[Inhoud]

ZEVENDE HOOFDSTUK.

DE WRAAK VAN LADY ROCHESTER.

Vier weken later gaf de minister van buitenlandsche zaken een bal.

Alle zalen waren schitterend verlicht. In de groote danszaal viel het licht van de electrische kronen op het gewoel der feestelijk gekleede gasten, die zich op den maat der muziek bewogen.

Schoone oogen keken verleidelijk, kostbare juweelen schitterden, blanke schouders en vrouwenhalzen kwamen te voorschijn uit de fijne kanten der zijden japonnen, uniformen en bonte ridderorden verbraken de eentonigheid der zwarte fracs.

De voorname wereld der Theemsstad had zich verzameld in de woning van den minister, de dragers van de oudste, meest aristocratische namen waren aanwezig.

Ook Lord en Lady Rochester ontbraken niet. De Lord droeg al zijn orders en Lady Lea prijkte in den glans van haar juweelen, dezelfde juweelen, die in zoo hooge mate de bewondering van Raffles hadden opgewekt en die zij ter eere van het groote feest uit het geheime vak van de brandkast had te voorschijn gehaald.

Zooeven hadden de graaf van Kent en Lord Kensington zich met haar onderhouden.

Maar zij luisterde nauwelijks naar de woorden der beide heeren.

Haar blik dwaalde onophoudelijk naar een groep, waarheen zich ook de hertog van Devonshire, arm in arm met Lord Percy Meneval had begeven en waarvan de bekoorlijke Lady Magdalena Heastfield het middelpunt vormde.

Lady Magdalena Heastfield was een jonge weduwe van buitengewone schoonheid, die haar echtgenoot—hij was bij een wedren van het paard gevallen en had zijn nek gebroken—eerst twee jaar geleden verloren had.—

En daar zij niet alleen schoon en geestig, maar ook zeer rijk was, ontbrak het haar niet aan talrijke vereerders.

Maar Lady Magdalena treurde in haar hart nog altijd over haar jongen echtgenoot en scheen volstrekt geen plan te hebben, haar vrijheid prijs te geven.

Lady Lea hield krampachtig haar sierlijken waaier vast, toen Lord Percy een buiging maakte voor de schoone weduwe en haar slanke hand aan zijn lippen bracht.

Het was ongehoord! Deze onbeschaamde had de brutaliteit, dit bal te bezoeken, waarop hij wist, dat ook zij zou zijn! Ja, nog erger, hij had zelfs haar durven begroeten en op doodgewonen toon naar haar welstand geïnformeerd!

Dat had hij gewaagd, hij, wien zij wraak Had gezworen!

En terwijl zij verstrooide antwoorden gaf aan de beide heeren, dacht zij na over haar wraak en verging zij van woede, haat en jaloezie!

Ja, Lady Lea was jaloersch. Zij voelde, dat zij dezen man, hoewel hij haar versmaad en gehoond had, nog steeds beminde. Woede maakte zich van haar meester, toen zij zag, hoe zijn oogen schitterden, terwijl hij met de schoone Lady Heastfield sprak.

De muziek weerklonk opnieuw.

Lord Percy bood de schoone weduwe zijn arm en een oogenblik later zweefden de beide slanke, sierlijke gestalten door de zaal.

Lady Lea had een gevoel alsof zij zou stikken. Het kostte haar ontzettende moeite om niet midden in de zaal te gaan en te schreeuwen:

„Die man, die zich hier heeft ingedrongen en die nu met Lady Heastfield danst, is Raffles, de gevreesde Raffles, de groote onbekende! Grijpt hem en werpt hem in de gevangenis!”

Dat zou wraak zijn geweest!

Zij zag in haar gedachten de verwarring, die Het gevolg van deze woorden zou zijn.

Maar dit plan was onuitvoerbaar, want zij zou zichzelf erdoor in het verderf storten.— —

En hoe haatte zij Lady Heastfield! Zij was jong en [26]schoon, veel jonger en mooier dan zij zelf. Raffles beminde haar ongetwijfeld.

Hij was wel een dief, maar een bijzondere, een die met het gestolen geld weldadigheidsreclame voor haar had gemaakt Maar toch benijdde Lady Lea haar mededingster, omdat hij van haar hield!

Als Raffles had gewild, hoe gaarne zou Lady Lea hem zelfs nu nog weer met open armen hebben ontvangen!

Intusschen had het schoone paar, waarop alle blikken vol bewondering rustten, den dans geëindigd.

„Ik ben een beetje moe en dorstig, Mylord,” sprak Lady Magdalena tot haar cavalier, toen hij haar naar haar plaats terug wilde brengen. „Breng mij naar het buffet en naar een rustig plekje, waar men een paar minuten rustig kan babbelen. Dat wil zeggen, als het u niet lastig is,” vervolgde zij met een bekoorlijk lachje, „want ik wil u niet aan het gezelschap onttrekken.”

„Ik ken geen aangenamer taak, dan u van dienst te zijn, Mylady,” sprak Raffles en galant bood hij haar zijn arm.

Aan het buffet dronken zij een glas sect. Daarop begaven zij zich naar een magnifiquen wintertuin, waar niemand was en waar zij ongestoord konden praten.

Raffles keek met welgevallen naar de sierlijke gestalte der jonge vrouw, die tegenover hem zat op een causeuse onder de groote bladeren van een waaierpalm, terwijl hij op een klein stoeltje had plaats genomen.

Hij had reeds dikwijls met haar gebabbeld en steeds behagen geschept in haar natuurlijke geestigheid, die zoo geheel anders was dan de opgesmukte gemaaktheid der modedametjes.

„Zal Mylady ook deelnemen aan den grooten liefdadigheidsbazaar in Guild-Hall?” vroeg hij.

Lady Magdalena schudde het mooie, bruingelokte kopje. Haar groote, fluweelzachte oogen namen een ironische uitdrukking aan.

„Hebt gij misschien lust, die weldadigheids-comedie te bezoeken, waarop, zooals altijd, onze dames de liefdadigheid uitoefenen om in werkelijkheid alleen zichzelf wel te doen, dat wil zeggen, zichzelf en haar bekoorlijkheden ten toon te stellen, als het niet nog erger is.

Neen, ik bedank er voor. Ik heb altijd het land, als ik den volgenden morgen ellenlange berichten over al die liefdadige dames en haar toiletten in de couranten lees. Als ik goed wil doen, heb ik daarvoor geen bazar of bal noodig.

Er is helaas ellende genoeg in de wereld en het is te treurig, dan dat men er feesten voor moet gaan vieren, waarvan zelfzucht het eigenlijke motief is.”

„Flink gesproken!” riep Raffles-Meneval vol geestdrift uit. „Mag ik ten teeken mijner sympathie met deze woorden uwe vingers kussen?”

De Lady liet hem glimlachend begaan en vervolgde toen:

„Kijk eens, Mylord, men vertelt zooveel van een zekeren Raffles. Ook gij hebt ongetwijfeld wel van hem gehoord?”

De ander knikte zonder dat een spier van zijn gelaat veranderde.

„Wel,” antwoordde hij op onverschilligen toon, „wat heeft die met uw oordeel over weldadigheid te maken?”

„O, heel veel! Gij zult toch ook wel weten, dat juist hij een echt weldoener der menschheid is. Hij neemt van den overvloed der rijken en geeft het aan de armen! Zijn methode is niet onberispelijk en Raffles is, naar de gewone opvatting, een misdadiger, maar een zeker waas van poëzie omgeeft hem en daarom bevalt hij mij. Ik zou het een groot voorrecht vinden, hem eens te ontmoeten!”

Raffles-Meneval nam weer de hand der schoone weduwe en bracht die met een glimlach aan zijn lippen.

„Als de groote onbekende deze woorden kon hooren, dan zou hij innig gelukkig zijn en uw schoone hand even dankbaar aan zijn lippen drukken als ik het nu vol bewondering doe!”

Lady Magdalena onttrok hem glimlachend haar slanke hand.

„Gij zijt een vleier, Lord Meneval! Maar zeg zelf eens, moet men niet reeds het vernuft bewonderen, waarmee Raffles de ware ellende altijd weet te vinden? O, ik weet dat te waardeeren, want ook ik beweeg mij op dat gebied. En daarom weet ik, hoe moeilijk het is, de werkelijk behoeftigen en noodlijdenden te vinden.

Het is trouwens ook geen ongeluk, als een weldaad iemand treft, die het eigenlijk niet verdient. Stumperds zijn het toch eigenlijk allemaal, die ongelukkigen en de hoofdzaak is om die stumperds in de maatschappij te helpen.”

Haar toehoorder was verrukt.

„Gave God, dat alle rijken zoo dachten en handelden als gij, Mylady!” sprak hij ontroerd. „Ik ben [27]ervan overtuigd, dat, Raffles dan weinig te doen zou hebben!

Daarom ben ik blij, u met mijn ervaringen te kunnen helpen. Ik werk namelijk ook een beetje op dat gebied, dat wil zeggen,” viel hij zichzelf bescheiden glimlachend in de rede, „alleen als amateur.

Juist vandaag leerde ik in het Oosten der stad een armen drommel kennen, een handwerksman, die zijn familie jarenlang op fatsoenlijke wijze heeft onderhouden, totdat een langdurige ziekte hem het bed deed houden.

De familie gaat nu haar ondergang tegemoet. Het allernoodigste heb ik dien armen menschen dadelijk gegeven.

Maar zij hebben meer noodig, minstens vijftig pond, om weer in behoorlijke omstandigheden te komen.

Voor de eerlijkheid en het fatsoen dier menschen sta ik in, maar mijn kas is helaas op het oogenblik volkomen leeg!”

Hij keek Lady Magdalena vol verwachting aan.

Haar wangen waren met een blos van genoegen zacht rood gekleurd. Haar oogen straalden, toen zij hem vertelde, dat zij hem dankbaar was voor zijn mededeeling en hem gaarne met het dubbele bedrag of nog meer wilde bijstaan.

„Ik heb het allang geweten, dat gij veel beter zijt dan al die elegante jonge mannen uit onze kringen, Lord Meneval,” sprak zij met warmte.

„Hoe zouden onze jonge lieden, die het zoo druk hebben met hun sport en geflirt, nog tijd hebben om zich te bekommeren om de ellende hunner medemenschen? Ik vind het verrukkelijk, Lord Percy, in u misschien een trouwen bondgenoot in mijn streven te hebben gevonden!”

Raffles boog zich over haar heen.

Noch hij, noch de Lady merkten, dat op dit oogenblik de portière werd bewogen en dat van achter het zware gordijn voor een oogenblik het gelaat van Lady Rochester zichtbaar werd.

Zij had het paar in den wintertuin zien verdwijnen. Haat en ijverzucht hadden haar geen rust meer gelaten en haar hierheen gevoerd.

„En het geld voor mijn beschermeling?”

Raffles had de vraag zoo zacht gedaan, dat Lady Rochester de woorden niet verstond, vooral omdat hij met zijn rug haar haar toe zat.

Des te duidelijker echter vernam zij het antwoord van Lady Magdalena.

Mylord, er is niets, wat ik u zou kunnen weigeren, vooral als gij het zoo smeekend vraagt!” sprak zij met een glimlach vol lieftalligheid. „Kom morgen, voor den middag, om elf uur bij mij! Ik zat u dan geven wat gij wenscht en gij zult over mij tevreden zijn.

Lady Lea zag alleen nog, dat de Lord de hand der jonge vrouw aan zijn lippen drukte.

Daarna snelde zij heen.

Toen zij eenigen tijd later het paar weer in de balzaal zag, staan praten, fonkelden haar groene oogen van diepen haat.

Zij werd beurtelings bleek en rood.

„Wraak! wraak!” fluisterde zij tot zichzelf en toen zij het bal had verlaten en reeds lang weer thuis was, bedacht zij nog steeds, hoe zij haar wraaklust zou kunnen bevredigen aan Raffles en tegelijkertijd aan haar vermeende mededingster.

Toen zij eindelijk haar plan had gemaakt, sliep zij in.

— — — — — — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — — — — — —

Den volgenden morgen ontving kapitein Baxter het volgende telegram:

Kapitein Baxter, Scotland Yard. Raffles is de geliefde van Lady Magdalena Heastfield, als gij hem wilt gevangen nemen, zult gij hem hedenmorgen om 11 uur in het boudoir der lady vinden.

Toen de kapitein, die juist de morgenrapporten doorkeek, deze regels las, werden zijn oogen al grooter en grooter.

Zijn adem werd zwaar, hij hijgde van opgewondenheid en de detectives, die in het vertrek aanwezig waren, keken hem vol verbazing aan.

„Wat is er, kapitein?” vroeg sergeant Tyler. „Een moord gepleegd, of — —?”

„Ik geloof, dat ik dit gezicht ken,” mengde detective Marholm zich erin, terwijl hij dichterbij kwam. „Ik durf wedden, dat het weer betrekking heeft op de een of andere streek van onzen vriend John C. Raffles!”

Kapitein Baxter keek hem met een ontevreden blik aan.

„Bijna geraden, detective Marholm, want al komt het telegram ook niet van Raffles, het heeft toch betrekking op hem!

De duivel mag mij halen, als daar niet een vrouw achter steekt!”

„Des te beter!” meende Marholm, nadat de detectives het telegram gelezen hadden. „Gij weet, kapitein, [28]dat haat en ijverzucht onze beste bondgenooten zijn!”

„Gij hecht dus waarde aan dit telegram?” vroeg kapitein Baxter.

„Ongetwijfeld,” antwoordde Marholm, die dikwijls een verbazende gave van combineeren bezat. „Dit telegram komt van de een of andere vrouw, die door Raffles in de liefde is teleurgesteld”

„Hm,” mompelde de kapitein nadenkend.

Hij dacht aan zijn waarnemingen in het slaapvertrek van Lady Rochester.

„Ik geloof werkelijk, dat gij gelijk hebt, Marholm,” antwoordde hij op levendigen toon. „Dus eindelijk zal de wraak van een vrouw ons Raffles in handen spelen!”

„Hij zou de eerste niet zijn, die door een vrouw te gronde ging”, sprak Marholm.

„Zeker, zeker, beste Marholm”, antwoordde de kapitein, die zich steeds meer op zijn gemak begon te voelen. „Maar zeg mij eens hoe laat wij het hebben!”

Marholm haalde zijn horloge te voorschijn.

„Precies kwart over tien, kapitein!”

„Mooi! Dan hebben wij geen oogenblik meer te verliezen. Voordat we een uur verder zijn, moeten wij den grooten onbekende in onze handen hebben.”

„Ongetwijfeld!” riep Marholm uit. „Hij mag ons dezen keer niet ontsnappen!”

Kapitein Baxter gaf geen antwoord, maar nam onmiddellijk zijn voorbereidende maatregelen.

Een half uur later trok hij er met een groot aantal detectiven en gewone politieagenten op uit, — — — —