[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

EEN NOODLOTTIG TÊTE-À-TÊTE.

Toen Lord en Lady Rochester bij Het souper tegenover elkaar aan tafel zaten, sprak de Lady alleen over den jongen Lord Meneval. Zij prees zijn beminnelijkheid en zijn verstand en opperde het plan om den jongen Lord eens uit te noodigen om te komen dineeren.

Haar man luisterde verstrooid. Hij was met zijn gedachten blijkbaar elders.

Nog voordat de bediende het dessert afnam, stond hij op en verontschuldigde zich bij zijn vrouw. Hij moest naar een algemeene vergadering van de „Vereeniging tot verbetering van het lot der gevangenen”. Het zou wel laat kunnen worden, zij moest maar niet op hem wachten.

Op straat nam hij een huurrijtuig en gaf den koetsier een adres op.

Een half uur later belde de Lord aan een deur, die met een bronzen bordje prijkte, waarop de naam „Arabella Norfolk”. Deze dame was koriste van het Alhambra-Theater.

„Hier zal ik ten minste niet op een dergelijke wijze verrast worden als Zondag bij Mary Green”, dacht de Lord.

Een mooi kamermeisje opende hem de deur en de Lord trad binnen.

Hij had niet gemerkt, dat hem op zijn weg hierheen een gesloten rijtuig was gevolgd.

— — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — —

Lady Lea begaf zich tegen middernacht ter ruste.

„Hoe jammer, dat je niet bij mij bent, Percy, mijn lieveling! Ach, als ik maar had kunnen vermoeden, dat de gelegenheid reeds nu zoo gunstig zou zijn!” dacht zij, voordat zij haar oogen met een zucht van verlangen sloot.

Hoe lang zij geslapen had, wist zij niet, maar plotseling werd zij door een luid gerinkel gewekt.

Ontsteld keek zij om zich heen.

Het was pikdonker in de kamer, maar toen zij naar de glazen balkondeur keek, verstijfde het bloed haar in de aderen.

Bij het zwakke licht van de maan zag zij de donkere omtrekken van een man. Hij had de glasruit ingedrukt, zijn hand door de opening gestoken en de deur geopend.

De Lady wilde schreeuwen, maar geen geluid kwam er van haar lippen. Haar keel was als toegeknepen, want bij het licht van een zaklantaarn ontdekte zij den loop van een revolver, die op haar gericht was.

„Goeden avond, Mylady”, sprak doodbedaard een stem, die haar verbazend bekend voorkwam. „Blijf kalm! Dan hebt gij niets te vreezen. In het andere geval zou ik tot mijn spijt genoodzaakt zijn, uw snoezig hoofdje te doorboren met een kogel!”

Hij ging naar den muur en ontstak door het omdraaien van een knop het electrische licht.

Lady Lea kon, ondanks de bedreiging van den indringer, een half luiden uitroep van schrik en verbazing niet bedwingen.

Wat zij bij het hooren zijner stem een oogenblik had gedacht werd nu zekerheid. Zij herkende den man, die nu met gekruiste armen en kalm glimlachend tegenover haar stond.

Het was Percy Meneval!

„Mylord, wat zijt gij brutaal!” klonk het onwillekeurig van haar lippen. Zij wist niet of zij verheugd, dan wel angstig moest zijn. „Als gij uw verlangen en ongeduld niet meer kondt bedwingen— —”

De jonge man viel haar in de rede.

„Gij vergist u, Mylady! Er is hier geen sprake van verlangen of ongeduld! Ik moest langs de zuilen van het balcon naar boven klauteren en dat is niet de gemakkelijkste weg. Want als ik had gewacht tot gij mij den sleutel hadt gestuurd, dan waren de bewuste tienduizend pond niet meer aanwezig geweest.”

De Lady keek hem bleek en bevend aan. [16]

„Lord Percy,—om Godswil, wat beteekent dit alles?”

Meneval’s gelaat kreeg plotseling een strenge uitdrukking.

„Dat beteekent, dat ik hier ben gekomen om de tienduizend pond van u te eischen, die gij van de armen hebt gestolen!

Ja, Mylady, dat hebt gij gedaan. Want het geld, waarmee gij aan de beurs hebt gespeculeerd, behoorde aan de armen, voor wie gij het bijeengezameld hebt. Uw winst komt hun dus ook toe!

Ik ben ervan overtuigd, dat Lady Rochester rechtvaardig genoeg zal zijn om dat in te zien en aan de armen hun rechtmatig eigendom terug te geven!”

Nu de Lady zag, dat zij voor haar leven niets te vreezen had, verdween haar angst. Met toornigen blik keek zij den indringer aan.

„En alleen om mij dat te vertellen komt gij als een dief in den nacht hier? Gij zijt onbeschaamd. Ik zal mijn bedienden roepen en u de deur uit laten gooien.”

„Dan zouden de bedienden meteen kunnen hooren, dat het nachtelijk bezoek van Lord Percy Meneval in andere omstandigheden hun meesteres zeer aangenaam ware geweest!” sprak de Lord. „Het spijt mij,” vervolgde hij, toen hij zag dat Lady Lea haar gelaat in de handen verborg, „dat gij mij voor ongalant moet houden en dat ik u verdriet moet doen, maar het gaat niet langer, dat men zich bij dag in den mantel van zedelijkheid hult, dat men gevallen vrouwen de hand boven het hoofd houdt, dat men een arm, onschuldig meisje, omdat het zich door haar verloofde laat kussen, als een eerlooze behandelt en de deur wijst.… en des nachts zelf van verboden vruchten snoept en alle wetten van eer en deugd en echtelijke trouw met voeten treedt!

Ik moet u bekennen, Lady Rochester, dat de gemeenste meid in Whitechapel in mijn oogen zedelijk hooger staat dan gij.

Want zij werpt zich niet op als zedepreekster over anderen, maar vertoont zich in haar ware gedaante!”

Afwerend strekte de Lady haar bloote armen uit.

„Houd op, Lord Percy! Ga heen! Ga heen!”

„Niet voordat ik de tienduizend pond in mijn bezit heb!”

Zij kreunde.

„Kom morgen bij dag terug! Laat mij niet tevergeefs een beroep doen op uw ridderlijkheid! Bedenk, wat gij niet alleen aan een dame, maar ook aan uzelf, aan den naam Meneval verschuldigd zijt!”

De Lord glimlachte somber.

„Gij vergist u, Mylady! Ik ben niet Lord Meneval! Ik behoor ook tot hen, die de dupe zijn geworden van menschelijke leugens en huichelarij. En daarom is het mijn levensdoel, die overal te bestrijden waar ik ze op mijn weg ontmoet!

Mylady, gij hebt vandaag den wensch geuit, den pocher Raffles eens van aangezicht tot aangezicht te zien.

Welnu, die wensch is vervuld. Ik ben John C. Raffles! Kijk,” en met een snelle beweging verwijderde hij zijn valsch baardje, „die opsnijder Raffles staat vóór u!”

Lady Lea werd zoo bleek als een doode.

Raffles echter vervolgde met groote kalmte:

„Als gij nu maar inziet, dat verdere tegenstand van uwe zijde vergeefsche moeite is en u slechts onaangenaamheden kan berokkenen, dan zult gij niet voor niets een beroep hebben gedaan op mijn ridderlijkheid.

Hoe moeilijk het mij ook valt, den aanblik van al uw bekoorlijkheden te missen, toch zal ik mij een oogenblik omkeeren, om u gelegenheid te geven uw bed te verlaten en een ochtendjapon aan te trekken. Dan zult gij de goedheid hebben, mij den sleutel der brandkast te geven en mij naar die kast te geleiden.

Dat het in uw eigen belang is, mijn vertrouwen niet te misbruiken en de bedienden te wekken, behoef ik zeker niet te vertellen aan zulk een verstandige, hoogstaande vrouw.

En haast u nu, Mylady! Het zal ook u zeker aangenaam zijn, zoo spoedig mogelijk een einde te maken aan ons tête-à-tête!”

De Lady was inwendig woedend, maar het hielp haar niet.

Raffles keerde zich om, terwijl zij, na eenige vergeefsche pogingen om zijn hart te vermurwen, eindelijk bevend van toorn haar bed verliet en een peignoir aandeed.

„Klaar?” vroeg Raffles, voordat hij zich omkeerde. „En nu de sleutel! Zoo, dank u wel! Wilt u mij nu voorgaan naar de brandkast?”

Lady Lea had zoo grooten eerbied voor de revolver, die Raffles weer had opgenomen, dat zij zonder een woord van protest den nachtelijken bezoeker voorging naar de brandkast van den Lord.

Daar opende Raffles onmiddellijk de kluis en met het tweede sleuteltje, dat zij hem niet had durven weigeren, ontsloot hij hetzelfde vak, waaruit de Lord de vierduizend pond had genomen.

„En nu het geheime vak?” vroeg hij, toen de Lady aarzelde. [17]

„En als ik weiger, het u te toonen?” vroeg zij, al haar moed verzamelend.

Raffles glimlachte.

„Dat zou niet gunstig zijn voor uw nachtrust. Want kijk eens!” Hij liet haar een groote leeren tasch zien, die hij onder zijn jas verborgen had. „Hierin bevindt zich een electrisch toestel, waarmee ik de stalen platen van de brandkast binnen korten tijd kan smelten. Het is zeer interessant, Mylady. Dit toestel is het beste, wat er op dat gebied bestaat en het heeft mij een klein kapitaal gekost.

Maar dat werk zou natuurlijk eenigen tijd in beslag nemen en de kostbare brandkast zou erg beschadigd worden. Daarenboven zou de damp, die zich bij dit werk ontwikkelt, u zeer hinderlijk zijn en gij zoudt nog dagenlang die eigenaardige lucht bij u houden.”

De ijzige kalmte van den inbreker deed de Lady begrijpen, dat het voor haar het allerbeste zou zijn, zoo spoedig mogelijk een eind aan de zaak te maken.

Zij gaf hem een naaldvormig instrument, waarmee hij op een door haar aangewezen ornamentje drukte. De achterwand van het vak schoof nu open.

Een ander vak werd nu zichtbaar en daarin bevonden zich de juweelen en het geld.

Raffles nam eerst het geld, waarna hij met kennersblik de juweelen bekeek. Er waren prachtige stukken bij. Vooral een ring met een kunstig gevatte karneool wekte zijn bewondering op.

De vrees van de lady, dat hij ook de juweelen zou kunnen meenemen, werd niet bewaarheid. Hij legde ze weer in het vak en schoof dat dicht.

„Zoo, Mylady, ik dank u uit naam der armen, die ik weer in het bezit van hun eigendom zal stellen”, sprak hij, terwijl hij haar met een buiging den sleutel terug gaf. „Ik wensch u verder een rustigen nacht. Gij zult nu lekker slapen in het bewustzijn u bevrijd, te hebben van onrechtmatig verkregen goed en een edel werk te hebben gedaan!”

Hij geleidde de vrouw, die van opgewondenheid beefde, naar haar slaapkamer terug, om zich van daar weer langs denzelfden weg, te verwijderen.

Maar zoover kwam het niet.

Want toen de Lady, vóór hem de slaapkamer binnentrad, stiet zij een kreet uit.

Ook Raffles was verbaasd.

De kamer was niet leeg.

Dichtbij de deur, met een gelaat, waarop woede en verbazing om den voorrang streden, stond—Lord Rochester! [18]