Toen Lord Rochester den volgenden morgen in zijn weelderig ingerichte studeerkamer aan de schrijftafel plaats nam om de morgenpost na te zien, viel hem het eerst een klein, langwerpig couvert op, waarvan het adres met een sierlijke vrouwenhand was geschreven en dat daarom het meest zijn aandacht trok.
Nauwelijks had hij den brief geopend en de eerste regels gelezen, of het bloed steeg hem naar het hoofd en zijn kleine oogen schitterden van blijde verrassing. De brief luidde:
„Hooggeachte Heer!
Toen ik mij gisteren op weg naar huis bevond, had ik de eer en het buitengewone genoegen, kennis met U te maken.
Ik zie mij helaas gedwongen, U excuus te vragen voor mijn onbeleefd optreden. Ik wist niet met wien ik de eer had en het ongewenschte optreden van den ouden lomperd belette mij, nader kennis met U te maken en U zoo vriendelijk te behandelen als gij dat met Uwe vriendelijke bedoelingen hadt verdiend.
Want een arme winkeljuffrouw mag het een groot geluk noemen, de bescherming van zulk een voornaam en invloedrijk heer te bezitten.
Ik ben door mijn betrekking helaas op werkdagen gebonden. Als gij mij echter mijn onbeleefdheid kunt vergeven en mij nogmaals wenscht te ontmoeten, dan zou het mij gelukkig maken, als gij mij morgen, Zondag, namiddag tusschen vijf en acht uur zoudt willen komen bezoeken in mijn woning, Balticstraat 285 A, twee hoog.
Met de meeste hoogachting en eerbied,
MARY GREEN,
ten huize van Mrs. Dumby.”
De Lord kon zijn vreugde nauwelijks bedwingen.
Natuurlijk zou hij gaan!
Weliswaar had hij het gelaat van de winkeljuffrouw nog niet kunnen zien, maar haar gestalte, haar houding en het prachtige, goudblonde haar deden wel vermoeden, dat zij zeer mooi was.
O zeker, de regent van het „Tehuis voor Dienstboden”, de voorzitter van de „Vereeniging ter bescherming van gevallen meisjes” was een vrouwenkenner!
Hij keek zijn correspondentie verder door en opende eindelijk ook een groot, wit, vierkant couvert, welks adres en inhoud met de machine waren geschreven.
Nauwelijks had hij echter het papier opengevouwen en de eerste woorden gelezen, of de trek van vreugde, die nog steeds over zijn gelaat verspreid lag, maakte plaats voor een uitdrukking van grooten schrik.
Hij las:
„Lord Rochester!
Gij zijt de grootste huichelaar en schurk, die op aarde leeft! Gij doet voor het oog van de wereld aan allerlei liefdadig werk en zijt mild met het geld van anderen, wat U echter niet belet om Uw arme pachters uit te zuigen en ze onbarmhartig met vrouw en kinderen op straat te zetten, als zij de U verschuldigde rente niet op tijd kunnen opbrengen.
Ook voor de rest deugt gij niet veel. Uw hardheid, hebzucht en bedriegerijen zijn hemeltergend!
En daarom heb ik het plan opgevat om U een klein lesje te geven. Luister:
In uw studeerkamer staat uw brandkast, waarin zich op het oogenblik vierduizend pond in contanten bevinden, die gij door woeker en bedrog [4]hebt verkregen en waarvan ik U morgen (Zondag) tusschen vijf en zeven uur zal ontlasten!
Doe geen moeite om voorzorgen te nemen! Het zou toch vergeefsche moeite zijn!
JOHN C. RAFFLES.”
Raffles! Toen de Lord dien naam las, week de laatste droppel bloed uit zijn wangen.
Wee dengene, die de attentie trok van dezen grooten gauwdief!
Hij wist maar al te goed, wat deze naam beteekende.
Alle deuren openden zich voor hem als door een tooverhand, de sterkste stalen platen smolten onder zijn vingers als was en daarenboven was hij alom tegenwoordig.
Ja, er waren menschen, die beweerden, hem op verschillende plaatsen tegelijk gezien te hebben.
Alleen de politie zag hem nooit, ten minste het gelukte haar niet, den met bovenmenschelijke eigenschappen begaafden Lord Lister in handen te krijgen.
Meer dan een dozijn keeren had men hem bijna te pakken gehad, maar steeds was hij weer ontsnapt!
En was deze brief op zichzelf ook niet iets bijzonders?
Hoe wist Raffles van de aanwezigheid van het geld in zijn brandkast? Ja, hoe was het mogelijk, dat hij nauwkeurig het bedrag kende?
De Lord veegde zich het koude zweet van het voorhoofd.
Zelfs zijn eigen vrouw wist niets van dit geld, dat hij eerst gisteren, voor zijn ontmoeting met de mooie Mary, had ontvangen.
De mooie Mary! Eerst nu dacht hij weer aan haar.
Drommels, wat trof dat ongelukkig! Tusschen vijf en zeven—welk een ongelooflijke, verregaande brutaliteit!— had Raffles zijn inbraak aangekondigd,—en juist in diezelfde uren had de schoone jonge vrouw hem op haar kamer genoodigd!
De Lord was woedend, en bevreesd tegelijkertijd.
Maar eindelijk werd hij kalmer. Neen, deze geschiedenis was toch al te dom in elkaar gezet, om van Raffles te kunnen uitgaan.
De afzender van den brief moest immers begrijpen, dat hij, de Lord, niet zoo dom zou zijn om het geld in de brandkast te laten liggen, totdat het den briefschrijver zou behagen om het te komen halen!
Ach neen, zoo dom was Raffles niet! Ongetwijfeld gold het hier een misplaatste grap.
Hij had zooveel vijanden, vooral onder zijn pachters, tegenover wie hij inderdaad onverbiddelijk was. En deze wisten, dat hij gisteren de pacht had ontvangen en met den rentmeester had afgerekend.
Er was niet veel scherpzinnigheid voor noodig om het bedrag te beramen en te begrijpen, dat hij dit den Zondag over in zijn brandkast zou bewaren, om het daarna bij de Bank te deponeeren.
Het eenige doel van den brief was dus om hem schrik aan te jagen.
Maar toch besloot de Lord om in elk geval zijn maatregelen te nemen!
Hij telephoneerde Scotland Yard op het hoofdbureau van de Londensche geheime politie. Vijf minuten later wist kapitein Baxter alles van de zaak af.
Zooals telkens, als hij den naam van John C. Raffles hoorde, geraakte ook nu de beroemde commissaris van politie geheel van streek.
John C. Raffles! Aan hoeveel nuttelooze moeite en teleurstellingen herinnerde hem die naam!
„Alweer die vervloekte Raffles!” zuchtte Baxter, terwijl hij zijn collega’s wanhopig aankeek. „Het is, alsof die naam de vloek van mijn leven moet worden! Hoe vaak reeds dachten wij den Grooten Onbekende, die met den levenden duivel in contact staat, als hij ten minste niet zelf de duivel is, in onze macht te hebben.
„En altijd weer ontkwam hij ons in het laatste oogenblik!
„Deze brutaliteit van hem overtreft weer alle grenzen. Nu, in elk geval zullen we ons in hinderlaag stellen.
„Wees niet al te overmoedig, John Raffles! Wij kennen je streken zoo langzamerhand. Zoo gemakkelijk als indertijd bij Lord Lister, toen gij ons ook te voren van uw plannen op de hoogte hadt gebracht, zult ge ons nu niet ontkomen.”
Detective Marholm had moeite om zijn lachen te verbergen.
„Zeker kapitein, ik ben het geheel met u eens,” sprak hij met moeilijk bedwongen ernst „Dezen keer is de zaak uiterst eenvoudig. Zooals gij zeer terecht opmerkt, kennen wij nu al zijn streken. Indertijd bleek het, dat de Lord Lister, dien Raffles wilde bestelen, Raffles in eigen persoon was. Wat ligt dus meer voor de hand, dan dat nu John C. Raffles zich zal vermommen als Lord Rochester?
„Lord Lister, of Raffles, zooals hij zich noemt, is weliswaar groot en slank als een den, en Lord Rochester klein en dik, maar wat hindert dat?
„Wat is onmogelijk voor dezen duivel in menschengedaante? [5]
„Toen kwam Raffles uit een groote antieke klok te voorschijn, nu zit hij misschien in een schrijftafel of boekenkast.
„Het komt er hoofdzakelijk op aan, dat wij onze oogen goed open hebben. Dan kan hij ons onmogelijk ontsnappen!”
Kapitein Baxter wist niet goed of Marholm als naar gewoonte met hem spotte, of dat het hem dezen keer ernst was. Met onverschillig gelaat haalde hij daarom zijn schouders op.
Hij had nu ook geen tijd of lust om veel te redeneeren.
Reeds een kwartier later bevond hij zich met een staf van zijn beste beambten op weg naar de prachtige villa van Lord Rochester in Enismorgarden, dicht bij Hyde-Park, waar men hem reeds verwachtte.
Kapitein Baxter liet zich eerst, nadat hij Lord Rochester eerbiedig had gegroet, het schrijven van Raffles voorleggen, waarvan de Lord hem reeds den inhoud had medegedeeld.
Aandachtig bekeek hij den brief aan alle kanten.
„Het is ongehoord!” mompelde hij herhaaldelijk, den brief telkens weer overlezende. „En komt het uit, dat gij vierduizend pond in uw brandkast hebt?”
De Lord ging naar de brandkast, die tusschen de ramen stond en opende de deur.
„Kijk maar. Overtuig uzelf! Er is zes pond acht shilling meer dan dat bedrag. Daar het gisteren Zaterdag was en de Engelsche Bank op die dagen reeds om drie uur sluit, was ik niet meer in de gelegenheid het geld bij haar te deponeeren. Ook vandaag, Zondag, is mij dat natuurlijk niet mogelijk.”
Kapitein Baxter richtte nog een massa vragen tot den Lord, totdat deze eindelijk in lachen uitbarstte.
„Gij gelooft toch niet werkelijk, Mr. Baxter, dat deze brief inderdaad afkomstig is van Raffles? Dat zou toch al te mal zijn. Kijk eens! Ik steek het geld eenvoudig bij mij! Zoo—nu zal het een toer zijn voor mijnheer Raffles om het vanmiddag, als hij mij het beloofde bezoek komt brengen, te pakken te krijgen!”
Hij was al sprekende naar de brandkast gegaan, had zijn geld in de portefeuille en deze in den zak gestoken.
Kapitein Baxter had peinzend naar hem gekeken;
„Dat is in elk geval het eenvoudigste, mylord. Als die Raffles maar niet zoo’n door en door geslepen kerel was!
„Ik zou er mij niet over verbazen, als gijzelf plotseling van gedaante zoudt veranderen en Lord Lister of Raffles, zooals hij zichzelf noemt, in uw plaats voor mij stond.”
De Lord lachte.
„Nu, die vrees is totaal ongegrond, kapitein Baxter. Ik herinner mij tenminste niet, ooit een gauwdief te zijn geweest, al staat dit ook in dien ellendigen brief zwart op wit.
„Maar ik wil u niet beletten de maatregelen te nemen, die gij noodig oordeelt. Alleen zou het mij aangenaam zijn, als ik er zelf zoo weinig mogelijk last van had.”
Kapitein Baxter boog.
„Ik verzoek u, Mylord, de verzekering te willen aannemen, dat wij alles in het werk zullen stellen.
„Het zou mij zelfs een genoegen doen, als Mylord ons het terrein wilde vrijlaten. Hoe verder Mylord zich verwijdert met het geld, waarvan in den brief sprake is, des te beter. Ook zijn wij, als wij weten dat Mylord afwezig is, veilig voor de verkleedkunst van Raffles, die zich misschien, vermomd als Lord Rochester, aan ons zal komen vertoonen.”
Lord Rochester kon een glimlach niet bedwingen.
„Dus gij meent nog altijd, dat die brief werkelijk van Raffles komt?”
Kapitein Baxter haalde de schouders op.
„Ik geloof het niet. Maar in elk geval moet ik mijn maatregelen nemen. Het wakend oog der politie slaapt nooit! Mylord kan hierop rekenen: komt Raffles, dan zal Londen vanavond van een der gevaarlijkste misdadigers bevrijd zijn!”— —
Lord Rochester was in een uitstekend humeur. Het geld was gered. Bijzonder aangenaam was het hem, dat de chef der politie zelf zijn afwezigheid gewenscht achtte. Dit stemde volkomen overeen met zijn eigen wenschen, want nu stond niets meer zijn bezoek aan de mooie winkeljuffrouw in den weg.
Lang voor den bepaalden tijd waren kapitein Baxter en zijn manschappen dien middag op hun post.
Een deel van hen verborg hij in het park, andere kregen een plaatsje in huis, vooral in de buurt van de studeerkamer, om daar zijn bevelen af te wachten.
Hij onderzocht persoonlijk de studeerkamer en vooral alle meubelen, die daarin stonden, of zij geschikt waren, om iemand tot schuilplaats te dienen. Daarna nam hij zijn plaats in, gehurkt achter een der meubels, gewapend met zijn Browning-pistool.
Nu kon hij gerust komen, de overmoedige John C. Raffles! Hij, kapitein van politie Baxter, was op alles voorbereid!
Als dat wachten maar niet zoo vermoeiend en vervelend was geweest! [6]
Den tamelijk corpulenten Baxter, die zich in zijn schuilplaats nauwelijks kon bewegen, deden alle leden pijn. Nu eens sliep zijn arm dan weer zijn been. Zijn manschappen had hij een plaatsje in huis gegeven, zoodat de bedienden hen niet konden opmerken.
Het sloeg vijf, het sloeg zes uur. Geen geluid werd vernomen. Slechts een zwakke lichtstraal viel in de kamer. Men hoorde niets dan af en toe het zachte kraken van een der meubels, dat Baxter telkens deed opschrikken, het tikken van de pendule op den schoorsteenmantel en het lachen van de dienstboden in de keuken.
Kapitein Baxter onderdrukte een verwensching.
Als er werkelijk eens alleen sprake was van een grap van een of anderen spotvogel? Dan was de politie alweer—zij het dan ook indirect—door den meesterdief voor den gek gehouden.
Langzamerhand begon Baxter zeer vermoeid te worden en hij was op het punt, in slaap te vallen, toen hij plotseling opschrikte.
Had hij zich vergist? Neen, hij had duidelijk een zacht gekraak aan de deur vernomen. En toen hij voorzichtig opkeek, zag hij, dat deze langzaam geopend werd.
Een donker hoofd verscheen door de opening, daarop volgde de gestalte van een langen, slanken man,
Raffles! Hij was het!
Kapitein Baxter durfde niet ademhalen. Hij beefde, als een jager, die vreest, door een ontijdige beweging het wild, dat reeds in de val loopt, op het laatste oogenblik te verjagen.
De donkere gestalte kwam intusschen de kamer in, keek onderzoekend rond en naderde de plek, waar de brandkast stond.
Nu wachtte Baxter niet langer. Hij sprong uit zijn schuilhoek te voorschijn. Een schel gefluit, het afgesproken teeken, weerklonk, en hij wierp zich op zijn vijand, voordat deze gelegenheid had om te vluchten.
„Halt, Raffles! Geef je over! Dezen keer ontsnap je niet!” bulderde hij terwijl de deur werd geopend en meer dan een half dozijn politie-agenten hun chef te hulp snelden.….. [7]