[Inhoud]

VIERDE HOOFDSTUK.

IN DE DIEVENKROEG.

In een der vele nauwe en donkere straten van Whitechapel rijen zich de kroegjes nauw aaneen.

Daarin leeft het uitvaagsel der groote stad.

In lompen gehuld, verminkt en afzichtelijk van ellende, staan of zitten de rampzaligen daar bij elkander in de ruimten, waar tabakswalm en brandewijnlucht de atmosfeer verpesten.

Een van deze kroegjes trad Raffles binnen en vroeg den waard met een stem, die door het overmatig gebruik van brandewijn heesch was geworden, een glas jenever.

Vol argwaan keek de waard naar den vreemden gast, zette de jenever voor hem neer, maar hield het glas zoo lang vast, totdat Raffles een penny voor den drank had betaald.

Het duurde een heelen tijd, voordat John Raffles uit een viezen, vuilen zak het geldstuk had opgediept.

Dit zoeken naar den penny maakte den kroeghouder, die in den bezoeker een politiespion zag, minder achterdochtig.

Hij wist niet, dat John Raffles in staat was, zijn rol tot in de kleinste bijzonderheden vol te houden.

Eindelijk had de Groote Onbekende het geldstuk te pakken en gaf het den waard. Hij maakte daarbij een gebaar, alsof hij den man een heel kapitaal overhandigde voor het glas brandewijn.

Daarna sloeg hij den allergemeensten jenever door het keelgat en bleef voor de toonbank staan, alsof hij het nog niet met zichzelve eens was, of hij nog een penny voor een tweede glas zou betalen.

De waard, die hem scherp aankeek, zei:

„Die jenever is best. Als je nog meer geld hebt, kun je hier zooveel drinken, tot je den weg niet meer uit de kroeg vindt”.

Raffles, die met gulzige oogen naar het glaasje keek, mompelde een paar onverstaanbare woorden en begon opnieuw naar een penny in zijn zakken te zoeken.

Maar hij scheen tevergeefs te zoeken, want met een hartgrondigen vloek hoorde de waard hem zeggen:

„’k Heb waarachtig niet eens meer wat voor een spatje”.

„Je schijnt je beroep ook niet al te goed te verstaan. Je moest over een heel kapitaal kunnen beschikken. Ik ken bedelaars, die eigen huizen hebben, maar jij schijnt nog te groen te zijn.”

„Yes, yes!” antwoordde John Raffles, „ik kom van New-York en ben pas sinds vier dagen in Londen. Er valt hier ook een bedroefd beetje te verdienen”.

„Kom je van New-York? Waarvan heb je dan den overtocht betaald?”

„’k Had zooveel gespaard”.

„Zoo? Heb je nog meer geld?”

„Waarom?”

„Dan zal ik je een raad geven, hoe je elken dag twee pond kunt verdienen.” [14]

„Maak dat een ander wijs! Voor zoo’n raad wil ik je graag 500 dollar betalen!”

„Dat geloof ik!”

„Maar misschien kun je mij een anderen raad geven.”

„En dat is?”

„Ik wil je graag wat laten verdienen, maar ik kan het je hier niet zeggen. Je klanten kijken te veel naar ons.”

„Ik ben nieuwsgierig om te vernemen, wat je op het hart hebt. Kom maar achter de toonbank.”

De waard, een groote vierkante kerel, deed een klein deurtje open en liet den schooier binnen in een klein donker vertrekje, achter de kroeg gelegen. De man stak een walmende petroleumlamp aan.

Hier scheen de slaapkamer te zijn van den kroegjesbaas.

„Maak het kort”, sprak hij, „ik kan mijn klanten niet lang alleen laten. Ze zouden mij binnen een paar minuten allen brandewijn hebben leeggedronken, zonder dat ik er een penny betaling voor had gekregen”.

Lord Lister keek eens schuw om zich heen, of niemand luisteren kon en keek ook eens onder het bed.

„Geen nood”, zeide de waard, „hier is niemand, vertel maar op, zoeken de hondenvangers van Scotland Yard je misschien? Als je geld hebt, wil ik je verbergen”.

„Neen, kerel, maar sinds ik in Londen ben, heb ik geen warme hap gegeten en ik smacht naar een stuk gebraden vleesch. Hoe kom ik eraan?”

„Niet door mij, kale jakhals! Of dacht je soms, dat ik je op lekkere beetjes zou trakteeren? Steel het en vreet het op, als je ’t hebt, dat is mijn raad”.

„Dat behoef ik niet te doen. Ik heb—ik heb—” hij hield op en keek weer om zich heen.

„Voor den duivel! Wat heb je?”

„Ik heb geld. Maar ik kan het niet uitgeven”.

„Je hebt gestolen papieren, die ik voor je moet bewaren? Denk er aan, dat de helft voor mij is”.

„Ik heb geen gestolen geld, maar toen ik van New-York vertrok, haalde ik mijn spaarduiten van de Bank en die betaalde ze mij uit in hooge banknoten. Nu weet ik niet, waar ik die papieren zal wisselen. Je wordt daarbij zoo gauw ingepakt, want geen sterveling gelooft, dat het eerlijk verdiend geld is”.

„Hoe groot is de banknoot?”

„Tien dollar”.

„Tien dollar? En noem je dat hoog? Mijn klanten wisselen wel eens biljetten van honderd pond.”

„Zoover heb ik het nog niet gebracht”, sprak Raffles, en hij begon zijn gelapte jas los te knoopen, „maar misschien komt het nog een zoover met mij. Wacht even! Ik moet het geld onder mijn hemd vandaan halen”.

Verscheiden seconden verliepen, voordat Raffles een groot pak bankbiljetten te voorschijn haalde, dat met een lang eind garen was saamgebonden en waaruit hij een biljet haalde van tien dollar.

Zonder dat de kroeghouder het bemerkte, sloeg de Groote Onbekende den waard aandachtig gade en hij zag, dat diens oogen van hebzucht fonkelden.

„Ik zie, dat je meer hebt, dan ik dacht”, zei de kroegjesbaas. „Je bent een ezel, dat je het niet gebruikt voor een zaakje, waardoor je kapitaal in een paar weken verdubbelt.”

„Ik moet je eerst eens beter leeren kennen, voordat ik daarop inga”, antwoordde Raffles ontwijkend.

„Mij leeren kennen? Mij?” stoof de herbergier op, „vraag het ieder, dien je wilt, of ik geen doodeerlijke kerel ben? Je kunt me gerust vertrouwen, en ik zal [15]je het biljet van tien dollars wisselen. Een vierde gedeelte daarvan is voor mij!”

„Allright!” zei Raffles, „geef op het geld, want ik heb een vervloekten honger en wil vannacht eens ergens anders slapen dan onder den blooten hemel”.

„Slapen kun je hier. Ik heb voor mijn klanten altijd nog een plaatsje. Je kunt al je ongedierte gratis warmen”.

De waard ging naar een kast en haalde er een leeren zak met geld uit.

Voorzichtig telde hij daaruit de som van een pond en zes shilling in kleine geldstukjes en legde die voor Raffles op tafel neer.

„Geef op je biljet van tien dollar”, zei nu de herbergier, „maar raak het geld niet aan, vóórdat ik er mij van overtuigd heb, dat je mij geen valsch biljet in de hand hebt gestopt”.

John Raffles gaf het gevraagde en de waard hield het biljet tegen het licht.

„In orde!” zei hij toen, „strijk je geld maar op”.

Nu nam de Groote Onbekende de geldstukken op, die hij een voor een op de tafel gooide om te onderzoeken, of ze wel echt waren.

„Mijn geld is goed”, zei de waard, die dit niet aanstond.

Raffles echter nam vier shillingstukken en trok daarmee een zwarten streep op een stuk krantenpapier.

„Wat bedoel je?” vroeg de waard.

„Dat is lood!”

„Onzin! Je kunt het best uitgeven. Hadt je maar een paar duizend van die dingetjes? Een van mijn klanten verkoopt je voor één pond vijf pond van die dingetjes. Betere zaken kun je toch moeilijk maken”.

Raffles stak het geld in den zak.

Voordat het tweetal de kamer uitging, zeide de herbergier nog eens:

„Wees niet gek en steek je geld in een zaak die ik je wil aanraden. ’t Is eerlijke winst”.

„Ik zal er eens over nadenken”, antwoordde Raffles, en verliet de kamer. Toen dronk hij nog een glas jenever en verliet de kroeg.

Op straat haalde hij verruimd adem in de buitenlucht, al was deze ook in dit stadsgedeelte nog met allerlei onfrissche geuren bezwangerd.

Het was hem, alsof hij uit een varkensstal kwam. Maar toch had het toeval hem niet in deze kroeg gebracht.

In het boek, dat hij Pigott had ontstolen, stond de naam „Blue inn” (Blauwe kroeg) verscheiden keeren opgeteekend. Hij veronderstelde daarom, dat de herbergier in nauwe relatie stond met den millionnair.

Bijna den ganschen dag had hij naar de kroeg gezocht.

Waar hij maar een bedelaar zag, had hij kennis met deze gemaakt en verteld, dat een vriend hem in de Blauwe kroeg wilde spreken, maar dat hij niet wist, waar deze was.

Op de Waterloo-brug had hij een kreupele ontmoet, die een afzichtelijk, meelijwekkend kind droeg. Dat kind was blind en had geen voeten.

Raffles zag dat bijna iedere voorbijganger een geldstuk legde op het tinnen bordje, dat dit allerrampzaligste schepseltje in haar handjes vooruitstak.

De Groote Onbekende zag ook dat de kreupele, op wiens schoot het kind zat, het geld terstond bij zich stak. Van dezen man kreeg John Raffles het adres van de blauwe kroeg.

Toen hij het verminkte kind en den bedelaar wat langer bekeek werd hem plotseling het geheim van mr. Pigott helder. [16]

Deze schurk, aldus redeneerde lord Lister, liet kinderen verminken en verhuurde of verkocht ze dan aan een bedelaar voor een zekere som gelds.

Raffles kromp ineen, als hij bedacht, hoeveel misdaden, aan de onschuldige wezentjes begaan, Pigott wel niet op zijn geweten moest hebben.

Hij moest nu alleen nog maar het overtuigend bewijs van Pigotts misdaden hebben en, zoo mogelijk, zoo’n verminkt kind van hem koopen.

Dat hoopte hij in de „Blauwe kroeg” te kunnen doen. Hij ging daarom nog eens naar de kroeg terug om elf uur des avonds, toen allerlei kerels en wijven, zelfs kinderen er rond krioelden.

Meisjes en jongens van zeven, acht jaren dronken op tegen volwassenen en sloegen de liederlijkste taal uit.

Toen de waard zijn klant van dien middag zag, vroeg hij:

„Wel, heb je nog wat gegeten?”

„Yes”, antwoordde Raffles, „ik heb het er eens van genomen, hoewel ik den heelen dag maar twee penny heb opgehaald.

Hier in Londen ligt het geld ook al niet op de keien.”

„Je bent een ongeluksvogel”, antwoordde de herbergier, „maar ik heb je toch geraden om op mijn voorstel in te gaan. Dan kun je geld verdienen, zooveel als je maar wilt.”

De herbergier zag duidelijk dat John Raffles hem achterdochtig aankeek.

De Groote Onbekende dronk zwijgend het glas jenever uit, dat voor hem stond en waarvoor de herbergier nu niet weer terstond het geldstuk verlangde. Hij vertrouwde Raffles nu.

Lord Lister dronk verscheidene glaasjes leeg en ook de waard liet zich niet onbetuigd. De krijtstreepjes zette hij alle voor Raffles op de tafel neer.

Toen beiden een dozijn gedronken hadden, legde Raffles twee shilling op tafel. Daarvan was de eene valsch.

„Ik krijg nog zes pence van je,” zei de waard, „dien shilling neem ik voor de helft, omdat je een klant bent.”

Raffles legde het gevraagde neer met een handbeweging, alsof hij dronken was.

Daarbij mompelde hij eenige onverstaanbare woorden en de waard achtte nu den tijd gekomen om Raffles den voorslag te doen voor het zaakje.

„Ga mee naar mijn kantoor”, zei hij.

Met ietwat zwaaiende gang volgde lord Lister hem achter de toonbank en ging de slaapkamer van den waard binnen, die hem een stoel bood, de lamp opstak en tegenover zijn klant ging zitten.

„Kijk eens, vriend,” begon de herbergier, „kijk eens, ik heb gezien, dat je genoeg geld bij je hebt om een winstgevend baantje te kunnen opzetten.”

„Ik— —ik— —ik heb— —geen geld”, stotterde de Groote Onbekende.

„Je bent dronken, my boy”, antwoordde de ander, „ik heb je zelf nog een bankbiljet gewisseld. Heb je dat nou al vergeten met je brandewijn-kop”

„Kijk nou ereis”, vervolgde hij, „ik ken een vrouw, die heel veel ongeluk in haar leven heeft gehad. In haar jeugd is ze naar New-York ontvoerd. Toen is ze naar Londen gegaan en nu leeft ze hier in Whitechapel. Deze vrouw heeft een kind—wel, waarom zou ze geen kind hebben, en dat wurm werd verminkt geboren. De vrouw heeft dat kind verkocht aan een millionnair, die voor menschlievend wil doorgaan en deze wil er nu graag weer af.” [17]

Als begreep hij de zaak niet goed, staarde Raffles met een onnoozel gelaat den man aan.

„Wat— —wat moet ik— —met een kind!— —Ik— —ik ben blij— —dat ik geen heb!”

Idioot”, brulde de ander, „dank den hemel, dat je dit kind kunt koopen. Je kunt er geld mee verdienen— —als water— —Begrijp je dan niet, wat ik bedoel?”

John Raffles leek zoo dronken, dat hij den man niet meer begreep.

„Ik zal het je uitleggen,” zei de waard, „het kind is totaal verminkt Ik geloof, dat het geen armen, geen beenen en geen oogen heeft. Het kan hooren noch spreken.”

„Het ontbreekt er nog maar aan, dat het geen hoofd heeft ook,” dacht Raffles.

„Goed, goed!” zei hij echter overluid, „maar dat is vreeselijk!”

De waard lachte met ruw geluid en antwoordde:

„Vreeselijk? Een zaakje is het, beste kerel, een uitstekend zaakje en ik verzeker je, dat, als ik niet zooveel verdiende, dan ging ik met dat misbaksel de straat op. En ik verwed tien pond tegen een shilling, dat ik twee pond per dag zou verdienen.”

„Ja— —ja— —” lachte Raffles, „twee pond sterling verdienen. Jij—jij—hebt gelijk. Hoe— —hoeveel kost dat kind?”

„Hoeveel geld heb je? Ik raad je aan, verstandig te zijn, want de blaag is niet goedkoop!”

Raffles scheen na te denken.

Toen hakkelde hij:

„Ik—ik—ik heb— —340 dollar bij mij!”

„340 dollar?”

„Ja.”

„Niets meer?”

„Neen—neen!”

„Zeg, lieg je niet?”

„Waarachtig niet!”

„Dan heb je niet genoeg! Maar ik zal je een voorstel doen. Je betaalt 340 dollar en dan betaal je verder elken dag 10 shilling af. Onder 200 pond krijg je het kreng toch niet.”

„Tweehonderd pond?” bromde Raffles en het scheen, alsof hij langzaam ontwaakte uit de brandewijnroes.

„Ja. Vooruit, doe het maar. Ik leen je het wurm op afbetaling. Als je niet betaalt, neem ik je het kind weer af.”

De waard ging naar een kast en haalde er een vieze portefeuille uit. Toen nam hij papier, pen en inkt en schreef daar iets op, dat hij zijn klant voorlegde en beval:

„Onderteeken!”

„Ik moet het toch eerst lezen”, zeide de Groote Onbekende met dubbele tong. En langzaam ontcijferde hij:

Ik, de eerste onderteekenaar, huur hierbij van mister Thomson, Milton Street 16, het hem toebehoorende kind tot een huurprijs van 10 shilling, totdat de koopsom van 200 pond is afbetaald.

Als ik een dag in gebreke blijf, den huurprijs te betalen, verlies ik alle recht op het bezit van het kind.”

De Groote Onbekende las de overeenkomst nog eens en vroeg toen:

„Wat—wat—is—dat dan—voor een kind?”

„Vervloekt!” brulde de waard, „een verminkt kind!”

„Ik—ik—ik bedoel—een jongen of een meisje?”

„Dat weet ik niet, kerel! Maar dat komt er toch ook heelemaal niet op aan! Het is hoogstens twee jaren. [18]Als je ’t hebben wilt, moet je nu toehappen, want morgen vroeg verwacht ik andere klanten!”

Raffles scheen nog eens na te denken en nogmaals moedigde de herbergier hem aan met al de overredingskracht, waarover hij beschikte.

Eindelijk dan toch haalde Raffles het geld te voorschijn, teekende het papier en zei:

„Hier hebt ge het geld, mr. Thomson, maar dit papier behoud ik, totdat ik het kind heb.”

„Dat kun je,” zei de waard, „morgen zullen we het gaan halen.”

John Raffles betaalde hem het geld en liet zich daarvoor door mr. Thomson een kwitantie geven. Toen stak hij een en ander in den zak en verliet met den waard diens kantoor.

Deze wees Raffles in een hoek een slaapplaats aan en in de walgelijkste omgeving legde de Groote Onbekende zich ter ruste.