[Inhoud]

ZEVENDE HOOFDSTUK.

BIJ DEN LORD-MAYOR.

Voor het huis van den lord-mayor van Londen liepen twee schildwachten der Iersche garde op en neer.

De groote berenmutsen hadden zij wegens de koude iets dieper dan gewoonlijk over de oogen getrokken en zij surveilleerden bijna in looppas.

Plotseling bleef een van hen staan en riep:

„Halt!”

Twee heeren in elegante pelsjassen stonden voor hen en verlangden te worden binnengelaten.

Het waren lord Lister en Charly Brand.

„Wij wenschen den lord-mayor te spreken,” zei Raffles.

„Voor zaken of particulier?”

„Voor zaken”, antwoordde Raffles.

„De werkuren van den lord-mayor zijn om vijf uur des middags afgeloopen”, antwoordde de schildwacht.

„Dien mij dan als particulier aan”, zei de lord.

„Ook dat is onmogelijk”, zei de schildwacht, „de lord ontvangt vandaag niet, omdat hij nog te werken heeft.”

„Het is goed”, zei lord Lister, en hij ging met Charly Brand verder.

Aan den overkant der straat bleef hij staan en keek eens naar het groote gebouw, waarin de lord-mayor van Londen woonde en een licht op de eerste verdieping verried Raffles de kamer, waar naar alle waarschijnlijkheid de lord-mayor zat te werken.

Eenige oogenblikken later zei hij tot Charly Brand:

„Ga jij nu naar huis, mijn jongen! Goeden nacht!”

„En wat ben jij van plan?” vroeg Charly Brand.

„Ik wil den lord-mayor van Londen spreken.”

„Maar dat is toch niet mogelijk naar je gehoord hebt.”

„Niets is onmogelijk.”

Hij reikte Charly Brand nog eens de hand en deze zag, hoe Lister met elastischen tred over het plaveisel liep, een lucifer aanstak en daarmee een sigaret ontgloeide.

Daarna zag Charly, dat hij het huis van den lord-mayor voorbijging en daarna het huis er naast binnentrad.

Charly ging heen. Hij kon maar niet begrijpen, wat Raffles daar in dat gebouw had te zoeken.— — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Lord Abercron, lord-mayor van Londen, zat met zijn secretaris in zijn studeerkamer te werken. Hij was verdiept in de stukken, die voor hem lagen, zoodat hij er niet op lette, toen zijn kamerdeur werd geopend en eerst verschrikt opkeek, toen zijn secretaris plotseling opsprong en met luider stem uitriep:

„Wie zijt ge, wat wilt ge?”

Lord Abercron stond eveneens op en keek naar de deur.

Daar stond de slanke gestalte van een vreemdeling, het type van een gentleman.

„Wat verlangt ge?” vroeg Abercron, „en hoe is het mogelijk, dat men u heeft binnengelaten?” [28]

De vreemdeling naderde en zei:

„Pardon. Maar als ik den koning wensch te spreken, dan ook word ik toegelaten. Ik kom overal binnen, waar ik wil en geen wacht of beambte kan mij daarin den weg versperren.”

Deze woorden bezorgden lord Abercron een lichte rilling.—„Was dat een gek of een spook?”

„Ik begrijp u niet,” sprak hij, „maar daar ik het bewijs van uwe bewering voor mij zie, wilt ge zeker wel de goedheid hebben, mij nader te verklaren, wien ik de eer heb te spreken.”

De vreemdeling boog met een vriendelijk lachje en zei:

„Mijn naam is John C. Raffles.”

De lord-mayor en zijn secretaris vlogen van schrik achteruit. Een bovenaardsche verschijning had op hen geen schrikkelijker uitwerking kunnen hebben.

De lord kreeg het eerst zijn tegenwoordigheid van geest terug en zei:

„Schertst ge of wat praat ge anders voor onzin?”

„Geen onzin,” antwoordde Raffles, „of denkt ge, dat ik voor mijn pleizier over de daken naar hier ben geklauterd?”

„Over de daken?” herhaalde lord Abercron.

„Ja,” antwoordde Raffles, „ik ben van hiernaast bij u overgesprongen. Dat was een heele waaghalzerij.”

„Als ge geen slechte bedoeling hebt,” sprak Abercron, „al zijt ge ook de veelbesproken Raffles, waarom komt ge dan midden in den nacht bij mij?”

„Omdat mijn boodschap geen uitstel kan lijden,” antwoordde de Groote Onbekende, „ik kom om met de hulp van uwe lordschap het vreeselijke lijden van ongelukkige schepsels te verzachten. Ik kom zelfs, op gevaar af, dat ge mij laat arresteeren en in de gevangenis werpen.”

Nu keek lord Abercron in gespannen aandacht naar Raffles en zich herinnerend dat lord Lister, voordat hij zich aan de inbrekerssport wijdde, zijn standgenoot was, zei hij:

„Ga zitten, lord Lister. Het moet wel een belangrijk iets zijn, dat u er toe drijft, u te wagen in het hol van den leeuw.— —Zal ik mijn secretaris wegzenden?”

Dat laat ik geheel aan u over, sta mij toe, dat ik u thans mijn verhaal doe.”

En lord Lister begon hem de geschiedenis van mr. Pigott te vertellen

— — — — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — — — —
— — — — — — — — — — — — — — — —

Terwijl lord Lister bij den lord-mayor zich bevond, was Baxter naar Scotland Yard teruggekeerd—het was tegen negen uur des avonds—om den nachtdienst over te geven aan zijn collega Thomas. Daar ging de telefoon over en Marholm nam den hoorn van het toestel.

„Hier Baxter, Scotland Yard!”

„Hier Hittner, de secretaris van lord Abercron.”

„Wat belieft u?”

„Lord Abercron beveelt, dadelijk mr. Pigott, Regent-Park 12, te arresteeren en naar Scotland Yard te brengen om verhoord te worden. Zijn lordschap zal daar zelf komen.”

„Uitstekend,” zei Marholm en hij legde den hoorn weer neer.

„Wat is er?” vroeg Baxter, die haast had om naar huis te komen.

„De lord-mayor verzoekt u, inspecteur Baxter, om mr. Pigott hier te brengen, opdat zijne lordschap hem persoonlijk in verhoor kan nemen.”

„Alle duivels! Wat moet dat beteekenen?”

Marholm haalde de schouders op.

„Ga mee, Marholm, het bevel luidt immers, dat Pigott direct moet gearresteerd worden? Wat ter wereld [29]heeft lord Abercron met dien Pigott te maken? ’t Is vreemd!”

Het tweetal spoedde zich naar Pigott. Verschrikt sprong deze op, toen Marholm en Baxter zijn eetkamer binnentraden en hem meedeelden, dat hij dadelijk naar Scotland Yard moest komen.

„Wat is er? Wat moet ik? Hebt ge Raffles misschien uit de Theems gehaald?”

Over het gelaat van Marholm vloog een spotlach en om Pigott tot wat spoed aan te drijven sprak hij:

„Ja, wij hebben hem er uit gehaald.”

Die woorden hielpen. Hij kleedde zich haastig en verliet met Baxter en Marholm de villa. De lord-mayor was nog niet verschenen.

Daar ging de deur open.

Een heer in pelsjas kwam binnen, fixeerde Baxter eenigen tijd en vroeg:

„Inspecteur Baxter?”

„Jawel! Met wien heb ik het genoegen?”

Daar weerklonk een vreeselijke gil en Pigott schreeuwde:

„Raffles! Raffles! Een spook! Help!—”

Die woorden werkten als een bom.

Allen, behalve Marholm, wilden vluchten. Glimlachend keek Raffles toe en zei:

„Die man heeft gelijk. Ik ben Raffles!”

Nu brulde Baxter:

„Sluit hem in boeien! Vooruit! Het is Raffles!”

En terwijl allen, behalve „de vloo”, zich op Raffles wierpen, riep Baxter maar uit:

„We hebben hem! Gelukkig! Eindelijk! Nu zal hij op water en brood zitten, totdat hij alles heeft teruggegeven, wat hij gestolen heeft.”

Daar ging de deur nogmaals open en een onder-officier van de Iersche garde meldde met luider stemme:

„De lord-mayor van Londen, lord Abercron”.

Deze trad binnen met een vriendelijk „goeden avond”, klopte toen Raffles eens joviaal op den schouder en zei:

„Goeden avond, waarde lord. Ik zie, dat ze u een paar ijzeren handschoenen hebben aangetrokken.”

„Ja”, lachte Raffles, „aan beleefdheid heeft het mij hier niet ontbroken.”

Als een bliksemstraal troffen deze woorden al de omstanders en hun verbazing kende geen grenzen, toen Abercron gelastte:

„Neem den lord de handboeien af!”

Marholm haastte zich, het bevel op te volgen.

„En doe dien heer de boeien aan”, beval de lord-mayor en hij wees naar mr. Pigott.

Deze brulde als een stier, toen hij die woorden hoorde en stevig werd beetgepakt.

In een oogwenk was hij geboeid.

„Ga met uw beambten”, beval thans de lord-mayor, „naar de villa van dezen man, waarheen ge hem moet meenemen. Lord Lister zal in dit proces optreden als getuige en als zoodanig staat hij ook onder de speciale bescherming van de Kroon. Ge moogt hem dus niet het minste aandoen.”

Baxter en alle detectives bogen diep en de heele stoet van Scotland Yard, met mr. Pigott in hun midden, trok erop uit, terwijl zich nog eenige doktoren bij hen hadden gevoegd. Zoo trok men, met lord Lister aan het hoofd, naar de villa in Regent-Park.

Marholm, die naast den geboeiden Pigott in de auto zat, merkte op, dat deze, toen men voor zijn villa was aangekomen, eensklaps een luiden schreeuw wilde slaken om zijn medeplichtigen te waarschuwen. Maar dit geschiedde niet, want toen Marholm zag, wat Pigott wilde beginnen, drukte hij hem bliksemsnel de hand op den mond en de schreeuw werd gesmoord. Zijn hand nam Marholm eerst weer weg, toen de deur der villa geopend was. [30]

Jackson stond op den drempel en te laat zag deze, dat men gesnapt was, want reeds werd hij gegrepen en geboeid.

Het viel nu niet zoo heel moeilijk om ook de derde medeplichtige en het wijf te arresteeren. Lord Lister ging nu de anderen voor naar den kelder. Het gelukte hem nu al heel spoedig om de geheime deur te openen, waarvan hij het mechanisme kende, en de heeren belandden dus vrij spoedig in de kelderruimte, waar zich zulke afgrijzelijke tooneelen voor hun oogen afspeelden, dat zij meenden in de hel te zijn verplaatst.

Uit vieze, vuile hokken, op hoopen stroo, dat maanden lang reeds lag te rotten en waarin het ongedierte hoogtij vierde, haalden de doctoren schepseltjes te voorschijn, die men op de meest wreedaardige wijze kunstmatig had verminkt.

Het waren kinderen, jongens en meisjes tot drie-jarigen leeftijd, die men alle opzettelijk verminkt en van hun ledematen beroofd had. Met gloeiende ijzers werden de stompen afgebrand en dan weer zoo goed en zoo kwaad als het ging genezen. Bleef het ongelukkige kind leven dan werd het, zooals wij dat bij Raffles en mr. Thomson zagen, verkocht aan den een of anderen bedelaar uit Londen, stierf het, tengevolge van de vreeselijke pijnen, dan werd het in een onderaardschen put geworpen. De aanwezige doctoren bemoeiden zich terstond met de arme stumperdjes en lieten ze naar de ziekenhuizen brengen.

Uit het onderaardsche kerkhof haalden de doktoren zeventig geraamten of in verregaanden staat van ontbinding verkeerende lijkjes te voorschijn. Verscheiden detectives vielen flauw, toen zij al die ellende zagen en Raffles beweerde, dat hij zelfs niet op de slagvelden van Egypte of Zuid-Afrika zulke vreeselijke tooneelen had bijgewoond als de aanblik gaf van deze onschuldig vermoorde wezentjes.

Terwijl de doktoren en eenige detectives den kelder ontruimden, begaven de lord-mayor en Raffles zich naar de slaapkamer van mr. Pigott, die zij doorzochten. In een jaszak van den millionnair vonden zij de krant, waarin de arme naaister Mary Grant haar zoontje te koop aanbood. Deze advertentie had Pigott met blauw potlood aangehaald.

Raffles nam deze krant en verzocht toen den lord-mayor en Baxter om hem te volgen naar de naastbij gelegen woning.

Charly Brand, die met het grootste ongeduld wachtte op de terugkomst van lord Lister en in de grootste zenuwachtigheid verkeerde, schrikte niet weinig, toen hij plotseling de huisbel hoorde overgaan en vreemde stemmen vernam. Hij was op het punt om zich opnieuw te verbergen in den door Raffles aangeduiden schuilhoek, toen hij lord Lister’s stem hoorde, die zei:

„Hierheen, heeren, deze trap op!”

Eenige minuten later werd de deur geopend en lord Lister trad binnen, vergezeld van lord Abercron en detective Marholm.

Vol verbazing en bewondering keek lord Abercron om zich heen. Dat was dus het veel beruchte dievenhol, waar het zoo echt gezellig en gemakkelijk uitzag.

Maar Raffles liet hem niet al te lang den tijd. Hij bracht hem naar de slaapkamer en toonde hem daar het blonde knaapje. Rustig sluimerde het kind, en een lachje speelde om zijn lippen.

„Hier is de kleine,” zei Raffles, „dien ik den schurk heb ontstolen en bovendien—hij wendde zich tot Charly Brand—heb ik dien man voor 60,000 pond sterling beroofd, die ik thans aan u overdraag met het vriendelijk verzoek, deze geldsom te besteden in het belang van de ongelukkige slachtoffers, de verminkte kinderen.”

Hij liet Charly de geldsom uitbetalen.

Lord Abercron nam het geld, keek er eenige seconden [31]naar en toen keek hij naar Raffles. Daarop reikte hij dezen de hand en zei:

„Ik benijd u om uw sport, lord Lister en, te oordeelen naar het resultaat, dat ge mij vandaag van uw werken hebt gegeven, zou ik wenschen een Raffles te zijn.”— —

Daarmee gaf hij hem nogmaals de hand.

„Ik moet gaan, het is al laat geworden!”

„Toch nog niet te laat om iemand groote vreugde te bereiden. Ik zal de moeder van dit kind gaan opzoeken en haar het knaapje terugbrengen.”

„Ik zal voor moeder en kind zorgen,” zei lord Abercron. „Kom morgen bij mij en zeg mij, wat ik doen kan.”

Lord Lister boog.

„Staat ge mij toe,” vroeg hij, „dat ik u nog één verlangen van mij kenbaar maak?”

„En dat is?”

„Ik heb hier in huis nog een paar uitstekende touwen. Ik geloof, dat inspecteur Baxter ze indertijd heeft gekocht bij een touwslager, met de bedoeling om er mij aan op te hangen en ze hier thuis heeft achtergelaten. Dat voornemen van Baxter is tot nog toe niet ten uitvoer gebracht. Zoudt gij die touwen misschien willen meenemen als geschenk van mij voor mr. Pigott en zijn collega’s?”—

Lord Abercron lachte. Het was zijn eerste glimlach op dezen avond en ook detective Marholm lachte, toen lord Lister een verwarde kluwen touw te voorschijn haalde.

Hij gaf ze den lord-mayor van Londen met de woorden:

„Een echte Rafflesstrop voor Pigott en zijn medeplichtigen.”