[Inhoud]
DE ERFENIS VAN EAGLESTONE.

DE ERFENIS VAN EAGLESTONE.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE ZELFMOORDENAAR.

In het zuidwesten van Londen strekt zich het Batterseapark uit. Aan de noordzijde reikt het tot de Theems, terwijl het aan de drie andere kanten door straten wordt begrensd; ongeveer een vijfde deel van het park wordt ingenomen door den vijver aan den noord-oostelijken kant gelegen.

Het was omstreeks tien uur in den avond. Van het geraas der omliggende straten drongen slechts weinig geluiden in het park door, dat met zijn ruischende boomkruinen een oase geleek in het drukke stadsgewoel.

Op een smal pad, dat zich kronkelde langs den vijver, wandelden twee heeren.

Oogenschijnlijk waren beiden in hun gesprek verdiept. In ruime, donkere jassen gehuld, wandelden zij gearmd verder. De grootste van het tweetal lachte eens luid; de een of andere gedachte scheen zijn vroolijkheid te hebben opgewekt.

Hij bleef een oogenblik staan en stak een nieuwe sigaret op. Toen begon hij:

„Charly, ik had er een mooi ding voor over gehad als ik het gezicht van Baxter had gezien bij ons laatste zaakje.”

De ander schudde het hoofd.

„Ik weet het niet, Edward, maar ik geloof, dat jij je hebt ingelaten met dingen, die ons in ernstige ongelegenheid brengen.”

Het tweetal wandelde verder door het stille Batterseapark.

Op een eenzame bank zat een man ineengedoken, de elleboog op de knie geleund, het hoofd steunend in de hand. Hij staarde voor zich uit in het water van den vijver, waarover een vaalgrauwe nevel was neergestreken. Onbeweeglijk zat hij daar.

Hij had daar zeker meer dan een uur gezeten, toen een diepe zucht zijn borst ontsnapte. Moeizaam stond hij thans op, de armen uitrekkend.

Zachtjes fluisterde hij:

„Geen enkele uitweg meer, geen enkele! Het moet!”

Hij had een eind touw te voorschijn gehaald en ging dat nu met bevende vingers aan een stevigen boomtak bevestigen. [2]

Toen dit geschied was, maakte hij een strik in het neerhangende gedeelte, klom op de bank en sloeg het om zijn hals. Toen sprong hij naar beneden en een oogenblik later zweefde hij vrij tusschen hemel en aarde. De zwaarte van het lichaam had den strik dichtgetrokken; een gorgelend geluid ontsnapte zijn mond en langzaam verloor hij het bewustzijn. — — —

Druk redeneerend waren de beide heeren doorgeloopen. Bij een buiging van een voetpad zei een hunner:

„Kijk eens, Edward, wij schijnen hier toch niet alleen te zijn. Daar beweegt zich iemand!”

Hij wees met uitgestrekte hand voor zich uit.

„Hallo, Charly! Ik geloof, dat daar iets voor ons te doen is! Gauw!”

De heeren liepen zoo vlug als zij konden, naar de plaats, waar de levensmoede een eind aan zijn leven trachtte te maken.

„Kijk, Edward!” riep huiverend de jongste, terwijl hij het licht van zijn electrische zaklantaarn op het lichaam liet vallen.

Zijn vriend had met een enkelen blik den geheelen toestand overzien, zijn mes te voorschijn gehaald en den levensmoede afgesneden. Charly hield het lichaam van den zelfmoordenaar vast om het voor vallen te behoeden.

Toen de redder den strop had doorgesneden, ontsnapte een diepe zucht de lippen van den bewustelooze. Beide vrienden werkten nu ijverig om de levensgeesten in het ontzielde lichaam terug te roepen en spoedig werd hun moeite beloond. Een zacht, doch regelmatig ademhalen werd gehoord en al spoedig sloeg de vreemde de oogen op.

Onwillekeurig tastte hij naar den hals, als wilde hij zich ervan overtuigen, dat er geen strop meer om zat.

De heeren knielden naast den ongelukkige en Charly lichtte hem met de zaklantaarn in het gelaat. De vreemde telde ongeveer vijftig jaren. Het hoofdhaar was aan de slapen licht vergrijsd. In het gebruinde, doch ingevallen gelaat tintelden een paar levendige verstandige oogen. De neus was fraai gebogen; om mond en oogen lagen diepe rimpels, die wezen op velerlei zorg en teleurstelling. De man had een gespierde gestalte.

Toen de onbekende de oogen had opgeslagen, keek hij een oogenblik met starenden blik om zich heen. Spoedig echter begreep hij zijn toestand en zijn blik scheen zijn redders te vragen:

„Waarom hebt ge mij aan de vergetelheid ontrukt?”

De heer, die den zelfmoordenaar had afgesneden, boog zich thans tot hem over en zei:

„Wij weten niet, wat u tot dien onzaligen stap heeft gedreven. Als de nood op het hoogst is, is de redding nabij. Maar zeg ons eens, waar kunnen wij u thans heenbrengen? Hebt ge bloedverwanten?”

De ongelukkige keek nog steeds met verwarden blik naar zijn redders.

„Ik weet niet, of ik u moet danken,” begon hij eindelijk, „voor wat ge voor mij hebt gedaan. In ieder geval dank ik u voor het medelijden met ongelukkigen, waarvan ge hebt blijk gegeven. Ik heb niemand en niets meer, ik sta alleen op de wereld.”

De eerste spreker nam thans weer het woord,

„Wel, beste vriend, als toch niemand op u wacht, kunt ge ons nog wel wat van uw gezelschap laten profiteeren. Ga mee. Wij willen een café opzoeken, waar het gezelliger is dan hier in de nachtelijke koelte.”

Hij nam den arm van den weerstrevenden man en trok hem met zich mede. [3]