Elf uur ’s morgens.
In Scotland Yard gaat, op inspecteur Baxters schrijfbureau, de telefoon over.
Onwillig nam deze den hoorn op.
„Hallo!”
„Is daar inspecteur Baxter?”
„Ja.”
„Hier Pigott, Regent-Park.”
„Goeden morgen!”
„Morgen!”
„Wat is er van uw verlangen?”
„Kom alstublieft dadelijk met eenige detectives. Ik heb John Raffles ontdekt, hij moet gearresteerd.”
„Wat zegt ge? Weet ge het zeker?”
„Beslist!”
„Allright! Over tien minuten zijn we bij u.”
Baxter legde den hoorn op het toestel en schreeuwde: [23]
„Marholm! Detective Marholm!”
„Ja, dadelijk, inspecteur!”
Daar kwam „de vloo” al aangedraafd.
„Wat blieft u, inspecteur?”
„Haal onze tien beste detectives en laat een auto voorkomen.”
„Allright!”
„Haast je wat!”
„Natuurlijk!”
Maar Marholm haastte zich allerminst. Op z’n dooie gemak stak hij een sigaar op en deed toen, alsof hij met zijn tijd geen raad wist, wat zijn chef hem had bevolen. Daarna ging hij Baxter meedeelen, dat alles in orde was.
„Uitstekend!”
Marholm grijnsde eens met breeden lach. Toen dacht hij zoo bij zich zelf:
„Ik verwed mijn hoofd tegen een broeksknoop, dat de chef weer eens op Raffles gaat jagen. Die haast komt mij wel wat verdacht voor. Enfin, ik zal het me maar een beetje makkelijk maken op zijn sofa.”
En Marholm rekte zich lui uit en rookte vol welbehagen zijn sigaartje.
Baxter had Marholm, een der snuggerste detectives, tot zijn secretaris benoemd; Marholm’s spottende opmerkingen over Raffles kon Baxter niet goed verdragen en nu was de spotter tenminste geen ooggetuige meer van al de nederlagen van den inspecteur.
Binnen een half uur was de auto met de detectives aan de villa in Regent-Park.
Pigott ontving Baxter in zijn vorstelijk gemeubelde studeerkamer en bood hem een goede sigaar, terwijl de detectives voor de deur in de auto wachtten.
„Ik zal u vertellen,” begon de millionnair, „wat er gebeurd is. Vandaag kwam een bedelaar, die mij voor mijn huis om een aalmoes vroeg. Ik had medelijden met den armen kerel, nam hem mee naar binnen en liet hem in de keuken wat eten geven. Daar werd toevallig een gouden tafelservies schoongemaakt. Plotseling pakte de kerel een zware, gouden kan beet en de schooier, die zich eerst op krukken moeilijk had voortbewogen, verdween in volle vaart met zijn buit. Mijn bediende en ik volgden hem. Hij vluchtte door het park, sprong over een muur en vluchtte in een huis, waarvan ik dacht, dat het al sinds jaren niet bewoond werd. Ge weet welk huis ik bedoel. Het is dat van den verscheiden jaren geleden ontvluchten lord Lister. Mijn bediende en ik volgden den vluchteling en kwamen op het vreemde terrein, waar ons door een man werd bevolen stil te staan, die op het balkon van de villa stond en zei, dat wij dadelijk den tuin moesten verlaten. In het eerste oogenblik herkende ik hem niet, maar toen ook begreep ik dadelijk, dat het lord Lister, de gevreesde Raffles, of, zooals de pers hem noemt, de Groote Onbekende was.”
„Waarom hebt ge hem dan niet dadelijk gearresteerd?”
Pigott lachte eens.
„Dacht ge, dat ik lust had om door een pistoolschot een eind aan mijn leven te zien gemaakt? Neen, inspecteur, dat laat ik den politiemannen over. Hebt gij lust Raffles te vangen? Ik niet!”
Baxter dacht eenige seconden na.
Hij dacht nog eens na over het verhaal, hem door Pigott gedaan en kon natuurlijk allerminst vermoeden, dat deze een handige leugen had verzonnen, omdat het in zijn belang was, dat Raffles zoo spoedig mogelijk werd gearresteerd.
Hij stond op en zei:
„Ik zal dadelijk het huis laten doorzoeken.”
Hij gaf zijn lieden het bevel, dat de eene helft in het park van lord Lister moest gaan om het huis te bewaken, terwijl hij zelf en de andere helft van de straat af het huis zou binnengaan. [24]
Charly Brand zat met Freddy, waarmee hij heel gauw vriendschap had gesloten, in lord Lister’s studeerkamer en speelde met den knaap, toen de oude kamerdienaar verschrikt binnentrad.
„Vlucht spoedig! De politie wenscht te worden binnengelaten!”
Zonder te aarzelen vloog Charly Brand met de kleine naar den schuilhoek, hem door Raffles gewezen. De ruimte was groot genoeg voor beiden. Charly moest er nu slechts voor zorgen, dat het kind door het een of andere geluid den boel niet verried.
„Hou je mond, ventje, anders pakt die oude, stoute vrouw ons,” fluisterde hij.
De herinnering aan dat wijf deed de kleine zwijgen. Angstig sloeg hij zijn armpjes om den hals van zijn beschermer en verborg zijn hoofdje aan diens schouder.
Door den houten wand hoorde Charly de stemmen van de detectives en van Baxter.
„Ik zocht hier eens voor jaren,” zei deze „en toen lukte het Raffles door die klok te ontsnappen en mij en mijn collega’s in deze slaapkamer op te sluiten. Het lijkt hier wel een vossenhol en de duivel mag weten, of wij hem ooit zullen vinden. Destijds hebben wij op alle muren van deze kamer geklopt, alle schilderijen van den muur gehaald, de tapijten opgenomen, maar er was niets te vinden, net zoo weinig als nu. Het verbaast mij, wat dat speelgoed daar doet bij den haard. Wij zullen het in elk geval maar meenemen.”
Een der detectives nam het speelgoed, dat Charly voor kleinen Freddy had voor den dag gehaald en stak het in den zak.
Bijna een uur doorzochten zij het huis, maar — — John Raffles was er niet te vinden.
Zonder den millionnair iets te berichten, reed Baxter met zijn mannen naar Scotland Yard terug en stoorde daar Marholm in zijn heerlijken sluimer.
De inspecteur wekte hem met een stoot en verweet hem op luiden toon, dat hij zijn plichten zoozeer verzaakte.
De vloo keek zijn chef met een spotlach aan.
Baxter deelde den detective noode den loop van het onderzoek mede, maar het was noodig, wijl Marholm het protocol moest opmaken.
Toen Marholm het kinderspeelgoed zag, nam hij een trekpoppetje in de hand en barstte uit in luid lachen.
„John Raffles is een filosoof, inspecteur!”
„Hoezoo?”
In plaats van eenig antwoord te geven, zong Marholm uit volle borst:
„O zalig, o zalig, een kind nog te zijn!”
„Je bent een groote gek,” zei Baxter, „hou op met dat zingen en raad mij liever eens, wat te doen in zoo’n geval!”
Marholm dacht eenige seconden na.
„Ik geloof dat het maar het beste is, als ge eens met dien Pigott, die beweert Raffles zoo goed te kennen, door de straten van Londen gaat wandelen om den Grooten Onbekende te zoeken!”
„Die raad is niet slecht,” zei Baxter en hij verliet met twee van zijn mannen het bureau.
Marholm lachte in zijn vuistje. Hij kon zijn onderbroken slaapje nu voortzetten.
— — — — — — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — — — — — —
Pigott was heelemaal niets ingenomen met het voorstel van Baxter om verscheiden uren door Londen te gaan slenteren en te probeeren Raffles te ontdekken.
Maar hij vreesde Raffles te zeer om niet alles in het werk te stellen, ten einde den man te ontdekken.
En deze poging, oogenschijnlijk zoo dwaas, zou inderdaad beloond worden.
Baxter dacht er juist over na, of hij niet met Pigott [25]naar „Hotel Cecil” zou gaan dineeren, toen plotseling de millionnair met doodsbleek gelaat den arm van Baxter greep en naar een persoon wees, die, in een grijze jas, langzaam voortliep, een sigaret rookte en het hotel binnentrad.
„Wat is er?” vroeg de inspecteur, „ziet ge een spook?”
„Neen! Geen spook, maar Raffles!”
„Ge vergist u,” zei Baxter, „waar is hij?”
„Dáár! Hij is „Hotel Cecil” binnengegaan; ik herkende hem dadelijk!”
Het tweetal haastte zich en zag nog juist den rug met de grijze jas, die in de vestibule van het hotel verdween.
Nog eens herhaalde Pigott:
„Dat is Raffles!”
Maar zoo groot was in Baxter de angst voor Raffles, dat hem nu, waar hij hem zoo nabij was, de knieën knikten.
Hij was niet in staat, een stap te loopen.
Eindelijk was hij weer zoover op streek gekomen, dat hij zijn beide detectives riep van de andere zijde der straat.
„Hebt ge een heer gezien in een grijze jas?” vroeg Baxter den portier van het hotel.
„Ja,” antwoordde deze, „hij is de leeszaal binnengegaan.”
Baxter ging naar de aangeduide zaal aan het einde der gang.
„Dank u!”
Hier was lord Lister.
Toen Baxter de zaal wilde binnengaan, verliet Lister dezen om een adresboek te gaan halen en toen hij den politieinspecteur zag, overlegde hij bliksemsnel bij zichzelven, wat hem te doen stond.
„Daar is hij!” schreeuwde Baxter.
Maar Raffles was in hetzelfde oogenblik een aangrenzend zaaltje, den theesalon, binnengestapt, draaide den sleutel om en liep het terras over, dat naar de breede straat langs de Theems leidde.
En terwijl op deze handige manier de Groote Onbekende wel opzien baarde in den theesalon, maar toch ook behouden en wel op straat belandde, morrelden Baxter en zijn mannen aan den buitenkant der deur en riepen door het sleutelgat waar de man met de grijze jas was gebleven.
„Naar den Theemsoever gegaan,” antwoordde men hem.
„Vooruit!” beval Baxter, „hem dadelijk achterna.”
Raffles had een voorsprong van verscheiden duizenden meters. Het was omstreeks vijf uur in den middag en het begon al wat te schemeren.
De drukte aan den Theemsoever was om dezen tijd al bijzonder groot en Raffles durfde niet al te vlug te loopen om geen opzien te baren.
Baxter en zijn mannen echter renden er van door en naderden steeds dichter.
Ieder oogenblik riep Baxter: „Halt of ik schiet!”
Maar er waren te veel menschen tusschen hem en Raffles, die het zaakje met belangstelling gadesloegen, waarom Baxter echter niet kon schieten.
Plotseling bemerkte Raffles, dat een politieagent, een kerel als een boom, zich aansloot bij het publiek en hem vlak op de hielen was. Haastig had hij zijn jas uitgetrokken en toen de agent hem wilde grijpen, wierp hij dezen het kleedingstuk in het gelaat, zoodat de man niets kon zien.
Reeds voelde Raffles, dat zijn krachten hem begaven.
Maar eensklaps gleed een spotlach over zijn strak gelaat. Hij bleef een oogenblik staan en Baxter meende reeds dat Raffles, die vlak bij den Theemsoever stond, zich gevangen zou geven. Hij wilde hem reeds grijpen [26]maar Raffles liep weer vooruit en opnieuw begon de jacht langs de rivier.
Baxter echter zag, dat de vervolgde uitgeput geraakte en dit spelletje wel niet lang meer zou kunnen volhouden.
Reeds strekten allen de handen uit om Raffles te pakken, maar— —zij grepen in de lucht, in de ijle ruimte. Met een grooten sprong, zijn hoed tot afscheid zwaaiend tegen Baxter, sprong Raffles in de Theems en riep:
„Goeden dag, inspecteur, ’t is jammer voor mijn lakschoen!”
Toen sloten de golven zich over zijn hoofd.
Baxter rende als een gek aan den oever heen en weer en schreeuwde:
„Een boot, een boot! Touwen en haken! Wij moeten hem ophalen! Wij moeten hem hebben!”
Hij vloog met zijn lieden naar de brug om daar in een reddingboot te stappen. Daarin roeide hij in aller ijl naar de plaats, waar Raffles in de Theems was gesprongen.
Maar niets was van hem te ontdekken.— — —
Niet ver van de plaats werd een uur later in de duisternis door een heer een cab aangeroepen, die in een donkere portiek stond.
De koetsier kon door de duisternis zijn „vrachie” niet nader bekijken.
„Regent-Park 14”, zei de reiziger en de cab bracht hem daarheen.
Toen de koetsier voor de villa stilhield, verbaasde hij er zich over, dat zijn passagier in het koude weer geen overjas droeg. De vreemdeling gaf hem een goede fooi en verdween toen in de villa. Het was de villa van lord Lister en Raffles zelf was het, die zich naar huis had laten rijden.
Hij was niet verdronken in de Theems zooals Baxter en de grinnikende Pigott meenden.
Toen hij vervolgd werd, bedacht hij onderwijl, dat een groote buis in de Theems uitmondde en op deze plaats was hij in de rivier gesprongen.
Hij was een uitstekend zwemmer en kon zich gemakkelijk door de buis naar boven werken, tot waar deze op de straat uitmondde.
In deze buis bleef hij totdat de duisternis was ingevallen; toen hief hij het deksel op en stond op straat.
Met een cab liet hij zich naar zijn huis brengen om daar van kleeren te wisselen.
Toen hoorde hij van Charly Brand, dat zijn huis te vergeefs door de detectives was bezocht Hij keek nog eens naar den slapenden Freddy en kuste den knaap op het voorhoofd.
„Ga mee, Charly, maak je klaar.”
Een paar minuten later slenterde Raffles in een elegante pels, onverschillig een sigaret rookend, met Charly Brand door de straten van Londen en luisterde met de grootste belangstelling naar de krantenjongens, die in extra-uitgaven zijn dood in de Theems meldden. [27]