[Inhoud]

ACHTSTE HOOFDSTUK.

RAFFLES IN DE KLEM.

Toen Lord Lister zich op het afgesproken uur bij Lady Magdalena liet aandienen, werd hij reeds verwacht.

De schoone weduwe ontving hem in een eenvoudige huisjapon, waarvan de zachte plooien haar bekoorlijke gestalte omhulden. Haar verschijning paste volkomen in het smaakvol ingerichte boudoir.

Met een vriendelijken glimlach stak zij hem naar hand toe.

„Wees hartelijk welkom, Mylord. Ik was al ongeduldig, want ik kan nooit lang wachten om arme menschen te helpen!”

Haar schoon gelaat droeg ook de uitdrukking van groote vreugde.

Raffles kon niet genoeg naar haar kijken, toen zij een pakje bankpapier nam.

„Hier, Mylord, breng dat aan die arme menschen en verschaf mij spoedig weer de gelegenheid om u mijn hulp te kunnen verleenen.

En laat ons nu nog een oogenblikje praten, want ik hoop, dat gij niet alleen zijt gekomen om over zaken te spreken, als ik het zoo mag noemen!”

Spoedig zaten zij opgewekt te babbelen, zoodat de tijd omvloog.

Raffles was verrukt over de geestigheid en het gezond verstand der jonge weduwe, maar niet minder om haar groote goedheid, die door elk harer woorden heenstraalde.

Maar ook de Lady gaf zich over aan de groote bekoring, die van Raffles uitging en die hem zoo onweerstaanbaar maakte.

Als door een onzichtbaren band voelde zij zich tot dezen man aangetrokken.

Dit was een man naar haar hart! Om der wille van dezen Lord Meneval zou zij er misschien zelfs toe kunnen besluiten, haar onafhankelijkheid als weduwe op te offeren, om hem gelukkig te maken met haar liefde en haar schatten!

Lady Magdalena was een groote liefhebster van de kunst. Haar woning geleek op een klein museum. Het [29]was haar een groot genoegen om Raffles, die een kenner van den eersten rang was, haar verzamelingen te laten zien.

Daardoor was zij weer in de gelegenheid, zijn algemeene kennis te bewonderen. Hij redeneerde even oordeelkundig over een stuk oud porselein uit Sèvre als over een uit hout gesneden beeld.

„Kijk eens naar deze miniatuur, Lord! Men zegt, dat ze van Gonzales Coques is!” sprak de Lady, terwijl zij hem een ovaal, op porselein geschilderd portret van een adellijke dame liet zien, dat zij uit een glazen kast had genomen.

Raffles trad, om beter te kunnen zien, met het kunstwerkje naar het venster, waarvan de gordijnen waren opengeschoven.

Maar met een snelle beweging trok hij zich weer van het raam terug.

Hij had toevallig een blik geworpen op het plein voor het huis.

Die blik was voldoende geweest om hem te overtuigen van het groote gevaar, waarin hij zich bevond.

Hij had kapitein Baxter ontdekt, die zijn manschappen het bevel had gegeven om het huis aan alle kanten te omsingelen, en die nu zelf met eenige politieagenten de voordeur naderde.

Raffles wist genoeg, hij wist, dat de aanwezigheid der politie alleen hem kon gelden en dat Baxter binnen drie of vier minuten zou aanbellen.

Zijn gedachten werkten koortsachtig.

Ernstig, maar volkomen kalm wendde hij zich nu tot de Lady.

„Heel mooi,” sprak hij, terwijl hij haar het miniatuur terug gaf. „Als de lijnen wat strenger waren, dan zou ik het voor een Chatillon houden.

Maar nu iets anders, Mylady. U moet niet schrikken! Binnen eenige minuten zal de politie hier zijn, om mij gevangen te nemen. Zij heeft het huis reeds omsingeld. Kunt en wilt gij mij ergens verbergen?”

Lady Magdalena staarde hem aan, alsof zij vreesde dat hij plotseling krankzinnig was geworden.

Lord Lister raadde haar gedachten.

Hij glimlachte.

„Ik ben niet gek, Mylady, maar volkomen bij mijn verstand. Maar nu moet gij snel een besluit nemen! Ik ben niet Lord Percy Meneval, maar John Raffles, met wien gij zoo gaarne kennis wildet maken!”

Lady Magdalena stiet een zachten kreet uit en week in het eerste oogenblik een schrede terug.

„Wat? Zijt gij Raffles?”

Lord Lister haalde de schouders op.

De tijd was kort, er moest snel gehandeld worden en daarom kwam zij dadelijk naar hem toe en schoof hem met zacht geweld voor zich uit.

„Neen, neen, al zijt gij ook Raffles, men zal u niet gevangen nemen! Ik wil en moet u redden!”

Maar hoe? Zij had daarvan in dit oogenblik van verwarring zelfs geen flauw vermoeden. Want ongetwijfeld zouden kapitein Baxter en zijn manschappen elk hoekje doorzoeken.

„Kunt gij niet langs de achtertrap naar buiten of naar den zolder?” vroeg zij bevend in de gang.

„Dat zou mij weinig helpen”, antwoordde Raffles kalm. „Dat zou het domste zijn wat ik kan doen.”

Zij kwamen in de keuken.

Deze was ledig.

„Waar is de keukenmeid?” vroeg Raffles.

„Ik weet het niet. Waarschijnlijk naar de markt. Maar wacht eens.”

Zij wees op een muurkast, die open stond.

Raffles glimlachte.

„Denkt gij, dat de politie mij daar niet zal zoeken? Neen, zoo dom is zelfs Mr. Baxter niet!”

Op dit oogenblik weerklonk de bel.

De Lady verbleekte.

„Daar zijn zij! Groote God!”

„Ja”, sprak Raffles doodbedaard, „daar zijn ze! Dat was immers te voorzien. Het verbaast mij zelfs, dat het zoo lang geduurd heeft. Baxter moet bijzondere voorzorgsmaatregelen hebben genomen.

De hoofdzaak is nu, dat gij een beetje uwe kalmte bewaart. Kan dat?”

De Lady knikte toestemmend.

„Verberg allereerst mijn hoed, overjas en stok, die zich in de voorkamer bevinden, dan moet gij snel naar het salon teruggaan en ontkennen, dat ik hier ben en tracht vooral den kapitein zoolang mogelijk aan den praat te houden. Laat al het andere gerust aan mij over!”

Lady Magdalena zag hem weemoedig aan en verdween.

Er werd voor de tweede maal gebeld.

Lord Lister ging, toen hij alleen was, naar de muurkast.

Toen Lady Magdalena bleek, maar vastberaden, haar salon weer binnentrad, kwam juist haar dienstmeisje met het bericht, dat iemand van de politie beneden was en haar wenschte te spreken.

Met gemaakte verbazing vroeg de Lady: [30]

„Iemand van de politie? Wat wil hij? Breng hem hier!”

Kapitein Baxter keek bij het binnentreden met scherpe blikken om zich heen. Hij was teleurgesteld.

„Mylady”, sprak hij met een diepe buiging, welke hij steeds voor een mooie vrouw over had, „het spijt mij zeer, dat ik u moet lastig vallen en u eenige moeite veroorzaken. Maar plicht eischt het van mij.

„Ik ben gekomen om een gevaarlijk misdadiger, die zich in uw huis bevindt, te arresteeren.”

De Lady lachte hartelijk.

„Wat zegt gij, kapitein? Een gevaarlijk misdadiger in mijn woning? Dat is werkelijk grappig; dan hebt ge u waarschijnlijk in de deur vergist!”

„Volstrekt niet, Mylady, als ik hier tenminste bij Lady Magdalena Heastfield ben. Wilt u dit telegram even lezen?”

Hij gaf haar het telegram van Lady Rochester.

De dame gaf het hem met een lachje terug.

„En zijt gij daarom hier gekomen? Maar men heeft u voor den gek gehouden. Raffles in de woning van Lady Heastfield! Hij is immers, als ik mij niet vergis, een gevaarlijke dief? Neen, heer kapitein, gij zijt er ingevlogen!”

Kapitein Baxter lachte zuurzoet.

„Hm—denkt gij, Mylady? Maar als ik u nu zeg, dat ik Raffles een paar minuten geleden met eigen oogen vóór één van uw vensters heb gezien?”

Zij haalde haar schouders op.

„Dan hebt gij u vergist, kapitein! Dat is niets anders geweest dan gezichtsbedrog. Hoe zou die dief in mijn woning komen?”

Kapitein Baxter kreeg argwaan.

Hij keek de dame met doordringende blikken aan.

„Zoo, Mylady; maar wie was dan bij u? Het dienstmeisje zei mij bij het opendoen, dat haar meesteres niet alleen was, maar bezoek had!”

De Lady verbleekte van schrik, maar als een echte Eva’s-dochter had zij onmiddellijk haar zelfbeheersching terug.

„Zeer zeker had ik visite. Lord Percy Meneval is bij mij geweest.

Ik had hem uitgenoodigd een som gelds in ontvangst te nemen voor eene behoeftige familie. En daar hier spoedig geholpen moest worden, is hij dadelijk weer vertrokken, ik heb hem zelf uitgelaten.”

„Inderdaad? En zooeven beweerde Mylady, dat ik mij vergist had, toen ik Raffles aan uw raam zag staan!”

„Dat hebt gij ook!” antwoordde Lady Magdalena ongeduldig. „Gij hebt Lord Meneval en niet Raffles aan het raam zien staan!”

Kapitein Baxter beet zich op de lippen. Hij vermoedde, dat deze dame een bondgenoote van Raffles was, en haar best deed om hem zijn prooi te onttrekken.

„En waar is Lord Meneval?”

„Hij heeft, voordat gij kwaamt, afscheid van mij genomen, en zich dadelijk met het geld, waaraan zoozeer behoefte is, verwijderd!”

„Mylady, dat is onmogelijk!” riep de kapitein uit, zijn gewone galanterie vergetend. „Het huis is door mijn manschappen dicht omsingeld, alle ingangen worden bewaakt. Niemand mag er in of uit! Door de lucht kan Lord Meneval toch niet zijn verdwenen?”

„Wie weet”, glimlachte de Lady.

Kapitein Baxter wischte zich met zijn gebloemden zakdoek het zweet van het voorhoofd.

„Ja zeker—wie weet! Bij Raffles is alles mogelijk”, zuchtte hij. „Maar vertel mij nu eens, Mylady, hoe verklaart gij deze zaak?”

Lady Magdalena keek hem met een spottenden blik aan.

„Ja, maar Mr. Baxter, dat is toch uw zaak! Hoe kan ik, een onervaren vrouw, iets verklaren, wat de scherpzinnigste ambtenaar der Londensche politie niet begrijpt?

Maar wacht—waarschijnlijk zullen uwe politie-agenten geslapen hebben!”

Diep verontwaardigd antwoordde kapitein Baxter:

„Mylady, de Londensche politie slaapt niet! Als Raffles zich in uwe woning bevindt, zullen wij hem wel vinden! Gij weet waarschijnlijk niet, dat Raffles en deze Lord Meneval naar alle waarschijnlijkheid één en dezelfde persoon zijn, en dat gij dus een misdadiger beschermt!”

De dame keek hem toornig aan.

„Mijnheer, ik verbied u mij te beleedigen. Ik zal mij wegens uw optreden beklagen! Gij zegt, dat gij Raffles wel zult vinden, welnu zoek hem dan!”

Met een donkeren blos boog Baxter.

„Het was niet mijne bedoeling u te beleedigen, en ik verzoek u mijne heftigheid niet kwalijk te nemen”, sprak hij, „maar ik moet nu mijn plicht doen en de geheele woning, zoo noodig tot aan het dak, doorzoeken!”

De Lady glimlachte spottend.

„Doe, wat gij niet laten kunt. Ik wensen u veel geluk, [31]kapitein, en hoop, dat gij Raffles bij mij zult vinden. Ik zou het heel prettig vinden, den beroemden man, van wiens aanwezigheid in mijn eigen woning ik geen vermoeden had, eens te zien te krijgen!”

Zij ging Baxter voor en opende hem en den detectives, die hij geroepen had, de eerste deuren.

Men doorzocht de slaapkamer der Lady, kroop onder de bedden, lichtte de dekens op, zocht zelfs achter de kasten en de waschtafel; haalde de dienstbodenkamer omver en zocht in het muzieksalon binnen in de piano—tevergeefs—van Raffles was geen spoor te vinden.

De Lady was volstrekt niet zoo kalm als zij er uitzag. In volkomen onzekerheid omtrent het lot van Raffles beefde zij bij de gedachte, dat het hem niet gelukt mocht zijn te vluchten of zich te verbergen.

En haar angst werd grooter, al naarmate men de keuken naderde. En toen eindelijk de keukendeur werkelijk werd geopend, had zij moeite zich goed te houden.

Van Raffles was ook hier niets te zien.

Maar toch was de keuken niet leeg, Bij het fornuis stond de keukenmeid, druk bezig een paar eieren te klutsen.

Zij verwaardigde de beambten nauwelijks met een blik.

Maar toen Lady Magdalena de keukenmeid goed aankeek, had zij, ondanks het kritieke van het oogenblik, groote moeite, om niet in een schaterlach uit te barsten.

— — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — —

Toen Lady Magdalena de keuken verlaten had om kapitein Baxter te ontvangen, had Raffles een kijkje genomen in de muurkast. Niet om zich daarin te verbergen—o neen—hij wist heel goed, dat hij geen slechtere schuilplaats had kunnen kiezen.

Maar de inhoud van de kast interesseerde hem. Deze bestond uit verschillende vrouwenkleeren, die aan de keukenmeid behoorden.

De oogen van den Grooten Onbekende schitterden en reeds in het volgend oogenblik was hij druk bezig.

Zijn zakken werden leeg gehaald. Dezelfde gutta-percha kussentjes, die hem eerst kort geleden in zijne rol van Mary Green zulke uitstekende diensten hadden bewezen, waren in een oogwenk door zijn adem opgeblazen.

Daarop zocht hij onder de kleedingstukken van de meid die uit, welke hem het meest geschikt voorkwamen. Spoedig had hij japon en schort aangetrokken. De goudblonde pruik, die hij nog steeds bij zich droeg, tooide zijn hoofd; en een mutsje, dat hij ook in de kast vond, voleindigde het toilet.

Nauwelijks was hij bij het fornuis gaan staan, toen hij buiten lawaai hoorde.

Hij onderscheidde duidelijk eene kijvende vrouwenstem, in wier bezitster hij de echte keukenmeid van Lady Heastfield herkende.

Met haar korfje aan den arm verlangde zij woedend in huis te worden gelaten, wat de detectives haar weigerden. Zij hadden immers het strenge bevel niemand in of uit te laten. En als goed geschoolde beambten bleven zij onverbiddelijk.

Lord Lister keek er lachend naar. De keukenmeid dreigde en schimpte. Het eten zou niet meer gereed komen.

Maar de detectives gaven niet toe. En toen de al te ijverige dienstbode eindelijk de beambten uitschold, zag Raffles tot zijn onuitsprekelijk genoegen, hoe de agenten haar gevangen namen en haar naar den dichtstbij gelegen politiepost lieten brengen.

Gerustgesteld ging Raffles weer naar den haard terug. Dit gevaar was alweer uit den weg geruimd.

Onbezorgd wachtte hij den verderen loop der dingen af en deze kwam nu.

Kapitein Baxter was met zijn gevolg de keuken binnengekomen. Lady Magdalena, die bang was, zich niet goed te zullen houden, trok zich in de gang terug.

De beambten waren nu alleen.

Natuurlijk was ook de blik van Baxter dadelijk gevallen op de keukenmeid bij het fornuis. Het knappe meisje zou ook onder andere omstandigheden zijn aandacht hebben getrokken.

„Goeden morgen!” sprak hij, terwijl hij haar naderde. „Zeg eens, kindlief, heb je hier ook een vreemden man in de keuken gezien?”

Het meisje scheen al haar aandacht te wijden aan de ommelette in de koekepan.

„Neen, mijnheer!” sprak zij kortaf. „In mijn keuken heeft geen enkele man iets te zoeken!”

„Kom, kleine, niet dadelijk zoo nijdig!”

Baxter kwam dicht bij haar staan en streelde haar wang.

Dit liet het meisje zich nog welgevallen, maar toen de kapitein daarop zijn arm om haar volle heupen wilde slaan, gaf zij hem een flinken oorvijg.

„Vervloekt!” riep zij op niet zeer liefelijken toon uit. „Pak je weg, meneer—of—ik sla je je hersens in — —!”

De galante kapitein liet het zoover niet komen, maar bleef op eerbiedigen afstand van de blonde schoone, [32]onder het onbedaarlijk gelach van zijn beambten.

Met grooten ijver begon hij nu de geheele keuken te onderzoeken, zonder verder nog notitie van de dienstbode te nemen. De muurkast, de porseleinkast, tot de schoorsteen, alles kreeg een beurt.

Het resultaat was natuurlijk niet schitterend.

Nadat de detectives verder nog zolder en kelder en alle andere vertrekken van het huis hadden doorzocht, zag kapitein Baxter eindelijk in, dat alle moeite tevergeefsch was.

Er bleef hem niets anders over dan zijn excuses te maken bij de Lady en met zijn beambten heen te gaan.

En dat geschiedde. De verontschuldiging viel hem buitengewoon zwaar, omdat hij de overtuiging had, dat het toch Raffles was geweest, dien hij aan het raam had gezien en dat de Groote Onbekende hem opnieuw een poets had gebakken.

Deze overtuiging werd zekerheid, toen dienzelfden avond op Scotland Yard een brief aan zijn adres werd bezorgd van den volgenden inhoud:

„Men moet de huid van den beer niet verkoopen, voordat men het beest gevangen heeft!

De knappe keukenmeid van Lady Heastfield?

Toen stiet de galante kapitein Baxter een groven vloek uit. Maar tegen zijn detectives zei hij niets van deze nederlaag.

Toen de detectives de villa hadden verlaten en de Lady in de keuken terugkwam, was deze ledig.

Raffles had, toen het huis niet meer omsingeld was, de gelegenheid waargenomen om in zijn vermomming te ontvluchten.

Maar op de tafel lag een aan haar geadresseerde brief.

Vol spanning brak zij dien open en las:

„Mylady! Hartelijk dank! Betreur niet, wat gij gedaan hebt! Gij hebt uw hulp niet aan een onwaardige verleend. De arme man, aan wien ik uw gift zal overhandigen, heet William Stanhope en woont Waterstreet 117c. Zeg aan de keukenmeid, dat haar kleeren gedurende haar afwezigheid zijn gestolen. Bijgaande 10 pond zullen haar schadeloos stellen voor het verlies. Ik hoop, dat ik nog eens in de gelegenheid zal zijn, u te vergelden wat gij aan mij hebt gedaan.

Ik kus uw mooie, blanke handen en ben vol bewondering voor uw tegenwoordigheid van geest.

Uw eeuwig dankbare

JOHN C. RAFFLES.”

Een briefje van 10 pond was bij dit schrijven ingesloten.