer zij in handen kwamen van welgezinde Russen, maar toch zou hun aanhouding een zeer kostbaren tijd verloren doen gaan.
Er was Raffles dus veel aan gelegen, dat de machine zoo geregeld als een uurwerk bleef doorloopen en daarvoor was het toezicht van Charly op den electromotor onontbeerlijk.
Raffles zelf hield den blik onafgewend gevestigd op de kaart, welke hij telkens een weinig verder verschoof door aan een kleinen knop te draaien, en op het compas.
Nog slechts een uur, misschien vijf kwartier, en het eerste doel van de reis zou bereikt zijn.
Reeds was de vliegmachine over Orlof gevlogen, het voornaamste kruispunt van voerwegen in deze streek van Rusland en waarvan een lijn liep naar Tjumen, een vijftigtal wersten voorbij de Siberische grens.
Maar van die lijn dacht Raffles geen gebruik te maken, want hij zou er toch niets aan hebben en hoe vreemd het ook klinkt, een vliegmachine was op dit oogenblik wel zoo veilig. [27]
Het was omstreeks één uur in den nacht, toen Raffles de linkerhand ophield ten teeken, dat men het doel van de reis naderde.
Hij had de vliegmachine tamelijk aanzienlijk laten dalen en toen Charly zich over den rand van het schuitje boog, meende hij in de diepte eenige vage, donkere vormen te onderscheiden, die zich schaarden langs wat de Loswo moest zijn, de breede, uitgestrekte rivier, waarover des zomers een tamelijk druk verkeer plaats heeft, maar die nu gevangen was in de boeien van den witten vorst, en met een zoo dikke laag ijs was bedekt, dat een geheel legerkorps met artillerie en al er zonder eenig gevaar over heen had kunnen marcheeren.
En de jonge man begreep, dat die donkere vormen de huizen moesten zijn van het stadje of het groote dorp Kusina.
En verder was er niets anders te zien dan een onmetelijk groote witte vlakte, die nu en dan oplichtte, wanneer de maan van achter de zwaar met sneeuw beladen wolken te voorschijn kwam.
Heel in de verte glinsterde hier en daar eenige lichten, maar het was onmogelijk vast te stellen, waarvan die schijnsels afkomstig waren.
Raffles had den electromotor reeds eenige oogenblikken te voren afgezet, opdat men daar beneden het gerucht niet zou vernemen, en hij deed nu de „Duivel der lucht” met weergalooze behendigheid, alleen door de vleugels gedragen, in een spiraalvormige zweefvlucht neerdalen.
Zooals een vogel zich neerzet op een tak, zoo gleed de „Duivel der lucht” geruischloos neder op de eindelooze sneeuwvlakte.
En dadelijk bemerkte Raffles, dat hij er goed aan had gedaan, de machine te doen voorzien van een stel vlotters, niet ongelijk aan die, welke men aan watervliegtuigen opmerkt, want daar de sneeuw hier bijna een meter hoog was, zou de vliegmachine er diep in zijn weggezakt, hetgeen het weder opstijgen zeer zou hebben bemoeielijkt.
Thans stoof de machine door haar eigen vaart nog wel bijna een halve kilometer voort op de beide vlotters, die als het ware het onderstel van een groote slede vormden en eindelijk stond de „Duivel der lucht” stil op ongeveer een werst van het dorp Kusina.
Daar scheen alles reeds in diepe rust verzonken te zijn, want niet het minste gerucht drong tot de drie reizigers door, die vlug uit de machine waren geklauterd en nu wat door de sneeuw heen en weer baggerden, teneinde hun verstijfde ledematen weder wat los te maken.
Van een weg viel volstrekt niets te bespeuren, alles was bedekt met een gelijkmatige sneeuwlaag, die alle omtrekken vervaagde en alleen een groot gedeelte van den ijsvloer op de rivier onbedekt had gelaten, waarschijnlijk had de felle wind de sneeuw over deze gladde oppervlakte voor zich uit geblazen.
Onmiddellijk besloot Raffles van deze omstandigheid gebruik te maken, het was bijna de eenige manier, om veilig het dorp te bereiken, zonder gevaar te loopen, halverwege in de sneeuw te blijven steken.
Het was bitter koud en Raffles besloot dan ook, zoo spoedig mogelijk handelend op te treden.
Hij wenkte zijn beide metgezellen bij zich, en begon:
„Luister eens, vrienden! Het is natuurlijk volstrekt noodzakelijk, dat een onzer bij de vliegmachine blijft, en ik geloof dat onze Henderson daarvoor het best geschikt is, want hij zal zich het toestel niet laten ontfutselen, niet waar?”
„Wie er met een vinger naar durft wijzen, Mylord, sla ik aanstonds de hersens in,” zeide de reus op grimmigen toon.
„Zoover zal het wel niet komen, Henderson,” hernam Raffles glimlachend, „maar wij moeten toch op alle mogelijkheden voorbereid zijn. Ook het wolvengevaar is niet denkbeeldig. Je wapent je dus met geweer en revolver, en let goed op. Mijnheer Charly en ik zullen naar het dorp gaan, vermomd in Russische uniformen, waarbij wij ons natuurlijk voor „Rooden” zullen moeten uitgeven, en voor de rest zullen wij wel op ons goed gesternte moeten vertrouwen, want wij weten natuurlijk volstrekt niet waar men graaf Stijkof gevangen houdt. Wij zullen het echter wel zoo inrichten, dat men ons dat zegt en wanneer hij eenmaal bij ons is, heeft de rest niet veel meer te beteekenen. Wij zullen nu de vliegmachine zoo dicht mogelijk tot aan den oever der rivier trekken, die hier gelukkig zeer laag is, en je zult goed acht slaan op den stroom, Henderson, want langs die zijde moeten wij ook weder terugkeeren, tenzij wij ons van een slede kunnen meester maken. Zoodra je ons ziet aankomen, [28]breng je den motor in beweging, zoodat wij niet anders te doen hebben dan de schroef in te schakelen.”
Op dit oogenblik liet zich van den kant van de rivier een gerucht hooren, het geleek op belgerinkel, als van een sledetuig, en de schelletjes, die het geluid veroorzaakten, klonken, ofschoon het nog op verren afstand was, helder en duidelijk door de vrieslucht.
De drie mannen luisterden een oogenblik en toen zeide Raffles:
„Het geluid komt in deze richting. Ik denk, dat er een slede nadert over het ijs van de rivier. Laten wij het spoedig gaan zien, want wie weet is het toeval niet op onze hand en kunnen wij ons van dat voertuig meester maken, om op die wijze in en uit het dorp te geraken.”
Snel wapenden de drie mannen zich met hun geweren, en ijlden toen naar den oever der rivier, zoo snel de dikke sneeuwlaag het toeliet.
Daar gekomen wierpen zij zich op de sneeuw en vestigden het oog op de ijsvlakte, die zich in de verte verloor.
De scherpe blik van Henderson had al spoedig in de verte een zwarte punt ontdekt, die tamelijk snel grooter werd en het duurde niet lang of de drie mannen konden een slede onderscheiden, een zoogenaamde troïka, dat wil zeggen met drie paarden bespannen.
Raffles had zijn nachtkijker medegenomen en bracht dien voor het oog.
Bijna dadelijk liet hij het instrument weder zakken en zeide op gedempten toon:
„Behalve de voerman zit er nog maar een persoon in, en hij draagt een uniform-pet! Het kon niet mooier, vrienden. Wij moeten die slede tot iederen prijs aanhouden!”
„Dan zullen wij haar aanhouden, Mylord!” hernam Henderson kalm. „De slede houdt dezen oever en de paarden schijnen niet al te best beslagen te zijn, want zij loopen niet bijzonder vlug zou ik zeggen.”
„Misschien zijn zij wel doodelijk vermoeid, Henderson,” meende Charly. „Hoe het ook zij, wij zijn met ons drieën, en als wij ons plotseling vertoonen en met onze wapens dreigen, zal de koetsier wel zoo verstandig zijn, zijn paarden in te houden.”
Op dat oogenblik bevond de slede zich nog slechts een honderdtal meter van de drie mannen verwijderd.
De twee mannen die er in zaten waren als menschelijke wezens bijna onkenbaar, zoo dicht waren zij in hun pelsen gewikkeld, terwijl hun hoofd schuil ging in een groote muts van berenvel, wat den koetsier betreft, en in een militairen kolbak, wat den anderen persoon aangaat, die achter hem was gezeten.
Raffles gaf zijn beide metgezellen een teeken, allen grepen naar hun geweren, en daarop lieten zij zich snel van de flauw glooiende oeverhelling glijden.
De maan was juist van achter de wolken te voorschijn gekomen, en verlichtte hunne gedaanten helder.
Onwillekeurig hield de voerman met een ruk zijn drie paarden in, en het volgende oogenblik had Henderson de dieren met een krachtigen ruk tot staan gebracht, terwijl Raffles en Charly ieder aan een kant van de slede naderden en op de treeplank sprongen, na hun geweer aan den riem over den schouder te hebben geworpen en hun revolver ter hand te hebben genomen.
De man in de slede was zoo verbluft door dit onverwachte optreden, dat hij hier onmogelijk had kunnen verwachten, dat hij volstrekt geen woord kon uitbrengen en zijn beide aanranders met groote oogen aanstaarde.
Toen vroeg hij in het Russisch:
„Wat heeft dat te beteekenen? Wat wilt gij van mij? Ik heb geen geld bij mij!”
„Het is ons ook niet om uw geld te doen!” antwoordde Raffles, zich van dezelfde taal bedienende, welke hij voortreffelijk sprak. „Wij willen niets anders hebben dan uw papieren, uw slede en uw paarden, en zelfs die kunt gij later wel weder terug krijgen, als gij dat wilt.”
De Rus scheen te aarzelen, maar een blik op de beide blinkende revolvers gaf hem de overtuiging, dat hij ver in de minderheid was en het verstandigst zou handelen, wanneer hij toegaf.
Hij knoopte dus langzaam zijn zware pels open, die zijn uniform bleek te verbergen en waarbij Raffles hem nauwkeurig in het oog hield.
„Doe die revolvertasch maar af,” beval hij koeltjes, zoodra hij dit voorwerp in het oog kreeg.
De Russische majoor van het Roode leger, want dit bleek hij te zijn, gespte de koppel los, waaraan zijn revolvertasch hing, en dadelijk maakte Charly zich van dit wapen meester. [29]
„Nu uw papieren!” beval Raffles.
„Maar ik weet niet wat gij wilt, ik heb geen papieren!” riep de majoor uit.
„Kom, kom, mijnheer, houd ons niet onnoodig op!” hernam Raffles ongeduldig. „Gij moet een pas of iets dergelijks bij u hebben, misschien wel een lastbrief of een geschreven bevel, en gij wilt ons toch zeker niet dwingen, om jegens iemand van uw rang geweld te gebruiken?”
Met tegenzin stak de majoor de hand in den binnenzak van zijn tunika en haalde er een gemslederen portefeuille uit, welke hij Raffles aarzelend toestak.
Deze opende vlug de portefeuille, nam er de papieren uit, las ze haastig door, en glimlachte.
„Het kon niet mooier!” zeide hij, terwijl hij de papieren langzaam weder opvouwde en in zijn eigen zakken liet verdwijnen. „Ik moet zeggen dat het lot mij ditmaal al zeer gunstig gezind is! Gij komt naar Kusina, voorzien van een bevel om graaf Stijkof, die hier gevangen wordt gehouden door de uwen, naar een andere plaats over te brengen, misschien nog verder van zijn ongelukkige vrouw en zijn kind verwijderd. Nu, graaf Stijkof zal ook worden weggebracht, al is het dan niet door u en ook niet naar de plek, die gij voor hem bestemd hadt! Wees zoo goed om uit te stappen!”
„Uitstappen?” herhaalde de majoor langzaam. „Wat hebt gij met mij voor?”
„Maak u niet ongerust, uw leven loopt volstrekt geen gevaar,” hernam Raffles koeltjes. „Wij willen alleen uw plaats innemen.”
De majoor stapte uit zijn slede, vloekend en bleek van woede.
Raffles nam hem den kolbak van het hoofd en gaf hem daarvoor in de plaats zijn eigen muts.
„Doe die pels uit! Gij kunt de mijne krijgen en ik geloof dat de ruil voor u niet eens zoo kwaad is,” vervolgde Raffles op bevelenden toon.
De majoor moest zijn militairen pels afgeven, welke Raffles snel aantrok, en nadat dit geschied was, nam Charly de plaats van den voerman in, die van het geheele geval volstrekt niets begreep en bevend zijn plaats inruimde.
Terwijl hij zijn pels dichtknoopte, na de papieren in den buitenzak daarvan te hebben gestoken, zeide Raffles, zich tot Henderson wendende en terwijl hij zich ditmaal van de Engelsche taal bediende:
„Laat die mannen voor je uit loopen, Henderson, en houd hen goed in het oog. Ik vertrouw hen aan jouw hoede toe, meer behoef ik zeker niet te zeggen.”
„Dat is voldoende, Mylord!” antwoordde de reus trouwhartig. „Zij zullen geen voet verzetten, dat verzeker ik u. Waar moet ik hen heenbrengen?”
„Breng hen maar tot dicht bij de vliegmachine. In geen geval mag je schieten, je vuisten zijn gelukkig sterk genoeg om je in geval van nood als wapen te kunnen dienen.”
Raffles had reeds in de slede plaats genomen en Charly had de teugels van het driespan gegrepen.
De majoor had met de grootste verbazing de klanken van de vreemde taal opgevangen en barstte nu uit:
„Engelschen! Nu begrijp ik er heelemaal niets meer van!”
„Dat is ook volstrekt niet noodig, majoor!” hernam Raffles kortaf. „Het is ruimschoots voldoende als wij het begrijpen. Wees zoo goed naar den oever van de rivier te loopen en beschouw mijn metgezel, die een hoofd boven u uitsteekt, ofschoon gij niet tot de kleinsten behoort, als uw cipier! Ik zou u niet raden, hem te weerstreven, want hij zou u kunnen verpletteren als een vlieg. Wij hopen spoedig terug te zijn en dan zullen wij u weder de vrijheid hergeven, tenminste wanneer wij er in kunnen slagen de telegrafische verbinding te verbreken met een andere stad, als die verbinding bestaat, wat ik betwijfel.”
En zonder zich verder om de beide Russen te bekommeren, riep hij Charly toe:
„Vooruit!”
De slede zette haar tocht over de bevroren oppervlakte van de rivier voort en een kwartier later ongeveer had zij Kusina bereikt.
Terwijl Charly op zijn plaats bleef zitten, stapte Raffles uit de slede, beklom de treden, die naar den hier tamelijk hoogen oever voerden en stond toen aan het begin van een smalle straat, zoo volkomen donker, als een Russische straat maar bij mogelijkheid zijn kan.
Op goed geluk liep hij de straat teneinde en bereikte eenige minuten later het kleine marktplein.
Daar zag hij licht in een huis en daar er ruwe stemmen naar buiten klonken en de brokstukken van een revolutionnair liedje, begreep hij aanstonds dat hij op het goede spoor was. [30]
Zonder zich een oogenblik te bedenken trad hij op het huis toe en bonkend dreunde zijn vuist op de deur.
Onmiddellijk werd het daarbinnen muisstil, een oogenblik daarna werd de deur geopend door een soldaat van de roode garde, gewapend met een lantaarn, waarvan hij het schijnsel op den man daarbuiten liet vallen.
Daar Raffles de voorzorg had genomen vlug een dichten, valschen baard om te hangen, geleek hij al zeer veel op een militair van hoogen rang.
En hoe Bolsjewistisch de man met de lantaarn ook mocht zijn, hij ging bij het zien van de kolbak van wit geitenvel en van de militaire pels onmiddellijk in de houding staan, en stotterde:
„Neem mij niet kwalijk, kameraad majoor! Wij wisten niet dat er nog zoo laat.…”
„Het is goed!” viel Raffles hem op barschen toon in de rede. „Breng mij bij den officier van dienst!”
„De hoogste in rang is kameraad sergeant!”
„Breng hem dan hier!”
De roode gardist ging heen en keerde een oogenblik later terug met een sergeant, die tamelijk onder den indruk van sterken drank was, en den majoor vragend aanstaarde.
Raffles haalde zijn papieren te voorschijn en beval:
„Lees!”
De sergeant las het bevelschrift door, gaf de papieren terug en zeide:
„Wilt gij den gevangene nog hedennacht overbrengen, kameraad majoor?”
„Onmiddellijk! Breng mij naar zijn gevangenis!”
„Dat hoeft niet, hij is in dit huis!” riep de sergeant uit. „Hij slaapt nu.”
„Laat hem onmiddellijk opstaan, hij moet mij volgen!”
De sergeant verdween en tien minuten later keerde hij terug met een man van omstreeks vijf en dertig jaar, wiens bleek fijn geteekend gelaat maar al te duidelijk de kenteekenen droeg van bitter lichamelijk en geestelijk lijden.
Hij keek den majoor even aan en vroeg toonloos:
„Waartoe dit nachtelijke vertrek? Wat wilt gij met mij doen? Is het einde reeds nabij?”
„Dat zult gij wel merken, als het tijd is!” antwoordde de gewaande majoor op ruwen toon.
Hij wendde zich tot den sergeant en vervolgde:
„Boeit hem! Ik ben maar alleen en ik heb geen lust hem voortdurend in het oog te moeten houden!”
In een oogenblik waren Stijkof de boeien aangedaan en daarop ging hij met gebogen hoofd, begeleid door twee soldaten en den gewaanden majoor naar de plek, waar de slede wachtte.
Een oogenblik later gleed het voertuig over de gladde oppervlakte in de duisternis weg.
En nauwelijks had men de laatste huizen uit het oog verloren, of Raffles boog zich naar zijn gevangene over, keek hem glimlachend aan en vroeg:
„Verstaat gij Engelsch?”
„Of ik Engelsch versta?” vroeg Stijkof met groote oogen van verbazing, terwijl hij zijn gelaat langzaam naar zijn metgezel toewendde. „Wat beteekent die vraag?”
„Ik wilde u slechts verzoeken, mij uw handen toe te steken!” zeide Raffles in het Engelsch.
Ondanks zichzelf gehoorzaamde graaf Stijkof, en het volgende oogenblik had Raffles het slot van de boeien geopend, die rinkelend op den bodem van de slede vielen.
Graaf Stijkof slaakte een kreet van verbazing en greep de handen van Raffles, terwijl hij uitriep:
„Maar wie zijt gij dan toch? Zijt gij geen Rus? Behoort gij niet tot de rooden?”
„Ik ben een Engelschman, graaf, en dit hier is ongeveer mijn eigen gelaat!” antwoordde Raffles, terwijl hij met een vlugge beweging den kolbak afzette en zich van den valschen baard ontdeed.
En nu zette hij den graaf in enkele woorden, zonder echter zijn ware identiteit te verraden, uiteen hoe het mogelijk was, dat hij thans hier vertoefde en op welke wijze hij ontdekt had, dat graaf Stijkof hier gevangen werd gehouden.
Half versuft van verbazing had Stijkof toegeluisterd en toen Raffles met zijn verhaal gereed was, stamelde hij:
„Het is mij of ik nog droom! Alles wat gij daar zegt, klinkt bijna ongeloofelijk. Gij waart dus nog geen zeven uur geleden te Londen?”
„Zeven uur en twintig minuten, graaf!”
„Maar wie zijt gij dan toch, dat gij dat wonder hebt kunnen verrichten?”
„Laten wij voorloopig aannemen, dat ik een particulier detective ben, die alles louter voor zijn vermaak deed.”
„Het klinkt mij nog steeds alsof ik een sprookje [31]hoor!” hernam graaf Stijkof hoofdschuddend. „En toch weet ik dat het werkelijkheid is. O, mocht mijn lieve vrouw dit weten! Mocht ik er in slagen haar terug te vinden. Wist ik maar waar zij verbleef!”
„Ik weet het, graaf, zij vertoeft met haar kindje in Soswinskoje en wij gaan er aanstonds heen.”
„Is dat zeker, mijnheer?” riep graaf Stijkof uit, bijna bezwijkend onder den last van al deze plotselinge indrukken.
„Het is zeker, graaf!” antwoordde Raffles. „Maar hier zijn wij aan het voorloopige doel van onzen tocht. Wees zoo goed om uit te stappen.”
Stijkof gehoorzaamde en terwijl Charly op de paarden paste, beklommen de beide mannen den oever en liepen haastig op het groepje toe, hetwelk zich bij de vliegmachine in de sneeuw had neergevlijd.
Raffles wendde zich tot den majoor en den voerman van de slede en zeide glimlachend:
„Mijnheer, gij zijt vrij! Gij kunt gaan, waarheen gij wilt, want ik heb gemerkt, dat er hier geen telegraaf en ook geen telefoon is, terwijl gij minstens anderhalven dag met de snelste slede verwijderd zijt van een stad, waar men wel over zulke moderne hulpmiddelen beschikt. Mij dunkt, dat ik u zeer schappelijk behandel. Uw slede wacht daar beneden op het ijs, hier zijn uw papieren en gij hebt niets anders te doen dan naar Kusina te vertrekken en wij wenschen u een goede nachtrust toe.”
De majoor wierp een woesten blik op den bevrijden graaf, maar hij begreep wel, dat hij zich in zijn lot zou moeten schikken en daarom verwijderde hij zich haastig met zijn voerman naar de plek waar de slede op het ijs wachtte.
Even later klonk het gerinkel van de sledebelletjes opnieuw, dat zich thans verwijderde en op hetzelfde oogenblik kwam Charly Brand te voorschijn.
Henderson en Charly werden aan Stijkof voorgesteld als „mijn beide helpers” en daarop begaven zij zich aanstonds aan boord van het vliegtuig, dat enkele minuten later, nadat allen haastig iets genuttigd hadden, opnieuw opsteeg.
Een half uur later zweefde de vliegmachine boven Soswinskoje en landde onder gelijksoortige omstandigheden als bij het stadje Kusina. Ook hier een geheel bevroren rivier, ook hier een hard bevroren laag sneeuw van bijna een meter dikte, ook hier een kleine stad, niet veel meer dan een dorp, geheel in duisternis gedompeld.
Daar Raffles nog steeds in het bezit was van de majoorsuniform, besloot hij geheel alleen het dorp in te gaan, daar het aanbreken van den dag af te wachten en vervolgens onderzoek te doen naar de verblijfplaats van de gravin Stijkof, welke hij zeker gemakkelijk zou kunnen ontdekken, daar de verblijfplaats van zulk een gevangene waarschijnlijk aan alle inwoners bekend was.
In de grootste spanning wachtte graaf Stijkof en Charly de terugkomst van Raffles af, die in gezelschap van Henderson, behoorlijk vermomd, te voet over het ijs van de rivier naar de stad was getogen.
Het was ongeveer half acht in den morgen en de zon was nauwelijks boven de kim verschenen, toen er in vliegende vaart een met drie paarden bespannen slede van het stadje naderde.
Charly, die het voertuig het eerst gezien had, bracht snel een kijker voor het oog, en schreeuwde opgewonden:
„Daar komen zij aan, graaf! Maar zij worden achtervolgd. De vlucht schijnt te zijn ontdekt! Kom, laten wij ons inschepen en den motor in beweging brengen!”
Haastig klommen de twee mannen in het schuitje en Charly bracht den motor opgang, terwijl de graaf met kloppend hart naar de naderende slede tuurde, waarvan de paarden werden opgezweept door den man, wiens reusachtige lichaamsbouw zoo zeer zijn bewondering had opgewekt.
Nauwelijks een paar honderd meter achter de eerste slede snelde een tweede over de vlakte en het zou niet lang duren, of de vluchtelingen zouden worden ingehaald.
Snel besloten greep Charly een der geweren, laadde het en mikte zeer zorgvuldig op een der paarden van de tweede slede, van waaruit hij reeds hoorde schieten.
Hij drukte af, het middelste paard maakte een geweldigen sprong en viel toen in de sneeuw neder, het vandehandsche paard met zich mederukkend.
Terwijl de eerste slede in vliegende vaart bleef voortsnellen, stegen een paar soldaten uit het tweede voertuig, die de strengen van het zwaargewonde paard doorsneden en het gevallen trekdier weder op de been hielpen, maar met dat alles ging veel tijd verloren en tot overmaat van ramp scheen [32]het gevallen paard een poot te hebben gebroken, tenminste de achtervolgers schenen de pogingen op te geven en bekommerden zich niet meer om de vluchtelingen.
Nog enkele seconden, de snuivende paarden stonden stil en uit de slede stapten een jonge vrouw, die zeer schoon was, en een aanvallig meisje van een jaar of zeven, die op de vliegmachine toeijlden.
Met een doordringenden kreet van vreugde slingerde graaf Stijkof zich weder over den rand van het schuitje en klemde vrouw en kind aan zijn borst.
De drie Engelschen wendden zich zwijgend en bescheiden af en Henderson verklaarde later, dat hij onmogelijk zijn tranen had kunnen bedwingen bij het zien van het uitgeteerde, bleeke gelaat van de vrouw, waarop tijdens het wederzien een uitdrukking van zoo bovenaardsche vreugde lag.
Maar Raffles maande tot spoed aan en eenige oogenblikken later steeg de vliegmachine trots de lucht in, de vrijheid tegemoet, naar Engeland.
En terwijl Henderson aan de stuurinrichting zat en graaf Stijkof en zijn zoo wonderbaarlijk teruggevonden vrouw elkander niet genoeg in de oogen konden staren, alles om zich heen vergetend, vertelde Raffles in het kort, hoe de ontvluchting zich had toegedragen.
Een inwoner had hem, toen hij hem barsch aansprak, bevend en sidderend het huis gewezen, waar gravin Stijkof en haar kind gevangen werden gehouden, Raffles had daar toegang geëischt, zoodra de dag begon te gloren en alles zou heel goed zijn gegaan, als niet een van de soldaten Henderson in het Russisch had aangesproken, die hem had geantwoord met een kernachtige Londensche vloek en een vuistslag, die hem bewusteloos in een hoek zond.
Gelukkig bevond er zich juist een slede voor het huis, Henderson wist ruim baan te maken en het viertal kon vluchten, maar niet dan nadat er alarm was gemaakt en eenige soldaten in een tweede slede hen gingen achtervolgen.
Zeven uur nadat de vliegmachine bij Soswinskoje was opgestegen, daalde zij weder op het vliegveld bij Londen en daar nam Raffles afscheid van zijn beschermelingen na den graaf een dikke portefeuille in de handen te hebben gedrukt met de zonderlinge woorden:
„De helft van wat ik bij den man vond, die uw plaats had willen innemen. Het komt u eerlijk toe.…”