[Inhoud]
DE GESTRAFTE DON JUAN.

DE GESTRAFTE DON JUAN.

EERSTE HOOFDSTUK.

BESCHERMER DER DEUGD.

Evenals dat elken avond het geval is in de Londensche City, waren ook heden de straten overvol met ambtenaren van de groote bankinstellingen, die van hun kantoren huiswaarts keerden.

Deze drukte van menschen maakte het een ouden, mageren man moeilijk, om een paartje in het oog te houden, dat in een stille zijstraat sinds eenigen tijd voor hem uitliep.

Het waren een dichtgesluierd slank jong meisje, van wie men alleen de prachtige gestalte en het overvloedige goudblonde haar zag, en een kleine, gezette heer met cylinder en elegante pelsjas.

De dame was minstens een hoofd grooter dan hij.

Hij had zich bij den hoek der straat opgedrongen aan het jonge meisje—dat volgens haar eenvoudig uiterlijk en het pakje, dat zij onder den arm droeg, winkeljuffrouw of iets dergelijks was en sprak nu druk en met gedempte stem tot haar.

Het jonge meisje luisterde blijkbaar slechts met tegenzin naar hem.

Herhaaldelijk reeds had zij den man op korten, afwijzenden toon geantwoord of haar schreden verhaast, zonder dat het haar was gelukt, den onbescheiden heer kwijt te raken.

Toen hij nu echter zelfs zijn arm door den hare schoof en een poging waagde om haar met geweld te omhelzen, bleef zij staan om zich tegen hem te verdedigen.

„Laat mij los!” riep zij, bevend van verontwaardiging. „Wat wilt gij van mij? Mijn hemel, is er dan niemand in de nabijheid om mij te beschermen? Gij ziet immers, dat ik niets van u wil weten!”

Nauwelijks had zij dit gezegd, of de oude man was reeds aan haar zijde. Het was, alsof hij slechts op dezen hulpkreet had gewacht. En zoo onverwacht dook hij uit de schaduw der huizenrij op, dat niet alleen de aanvaller, maar ook het jonge meisje in het eerst verschrikt omkeek.

„Drommels! Laat die dame met rust, mijnheer. Of [2]anders sla ik u, ondanks uw mooie kleeren, uw beenen stuk!”

De zoo vriendelijk toegesprokene keerde zich woedend om. En toen hij zag, dat hij een ouden, in lompen gekleeden man tegenover zich had, wies zijn moed.

„Wat gaat het u aan, wat ik met die dame te verhandelen heb? Neem dit! En ga nu uw eigen weg!”

De oude man nam het geldstuk, dat de ander hem voorhield, aan, maar omklemde tegelijkertijd diens pols met zooveel kracht, dat de kleine heer zijn tanden op elkaar drukte om het niet uit te schreeuwen van pijn.

„Wat het mij aangaat, wat gij met die dame te verhandelen hebt, mijnheer? Misschien heel veel. Lord Edward Rochester is wel voorzitter van de „Vereeniging tot hulp van gevallen meisjes” en lid van verschillende instellingen van weldadigheid, kortom, een beschermer der deugd, maar niettemin geloof ik niet, dat zijn verhandelingen met deze jonge dame iets te maken hebben met de bedoeling van die liefdadige instellingen!”

Nu hij zag, dat men hem kende, werd het ronde, vette gelaat van den Lord, wiens kleine, waterige varkensoogen den oude verbaasd aanstaarden, doodsbleek. Hij stamelde een paar woorden en was een oogenblik later in de duisternis verdwenen.

Het jonge meisje putte zich uit in dankbetuigingen, maar de oude, die den Lord met een eigenaardig glimlachje had nageoogd, weerde haar af.

„Goed, goed, Miss, het heeft niets te beteekenen. Maar vertel mij eens, wat wilde die man van u?”

Het meisje keek haar beschermer verbaasd aan.

Zijn stem klonk nu heel anders, niet meer zoo heesch en ruw als zooeven. En zijn gestalte was niet meer gebogen, maar krachtig opgericht.

Terwijl zij nog steeds met haar verbazing kampte, vertelde zij, dat de heer haar eerst een eindweegs achtervolgd had, om haar daarna aan te spreken. Hij had haar aangeboden, om zich haar lot aan te trekken, daar zij toch maar een arme winkeljuffrouw was, die nauwelijks genoeg verdiende om van te leven.

Als zij zich aan hem wilde toevertrouwen, zou hij er voor zorgen, dat zij niet meer zoo hard zou behoeven te werken, want daarvoor vond hij haar veel te jong en te mooi.

„Maar”, eindigde zij snikkend, „al ben ik ook maar een arme winkeljuffrouw, die een arme zieke moeder moet steunen en al gaat het ons op het oogenblik ook zoo slecht, dat onze huisheer ons heeft gedreigd, ons op straat te zullen zetten, als wij niet vóór den derden van de volgende maand de huur betalen, liever zou ik een eind aan mijn leven maken, dan mij voor geld te verkoopen!

Ach, beste man”, zuchtte zij, „het is voor een arm meisje dikwijls heel moeilijk om weerstand te bieden aan de verleiding.”

Zij had, om haar tranen te drogen, haar sluier teruggeslagen en de oude zag een buitengewoon mooi gezichtje, waarop echter kommer en ontbering sporen hadden achtergelaten.

De oude man drukte haar vol medelijden de hand.

„Wanhoop niet, beste kind”, sprak hij. „De hemel zal u niet verlaten. Wanneer, zeidet gij, dat die huur betaald moet worden?”

„Vóór den derden. Het is vijf pond. En nu is het al den 30en November!”

De oude knikte.

„En waar woont gij? Het zou mogelijk kunnen zijn, dat wij elkaar nog eens noodig hadden.”

Het meisje noemde haar naam en adres.

„Goed. En ga nu rustig naar huis!”

Nogmaals drukte hij hartelijk haar hand en, voordat zij nog iets had kunnen zeggen, was hij om den hoek der straat verdwenen. [3]