[Inhoud]

TWEEDE HOOFDSTUK.

RAFFLES AAN HET WERK.

In de prachtig gemeubelde eetkamer van den millionnair Pigott zat deze met zijn beide bedienden en een bejaarde vrouw met afzichtig uiterlijk aan tafel. Er heerschte een uitgelaten stemming.

„Hahaha” lachte de millionnair met vette stem, „die kerel hebben we er goed van langs gegeven.”

„Het had voor ons wel eens slecht kunnen afloopen,” antwoordde een der bedienden. „Wij moeten er op passen, dat we niet weer visite ontvangen van iemand, die wel eens in deze zaak zou kunnen neuzen!”

„Daar moeten we zeker voor oppassen”, antwoordde Pigott, „we zijn verloren als ons zaakje door iemand wordt ontdekt.”

„Proost”, riep het leelijke wijf, dat tegenover Pigott zat, „niemand zal ooit iets ontdekken. Welke spitsboef zou er ooit aan denken om in den kelder van een huis naar rijkdommen te zoeken? Ons zaakje bloeit veilig in ’t verborgen.”

„Ha!”, lachte Pigott, „wie zou ons nu iets kunnen bewijzen. Ik sta bekend als een weldoener en als de politie op het dozijn verminkte kinderen, die wij in den kelder verplegen, opmerkzaam gemaakt zou worden, dan zou ik ze vertellen, dat ik die arme schepseltjes uit louter menschlievendheid opvoed.”

„Leve de weldoener”, krijschte het wijf, haar wijnglas opnieuw vullend en de anderen tot drinken aanmoedigend.

In hun uitgelaten stemming sloegen zij er geen acht op, dat een zwarte schaduw geluidloos achter de portière van de deur gleed.

Het was John Raffles, die door een openstaand venster onbemerkt was binnengeklommen en nu het gesprek afluisterde.

Terstond begreep de Groote Onbekende, dat hij zich niet vergist had en dat de zoogenaamde bedienden niet anders waren dan de medeplichtigen van een schurk. Hij was er nog niet achter gekomen, welke misdaden hier werden bedreven en waarom de millionnair die verminkte kinderen in den kelder hield opgesloten. Hij moest zich naar het verblijf onder de straat begeven om daar ter plaatse zijn onderzoekingen voort te zetten.

Geruischloos sloop hij weg en ging langs de spaarzaam verlichte trappen naar den kelder. Een ijzeren deur sloot de benedenwoning van het overige gedeelte af. Tevergeefs zocht Raffles naar een slot; er was niets dergelijks te ontdekken en toch moest de deur geopend kunnen worden.

Lord Lister wendde al het mogelijke aan doch de zware deur week niet. Hij besloot toen van buitenaf door het keldervenster zijn weg te zoeken. Toen hij echter langs de trappen naar boven wilde terugkeeren, hoorde hij, dat het wijf met een der bedienden van boven kwam. Hij moest het tweetal dus ontmoeten. De trap was, zooals gezegd, slechts matig verlicht [6]en in het halfdonker smeedde Raffles een plan. Zijn elasticiteit stelde hem in staat vier trappen te gelijk op te gaan en als een bliksemstraal vloog hij langs het tweetal. In het volgend oogenblik reeds was hij verdwenen.

De oude begon luidkeels te gillen en greep in doodsangst den arm van den knecht beet.

„Wat was dat José?” riep zij uit, „heb je dat spook gezien, dat ons voorbijvloog?”

„Och, je bent dronken, Mary en ik zal ook te veel brandy gedronken hebben. We hebben ons vergist, het was onze eigen schaduw, die het licht van boven afwierp.”

„Neen, neen, het was geen vergissing, het was een spook, want het stootte mij op zij, ’t was de zwart verbrande duivel.”

„Je bent zóó dronken, Mary, dat je de maan houdt voor een zonsverduistering. Maar ga nu mee aan ’t werk.”

Het wijf liep met knikkende knieën de trappen af en toen zij onder aan de deur stond en naar boven keek, gilde zij opnieuw ut doodsangst en riep uit:

„Daar is het weer, José.”

De bediende keek achter zich, maar hij kon niets ontdekken, want Raffles, die een oogenblik over de trapleuning had gezien, had zich bliksemsnel teruggetrokken.

„Als je nog eens zoo schreeuwt, Mary, dat iemand hooren en zien vergaat, dan word ik grof tegen je. Ik zal het zeker aan mr. Pigott vertellen, opdat hij je ’s avonds geen brandy meer geeft.”

John Raffles keek opnieuw heel voorzichtig over de trapleuning en zag nu, hoe José op een knop drukte, die op een trede was aangebracht en die naar een electrische geleiding voerde, waardoor de deur geopend werd.

Toen José dat had gedaan, zakte de ijzeren deur in den grond en werd een tweede deur zichtbaar, die het wijf met een sleutel opende.

Zij kwamen nu in een donkere gang. Raffles zag, hoe zij de deur sloten en toen verrees ook weer de ijzeren deur uit den bodem en sloot zich weer op dezelfde plaats.

Geruischloos vloog de Groote Onbekende nu weer naar beneden en probeerde voorzichtig de deur te openen.

Zonderling!

Hoewel hij den knop neerdrukte, scheen de electrische geleiding niet te werken en bleef de deur boven. Na verscheiden vergeefsche pogingen kwam hij tot de conclusie dat het onmogelijk was, zich toegang te verschaffen, daar het tweetal aan den anderen kant de batterij had uitgeschakeld. Hij moest dus probeeren om van buiten af zich toegang te verschaffen tot de kelderruimte.

Ongemerkt verliet hij het huis en sloop er omheen, maar hij zocht tevergeefs naar een keldervenster. De openingen, die vroeger daarvoor hadden bestaan, waren toegemetseld. Raffles begreep dit uit de nieuwe kalk, die in de openingen was gesmeerd en begreep, dat deze maatregel was genomen om een misdaad voor de wereld te verbergen.

Uit zijn tasch nam hij nu eenige instrumenten en zette een draaiboor op de toegemetselde plaats en als een vlijmscherpe diamant vloog het staal door de kalk alsof dit weeke boter was. Hij had eenigen tijd noodig, voordat de boor het werk gedaan had en nu kon John Raffles door een kleine opening in het keldergewelf zien. Hij ontdekte een zwak lichtschijnsel. De misdaden werden naar alle waarschijnlijkheid in een ander gedeelte bedreven.

Een walgelijke lucht kwam Raffles door de kleine opening tegemoet. In een lijkenkelder kon de lucht niet verpestender zijn. [7]

Nu hoorde hij duidelijk de stem van het wijf:

„Breng de blaag hier, José, ik kan daar zoo slecht zien en bij het uitsteken van de oogen komt het er precies op aan, anders krepeert het wurm dadelijk!”

Als door een adder gestoken tuimelde lord Lister achteruit.

Wat voerde dat wijf daar uit. Hij kon zich het vreeselijke niet voorstellen. Zijn zoo algemeen bekende koelbloedigheid liet hem in den steek, toen hij er aan dacht, dat men op slechts eenige meters afstand van hem verwijderd een kind het beste ontnam, dat het bezat, het licht der oogen.

Hij spande zich nu opnieuw in om door de kleine opening in het keldergewelf te kunnen zien en nu ontwaarde hij duidelijk het wijf en den bediende, die José genoemd werd en die een kind, in lompen gehuld, en hoogstens één jaar oud, op den arm droeg.

„Houd het hoofd vast,” riep het wijf, „het wurm verzet zich!”

Het hart stond Raffles bijna stil. Wat daar gebeurde was te erg.

Het wijf maakte in een lamp, die zij in de hand hield, een breinaald gloeiend en stak het kind de oogen uit.

Bijna gelijktijdig met het kind stiet John Raffles, de man met de stalen zenuwen, een kreet van ontzetting uit en deinsde hij terug, alsof hij zelf de gloeiende breinaald in zijn gelaat had gevoeld.

John Raffles dacht eenige seconden na.

Dat was wel het vreeselijkste, wat hij ooit beleefd had. Wat zou hij doen? De politie waarschuwen? Die zou Pigott niets kunnen bewijzen, want hij zou doodgewoon verklaren, dat hij de ongelukkige, verminkte kinderen alleen uit weldadigheid had opgenomen.

Zijn kreet moest in huis zijn gehoord, want op de eerste etage werd een venster geopend en Pigott’s tronie verscheen naast dat van den tweeden bediende.

„Ik heb al zoo vaak gezegd,” hoorde de Groote Onbekende de stem van Pigott, „dat wij honden moeten houden.”

Voor de eerste maal vervloekte Raffles zijn baantje. Als hij nog lord Lister was geweest, zou een enkel woord van hem voldoende zijn geweest om dit misdadigersnest uit te roeien.

Maar nu?

Men zou hem niet gelooven en hem bovendien arresteeren. Maar desondanks—de misdaad was zoo vreeselijk en het lijden der onbekende slachtoffers zoo afschuwelijk, dat hij besloot, als hij zijn doel niet bereikte, om de misdadigers te straffen, naar den eersten den besten rechter te gaan en daar te vertellen, wat er in de villa geschiedde, al zou men hem ook arresteeren. Voor alles echter besloot hij persoonlijk naar Pigott toe te gaan.

Opnieuw sloop hij het huis binnen en verborg zich in den salon, daar Pigott nog niet naar zijn slaapkamer was gegaan. Bijna twee uren bleef hij er achter een gordijn verborgen staan, totdat in huis allen zich ter ruste hadden begeven. Toen kwam hij te voorschijn.

De slaapkamer van den millionnair lag op de bovenste verdieping en met groote handigheid gelukte het Raffles, de sloten geruischloos te openen en binnen te treden.

In de kamer brandde een blauwachtig licht, dat een spookachtig schijnsel over het vertrek wierp. In een kostbaar bed sliep de millionnair en aan het hoofdeinde van de legerstede zag Raffles een in den muur gemetselde geldkast. Met een tevreden lachje op zijn gelaat lag de halfdronken deugniet in de zijden dekens, terwijl in zijn onmiddellijke nabijheid onschuldige kinderen de ondragelijkste smarten verduurden. Nog wist de Groote Onbekende niet, waarom die kinderen verminkt werden; hij moest het geheim [8]oplossen, voordat de millionnair zijn rechtmatige straf kreeg.

Lord Lister opende nu het taschje, nam daaruit een stuk verbandgaas en drenkte dit met chloroform. Daarna legde hij het verdoovingsmiddel op het gelaat van den slapende, waardoor van dezen mond en neus werden bedekt.

Aandachtig luisterde Raffles naar de ademhaling van den slapende om te hooren, wanneer deze onder narcose zich bevond. Toen hij er zich van overtuigd had, dat Pigott onder zware verdooving lag, nam hij hem het gaas van het gelaat en wierp het op het tapijt. Hij trok na verscheiden diamanten ringen van de vingers van den slapende en ging daarop voor de geldkast, die hij met zijn loopers opende. Een bedrag van 60,000 pond sterling in bankpapier en goud viel hem in handen, maar tevergeefs doorzocht hij de brandkast om papieren te vinden, die eenige opheldering konden geven over die ontzettende misdaden.

Slechts een klein briefje viel hem in handen, waarin eenige honderden namen waren genoteerd en achter deze namen stonden sommen van 1000–2000 pond vermeld. Ook dit briefje nam de Groote Onbekende met zich mee. Toen ging hij naar een klein tafeltje, dat voor het bed stond, nam een blad papier, pen en inkt en schreef:

„Mr. Pigott, ge zijt de grootste schurk, die er op aarde rondloopt. Ik ben u op het spoor. Neem u in acht.

JOHN C. RAFFLES.”

Hij wierp een blik vol gloeienden haat op den slaper en fluisterde:

„Het zou maar het beste zijn om jou en je medeplichtigen de keel af te snijden, maar ik wensch in dit geval den rechter niet voor te zijn.”

Zachtjes sloot hij de slaapkamer en sloop naar de lagere verdieping, waar hij een venster opende, naar beneden in den tuin sprong en verdween.

Het begon reeds te dagen, toen Raffles in zijn kamer terugkwam waar zijn secretaris hem wachtte.

Verschrikt sprong Charly Brand op toen zijn vriend, nadat deze het zwarte pak had uitgetrokken, met verstoord gelaat voor den haard ging zitten en zei:

„Geef me een glas whisky, Charly, ik heb afschuwelijke dingen beleefd.”

Zijn secretaris gaf hem het gevraagde en haastig dronk Raffles, geheel tegen zijn gewoonte, twee glazen whisky achter elkander leeg. Daarna stak hij een sigaret aan en bleef, in diep gepeins verzonken, minuten lang voor zich uitstaren.

„Wat is je overkomen?” Aldus verbrak Charly Brand de stilte.

Lord Lister opende een grooten zijden zak, waarin hij de brillanten en het geld had meegenomen en antwoordde:

„Ik geef jou de ringen cadeau, die Pigott gisteravond voor je oogen heeft laten schitteren. Verder heb ik hier ongeveer zestigduizend pond sterling en ik verzoek je, dit geld eveneens te nemen op een klein gedeelte na, dat ik zelf moet gebruiken. Het zou kunnen zijn beste Charly, dat men mij in een der volgende dagen in Scotland Yard vastzet.”

Charly Brand staarde zijn meester verschrikt aan, die de laatste woorden had geuit met een eigenaardigen glimlach en die zijn sigaret zoo kalm rookte, alsof hij vertelde, dat hij een eindje ging wandelen.

De groote onbekende haalde nu uit de tasch een klein zwart boekje te voorschijn en begon daarin te bladeren.

„Merkwaardig”, fluisterde hij, „wat zouden die namen toch wel beteekenen. Namen, waarbij niets verder is aangeteekend, dan een zekere som. Namen, die geen stand en geen woonplaats verraden. Dat is een [9]vraagstuk, voor mijn beroemden collega Sherlock Holmes om op te lossen. En wat beteekenen die cijfers achter de namen? Willen die zeggen, dat den lieden zoo en zooveel is betaald of dat zij deze som gestort hebben. En hoe heeft dit alles iets te maken, met dat wat ik zag?”

Toen lord Lister eindelijk zweeg vroeg Charly Brand:

„Zou je me niet willen vertellen wat je zoo bezig houdt?”

„Neen, my boy. Ik wil jou hersens niet pijnigen met het vreeselijke dat mij thans bezig houdt.”

„Wil je me dan misschien vertellen wat die woorden beteekenen, betreffende je gevangenneming in Scotland Yard?”

„Ook daarover kan ik je thans geen inlichtingen geven beste Charly, maar misschien morgen reeds. En laat me nu een paar minuten nadenken.”

Bijna een uur zat lord Lister bij den haard in diep gepeins verzonken. Hij rookte daarbij wel een half dozijn cigaretten en scheen eindelijk gevonden te hebben wat hij zocht.

Hij stond op en zei:

„Ik ga een half uurtje rusten en dan een bad nemen. Wil je er voor zorgen dat tegen dien tijd het ontbijt gereed is. Na het ontbijt ga ik uit.”

Hij verdween in zijn slaapkamer en liet Charly Brand alleen, die nu de kostbare steenen uit de gouden ringen ging breken en in een taschje deed, dat hij in zijn borstzak droeg. Toen smolt hij de gouden ringen in een kleine smeltkroes samen, die hij electrisch verhitte. Daarna telde hij de banknoten na, stak ze in een portefeuille en deed ook het goud in het taschje.

Intusschen was Raffles uitgerust en Charly Brand hoorde dat hij naar de badkamer was gegaan.

De secretaris liet nu het ontbijt door den ouden dienaar opzetten en juist toen het gereed stond kwam Lister weer binnen, wenschte Charly goeden morgen en begon met benijdenswaardigen eetlust te ontbijten. Hierna verdween hij in zijn kleedkamer en bleef daar wel een uur vertoeven. Charly Brand las intusschen de ochtendbladen en vermaakte zich met een bericht waarin gezegd werd dat het de redactie speet dat men niets nieuws kon meedeelen over den Grooten Onbekende en dat deze zich naar alle waarschijnlijkheid wel op reis had begeven om zich wat te ontspannen.

Charly Brand had de courant nog niet uit toen zijn vriend weer binnentrad. Verschrikt sprong de secretaris op. Hij meende een vreemde voor zich te zien, een oude verwaarloosde bedelaar uit het donkerste Londen, in lompen gehuld en met afzichtelijk uiterlijk, het type van een mensch, die in het vuilste slopje in een krot vol ongedierte woont of die gelukkig is, als hij kan overnachten in het tehuis voor dakloozen. In zoo’n creatuur had Raffles zich vermomd.

„Ik zal nog een sigaret in je gezelschap rooken, my boy, en dan ga ik op weg om te trachten het afschuwelijke geheim van dien Pigott op te lossen. Je kunt tijdens mijn afwezigheid dit huis als het jouwe beschouwen. Als er gevaar mocht dreigen en de politie huiszoeking doet heb ik hier een kleine schuilplaats klaar gemaakt waarin je zeker bent voor elken detective.”

Hij bracht Charly Brand naar een dubbele deur en wees hem, hoe achter het beschot een geheime veer zat waarop gedrukt moest worden. Dan kwam een opening te voorschijn die zoo groot was, dat een mensch er gemakkelijk in staan kon.

De lord sloot de opening weer en zei:

„In deze schuilplaats zal geen mensch je zoeken. Uit de couranten zal je wel hooren waar ik ben. Laat overigens maar alles aan mij over en bekommer je om niets.”

Hij reikte zijn secretaris de hand en als deze niet geweten had, dat dit de hand van zijn vriend en meester [10]was, dan zou hij er voor gerild hebben deze vieze, met een laag vuil bedekte hand aan te raken. En toch zat onder dit vuil de slanke voorname, aristocratische hand van Raffles verborgen.

Charly Brand geleidde zijn vriend tot aan de huisdeur, en keek hem nog eenige minuten na, totdat hij verdween in den nevel, die Londen zoo dikwijls in den vroegen morgen geheel bedekt.