Inspecteur Baxter zat in zijn werkkamer in Scotland Yard en dicteerde detective Marholm een bericht, toen een agent binnentrad en meedeelde dat een zekere Pigott, een millionnair die in Regent-park woonde, den inspecteur wenschte te spreken.
„Laat me met rust met je millionnairs!” riep Baxter uit op geërgerden toon, „ik heb met die lui in de laatste jaren de ellendigste ondervindingen opgedaan. Laat ze hun geld en hun kostbaarheden beter bewaren. Eerst als ze bestolen zijn komen ze bij mij en zeuren me de ooren vol en als ik het geld dan niet weer op zijn plaats breng, dan loopen ze naar de couranten, die zich er over amuseeren en over mijn onhandigheid schrijven.”
Detective Marholm, door zijn collega’s bijgenaamd „de vloo”, glimlachte ironisch over deze uitlating van zijn chef en vroeg:
„Zeg eens, inspecteur Baxter, waar moeten de bestolenen dan heengaan om hun klachten te uiten?”
„Hou je mond, Marholm en bemoei je met je eigen werk,” snauwde Baxter; „’t is al sinds jaren hetzelfde liedje als een millionnair in mijn bureau komt.”
„En hoe luidt dat liedje?”
„Raffles!” schreeuwde de inspecteur. „Raffles! Want hij is het, die de millionnairs bezoekt en deze op mij afstuurt. Vervloekt! Als ik dien Raffles toch eens kon te pakken krijgen!”
Hij liep als een ijsbeer zijn bureau op en neer en rolde woest met de oogen. Zoodra hij aan Raffles dacht, verloor hij alle zelfbeheersching, want die naam werkte op hem als een roode lap op een stier.
„Wat sta je daar nog aan de deur?” vroeg hij den wachtenden agent op boozen toon.
„Ik wacht uw bevelen af,” antwoordde deze.
„Breng den millionnair binnen,” antwoordde Baxter stroef.
De agent verdween en de inspecteur ging aan zijn schrijftafel zitten. Twee minuten verliepen. Toen ging de deur weer open en de agent diende aan:
„Mr. Pigott!”
Baxter draaide zich eens op zijn stoel om en bekeek den binnentredende met korten doch scherpen blik. Dan stond hij op, maakte een buiging en zei:
„Wilt ge gaan zitten?”
Zwaar ademend nam mr. Pigott plaats.
„Ik ben ten zeerste opgewonden,” zei mr. Pigott, [11]die zich met een zakdoek het zweet van het roode voorhoofd veegde, „ik ben vannacht bestolen—mijn heele vermogen is naar de maan. Men heeft mijn brandkast opengebroken en niets er in gelaten dan dit briefje.”
Hij gaf Baxter een smal strookje papier. Er stond de naam van op van John C. Raffles. Pigott had het strookje van den brief geknipt, daar hij, heel begrijpelijk, het verdere liever niet liet lezen.
Baxter keek eens naar het strookje, alsof het een gloeiende plaat was. Voordat hij nog begon te lezen, wist hij al, wat er op stond. Op deze manier handelde Raffles alleen en zonder groote verbazing las Baxter dan ook den naam. Voorzichtig legde hij toen het strookje papier op zijn schrijftafel en vroeg mr. Pigott:
„Hoeveel heeft hij u ontstolen?”
Zonder te aarzelen zei Pigott:
„180,000 pond sterling.”
Hij loog, want hij noemde het drievoud der gestolen som.
„Hoeveel?” vroeg Baxter, alsof hij niet goed verstaan had en mr. Pigott herhaalde de som.
„Dat is kolossaal,” riep de inspecteur uit, „hoe kwaamt ge ook zoo lichtzinnig om zoo’n groote som in huis te bewaren?”
„Ik heb die gewoonten al sinds twintig jaren,” antwoordde Pigott, „ik bewaarde het geld in een kast in den muur.”
„Ge ziet, dat u dit niets heeft gebaat,” zei de inspecteur, „ik verbaas er mij dan ook over, dat ge niet voorzichtiger zijt geweest, daar ge toch wist, dat Raffles in Londen vertoeft. En vertel me nu eens, hoe de heele zaak zich heeft toegedragen.”
Pigott hapte eens naar lucht, en begon een verdicht verhaal op te disschen.
„Ik ging om elf uur naar mijn slaapkamer en sloot deze, naar gewoonte, met de noodige voorzorgsmaatregelen. Vanmorgen moest mijn bediende mij uit een diepen slaap wekken en in mijn hersens dreunt het nog, alsof ik een dozijn flesschen champagne heb leeggedronken.”
„Hadt ge een zoeten smaak in den mond, toen ge wakker werd?” vroeg inspecteur Baxter.
„Ja,” antwoordde Pigott, „en ik heb dien smaak eerst na een uur met brandewijn en koffie kunnen wegspoelen.”
„Men heeft u verdoofd!” knikte de inspecteur. „Raffles werkt altijd met verdoovingsmiddelen.”
Woedend sloeg de millionnair met de vuist op tafel en riep uit:
„Die schurk moet gepakt worden! Ik betaal u duizend pond, inspecteur, als ge mij mijn geld weer terug bezorgt! Die hond moet gehangen. Alsof de eerlijke menschen alleen bestaan, om door zulke gauwdieven geplukt te worden.”
Marholm, die over zijn schrijfwerk zat gebogen, dacht bij zich zelven:
„Wel, zoo heel eerlijk zie jij er ook niet uit en wie weet of je niet een veel grootere spitsboef bent dan Raffles.”
Marholm had namelijk voor zichzelven de opmerking gemaakt, dat de Groote Onbekende het liefst te velde trok tegen groote schelmen, die echter zoo geslepen hun handwerk uitoefenen, dat zij noch door de politie, noch door iemand anders konden worden betrapt.
Baxter wendde zich tot den detective en zei:
„Schrijf nauwkeurig op, wat mr. Pigott verteld heeft en dan gaan we naar de villa om daar op de plaats van de misdaad een en ander te controleeren.”
„Dat is toch heelemaal niet noodig,” begon de millionnair, „of ge mijn kamers ziet of niet, daarmee brengt ge mijn geld niet terug. Probeer liever den Grooten Onbekende te pakken.” [12]
Baxter werd boos en stak een sigaar op.
Wat mr. Pigott hem daar zei, had al menig benadeelde hem toegevoegd.
Detective Marholm keek den millionnair eens aan met scherpen blik, daar hij vermoedde, dat de bestolene liever niet had, dat men in zijn villa kwam.
Baxter echter lette daar niet op en antwoordde:
„Ge hebt gelijk, mr. Pigott. Behalve het briefje zal Raffles wel niets in uw woning hebben achtergelaten.”
„Neen, heelemaal niets”, riep Pigott uit, „zelfs geen banknoot van duizend pond!”
„Dat had hij feitelijk wel mogen doen”, viel Marholm in, „bij zoo’n som zal het Raffles niet veel kunnen schelen, een beetje provisie achter te laten!”
Pigott keek den spotter woedend aan, maar Marholm vertrok zijn gelaat niet.
De millionnair stond thans op en vroeg:
„Ik heb hier nu niets meer te doen, inspecteur. Als ge iets gewaar wordt, hoor ik het wel van u. Mijn telefoonnummer is 1607. Het is maar beter, dat ge telefoneert, anders kondt ge misschien een vergeefschen weg naar mijn huis maken.”
Deze woorden versterkten nog de argwaan van detective Marholm en toen Pigott was heengegaan, zei hij tot Baxter:
„Die man lijkt me heel verdacht, inspecteur.”
„Je bent gek, Marholm”, antwoordde Baxter, „je begint waarempel weer je oude liedje en gaat natuurlijk beweren, dat die man er veel verdachter uitziet dan Raffles. Jij schijnt alle millionnairs te wantrouwen.”
Marholm lachte.
„Bewijs mij eens het tegendeel, inspecteur. Ik kan het niet helpen, maar ik gevoel sympathie voor Raffles en niet de minste voor al die lieden, die door hem bestolen worden”.
„Hou je mond”, donderde Baxter, „ik begeer van jou geen sympathiebetuigingen met een dief. Je schijnt je beroep te zijn misgeloopen.”
Marholm lachte nog eens.
„O, als ik zoo handig was als de Groote Onbekende, zou ik graag mijn beroep met het zijne ruilen, al was ’t maar alleen om de collega’s telkens weer bij den neus te nemen en ook u, inspecteur Baxter.”
Deze woorden maakten Baxter woest.
Hij ging naar Marholm toe, greep hem bij de keel, en schudde hem heen en weer.
„Ik zeg je”, en zijn gezicht werd rood van woede, „dat ik je met deze vuisten kon worgen, want de eigenlijke Raffles maakt mij al gek”.
Marholm bleef doodkalm en hijgde eens.
Toen gaf hij den inspecteur een ribbestoot, zoodat deze achteruit vloog.
„Ik hoop, inspecteur”, zeide hij, „dat ge inderdaad nog eens den Grooten Onbekende hier bij u op uw kantoor krijgt. Ik ben er alleen maar wat bang voor, dat ge eerst weet, wie bij u was, als de man Scotland Yard al lang weer achter den rug heeft”.
„Hou nu maar op met je praatjes, Marholm, en geef de verschillende politie-bureaux de noodige inlichtingen over de zaak Pigott.”
„Och, laat ons dat toch niet doen, inspecteur. Ik geloof, dat wij nu al in achttien zaken bezig zijn, naar Raffles te zoeken. We kunnen ons vandaag best die moeite sparen!” [13]